Tussen alle palliatieve behandelingen door heb ik de afgelopen drie jaar gewerkt aan een boek over mijn opa, kunstschilder Jan Voerman Jr., en zijn werk voor de Verkadealbums. Naast het samenzijn met mijn familie gaf dit mij rust, een doel en zingeving.
Het was een genoegen om in mijn archief te zoeken naar de schetsen die mijn opa maakte ter voorbereiding van de Verkadeplaatjes. Later vond ik bovendien glasnegatieven en olieverfstudies die hij ter plekke had gemaakt om deze vervolgens in aquarel uit te werken.
In de archieven van Jac. P. Thijsse, auteur van de meeste Verkadealbums, en in het gemeentearchief van Zaandam en het Zaans Museum vond ik aanvullend materiaal. Daarbij kreeg ik waardevolle hulp van schrijver Kees Opmeer en Verkadealbumkenner Marga Coesèl. Ook hoogleraar landschapsgeschiedenis Theo Spek van de Rijksuniversiteit Groningen hielp mij bij het duiden van het landschap dat mijn opa in de eerste jaren van de twintigste eeuw schilderde.
Hoeveel is dat landschap inmiddels veranderd, en wat is er vandaag de dag nog van terug te zien? Zoals IJsselkenner Wim Eikelboom zegt: „De beelden van de Verkadeplaatjes vormen een soort heimweelandschap.” En liefhebber Maarten van Rossem sprak, na het zien van het Verkadeplaatje Dijkhelling met bloemen uit 1938, over „mijn gedroomde Nederland”.
Het boek is af, de tentoonstelling in het Voerman Stadsmuseum Hattem is geopend en nog tot oktober van dit jaar te zien.
Foto’s van de boekpresentatie op 8 mei in Hattem. Burgemeester Marleen sanders van Hattem neemt het eerste boek in ontvangst. (foto Ron Maat)
Daarna opening door de Burgemeester en Lenthe Voerman (achter-achter kleindochter van Jan Voerman jr. de tentoonstelling in het Voerman stadsmuseum Hattem (foto Ron Maat)
Blader hier door het boek over de Verkadeplaatjes van Jan Voerman jr.
De plaatjesalbums van Verkade uit de vorige eeuw: generaties spaarden de plaatjes en plakten ze zorgvuldig in. Wat begon als een reclamecampagne, groeide uit tot één van de meest geliefde culturele verschijnselen van Nederland. In totaal verschenen er dertig albums, met een gezamenlijke oplage van maar liefst drie miljoen exemplaren. Kunstschilder Jan Voerman jr. werkte aan bijna alle albums mee.
De plaatjes van Voerman en andere schilders als Rol, Wenckenbach en Koning geven samen met de teksten van Thijsse een uniek en romantisch beeld van het Nederland in die jaren. Voerman schetst het liefste alles naar het leven, zoals hij het zelf kan bestuderen, en is graag en veel in de natuur te vinden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog trekt de jonge kunstenaar op zijn fiets door Nederland om schetsen en foto’s te maken voor de Verkadeplaatjes. In zijn atelier in Hattem verwerkt hij dit tot aquarellen die vervolgens weer als plaatjes verschijnen in de albums ‘Langs de Zuiderzee’ (1914), ‘De Vecht’ (1915), ‘De IJsel’ (1916) en ‘Friesland’ (1918).
Peter Voerman, kleinzoon van de schilder, beschrijft met behulp van persoonlijke herinneringen van Voermans echtgenote Hetty Voerman-Mansholt hoe dit bijzondere erfgoed tot stand kwam. Originele tekeningen, voorstudies en foto’s uit het familiearchief in combinatie met de originele plaatjes reconstrueren het landschap dat Voerman zo inspireerde en waar hij uren in doorbracht op zijn reizen voor de Verkadeplaatjes.
En wat resteert er nu nog van dat landschap? Actuele foto’s van dezelfde plekken – ruim 110 jaar later – maken duidelijk hoe ons landschap is veranderd, en soms juist hetzelfde is gebleven. Zo ontstaat een reis door de tijd: van het dromerige Nederland van Voerman en Jac. P. Thijsse dat zovelen betoverde, naar het land dat wij vandaag kennen.
Het boek is hier te bestellen en wordt na 8 mei opgestuurd.
Luister hier naar het interview op RTV Hattem over de tentoonstelling en het boek “Mijn gedroomde Nederland”
Mijn opa, Jan Voerman jr. (1890-1976), werkte als schilder en illustrator, tussen 1905 (toen hij pas vijftien jaar oud was) en 1940, mee aan dertig Verkadealbums. In totaal maakte hij meer dan duizend plaatjes van bloemen, planten, insecten, vogels, dieren en landschappen. Deze illustraties geven een uniek beeld van Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw.
