Jan Voerman Sr. voorkomt in 1906 de bouw van een Steenfabriek in zijn geliefde IJssellandschap.

Mijn overgrootvader Jan Voerman Sr, de IJsselschilder, was altijd maar bezig met zijn werk. In zijn hoofd was het soms een chaos. Wolkenluchten, bosgezichten, dieren in de wei, hoe kon hij dat op het doek krijgen op een manier die paste bij wat hij voelde? Het was zijn leven als boer dat hem voldoening gaf en het evenwicht terugbracht als het teveel spookte in zijn hoofd. Hij hield van het werk buiten. De zorg voor de koeien en andere beesten, het kweken van groenten en bloemen, zelfs het uitmesten van de stal. De lichamelijke arbeid gaf ontspanning en maakte zijn hoofd leeg.

In 1906 gebeurde er iets waardoor mijn overgrootvader de held werd in de ogen van zijn kinderen. Zijn koeien en die van anderen graasden op een stuk land in de uiterwaarden aan de andere kant van de dijk, vlak voor hun huis. Het was goed grasland met een rijke opbrengst aan hooi waar veel boeren plezier van hadden. Dat stuk land zou verkocht worden.

Het was bekend dat de steenbakkerij een eindje verder langs de IJssel belangstelling had voor de grond. Het zou een ramp zijn voor mijn overgrootvader en de andere gebruikers. Niet alleen moest hij dan een ander stuk weidegrond zien te vinden voor zijn koeien die nu bijna voor zijn deur graasden, maar erger nog: vlak voor zijn huis zouden ratelende machines en transportbanden van de steenoven het land overhoop halen. Voor altijd zou het prachtige uitzicht verloren gaan. Voor mijn overgrootvader was dit een regelrechte bedreiging van het paradijs.

Er werd die dag een veiling gehouden in café Van Piekeren, bekend onder de naam ‘De Zon’. De zaal was afgeladen met boeren en andere belangstellenden. Zou de grond in handen komen van de rijke heren van de steenoven of zouden de boeren hun gezamenlijke grond kunnen behouden? De belangen waren groot.

Er werd flink tegen elkaar op geboden. De eigenaren van de steenoven hadden iemand afgevaardigd die op een gegeven moment het hoogste bod leek te doen. In de zaal viel een stilte. Dat was het dan. Op de gezichten van de boeren viel de verslagenheid af te lezen.

Toen ging achterin de zaal een arm omhoog. Daar zat een kerel met een zwarte cape om zijn schouders en een grote hoed op zijn hoofd. Alle hoofden draaiden zijn kant op. Met een kalm gebaar nam hij zijn sigaar uit de mond. Met zware stem deed hij op het laatste moment een hoger bod, kort en krachtig. De man van de steenoven bleef stil. Hij had geen toestemming om hierover heen te gaan.

De consternatie was groot. Wie was die man precies? Ze kenden hem niet goed. Je zag hem alleen als hij sigaren ging halen, maar hij kwam nooit in het café. Ze wisten dat hij even buiten de Dijkpoort woonde en koeien had die hij liet grazen op het weiland dat geveild werd, maar hij was geen echte boer en geen Hattemer van oorsprong. Wat kon het ze ook schelen? Hij was de eigenaren van de steenoven te slim af geweest. Dat was het enige dat telde.

Mijn oma Hetty Voerman-Mansholt schreef over haar schoonvader:

…Ze hadden weer lang moeten wachten voor Vader (Voerman Sr.) thuis kwam uit de wei, voordat ze konden gaan eten. ’t Was half twee geworden toen hij aan tafel zat en rustig zei: ‘Ik heb land gekocht.’ Een grote opwinding kwam omhoog en rumoer barstte los. ‘Heb je ten Have niets gezegd?’ En ‘Waarom heb je mij dat niet verteld?’ Voerman zei toen heel kalm: ‘Als je zoiets van plan bent moet je het aan niemand, helemaal niemand vertellen’…

Dit is een fragment uit het boek “Gevangen in een Paradijs”, over de kunstschilders vader en zoon Voerman.

Het boek is geschreven door Kees Opmeer en is hier te koop.

Steenfabriek langs de IJssel, Verkadeplaatje van Jan Voerman Jr. voor het album “De IJsel” uit 1916

Plaats een reactie