In mijn archieven vond ik talloze proef-aquarellen, ter plaatse gemaakte schetsen en proefschilderijen in olieverf die mijn opa vervaardigde ter voorbereiding op de uiteindelijke plaatjes. Deze moest hij in klein formaat als aquarel aanleveren. Daarnaast trof ik vele glasnegatieven aan die hij op locatie maakte als referentiemateriaal. Mijn oma heeft bovendien uitgebreid beschreven hoe haar man aan de plaatjes werkte, een bijzondere en unieke bron.
Tentoonstelling
Ik was bijzonder verheugd met het voorstel van het Voerman Stadsmuseum Hattem om samen een tentoonstelling samen te stellen rond het werk van mijn opa voor de Verkadealbums. Er is uniek werk te zien uit de archieven van het Voerman Stadsmuseum, het familiearchief Voerman-Verkade en het Drents Museum.
Boek
Het werd nog specialer toen WBOOKS aangaf een boek/catalogus te willen uitgeven over het verhaal achter de Verkadeplaatjes. Ik deed nader onderzoek in het archief van Jac. P. Thijsse, de schrijver van de Verkadealbums. Hij was, net als mijn opa, een bevlogen natuurkenner en natuurbeschermer. Ook in de archieven van Verkade vond ik veel aanvullend materiaal.
Om te laten zien hoe het landschap in meer dan honderd jaar, al dan niet, is veranderd, bezocht ik verschillende locaties waar mijn opa destijds schilderde. Ik ben zeer vereerd dat Marga Coesel (dé kenner van de Verkadealbums) en Theo Spek (hoogleraar Landschapsgeschiedenis) bereid waren een voorwoord en nawoord te schrijven. In het boek zijn tevens originele Verkadeplaatjes uit de collectie van het Zaans Museum opgenomen.
Het boek en de tentoonstelling worden op 8 mei 2026 gepresenteerd. Het is dan bijna 50 jaar geleden dat mijn opa overleed. De tentoonstelling in Hattem is vanaf zaterdag 9 mei tot en met eind december 2026 te bezoeken. Zeer de moeite waard.
Hieronder alvast een aankondiging van het boek op de website van WBOOKS. Nadere informatie volgt.
Anna ontfermde zich over de opvoeding van de kinderen. Dat wil niet zeggen dat mijn overgrootvader een slechte vader was. Toegegeven, hij was geen gemakkelijk benaderbare man. Hij was in zichzelf gekeerd en in gedachten vaak ergens anders, maar hij hield wel degelijk van zijn kinderen. Uit de verhalen bleek dat hij zich zorgen maakte over de kinderen als er problemen met hun gezondheid waren of als het ging over hun opleiding en toekomst.
Het leek wel of hij niet genoeg ruimte in zijn hoofd had om zich naast zijn schilderwerk nog intensief met de opvoeding te bemoeien. Het paste niet zo goed bij hem en hij wist dat de kinderen bij Anna in goede handen waren. Aan het gezinsleven nam hij maar mondjesmaat mee. In het atelier wachtte werk op hem en daar waren anderen slechts bij uitzondering welkom.
Een groter geluk dan Anna had hij niet kunnen vinden en hij besefte dat zelf ook. Zonder haar had hij zich nooit tot de kunstenaar kunnen ontwikkelen die hij was geworden. Anna was niet alleen sterk, intelligent en goed opgeleid, maar ze was vooral toegewijd aan haar man en kinderen. Hun belang stond voorop. Ze geloofde in haar echtgenoot als kunstenaar en wilde hem in alles helpen om zich verder te ontplooien. Mijn Voer, noemde ze hem liefdevol.
Om geen verkeerd beeld op te roepen: ze gedroeg zich niet slaafs of onderdanig, eerder nuchter en verstandig met een kritische houding als dat nodig was. Als geen ander kon ze zichzelf wegcijferen, maar ze liet niet over zich lopen.
Uit de brieven aan haar moeder komt naar voren hoe onvoorwaardelijk ze van mijn overgrootvader hield en hoeveel geloof ze in hem had als kunstenaar. Voer is een bijzonder goed en lief mensch. Zij steunde hem in zijn zakelijke contacten als het over de aankoop en verkoop van zijn werk ging, in goede en slechte tijden. Een voorbeeld daarvan is het zogenaamde ‘grijze boek’ waarin ze nauwgezet de verkoop van zijn werk bijhield. Het geloof in haar echtgenoot stamde al vanaf de eerste, moeilijke periode toen ze nog niet lang samen waren en mijn overgrootvader nog zoekende was naar zijn rol als schilder.
…Het is mooi werk. Ik denk dat V. hierop doorgaande, met eenige jaren prachtige dingen zal maken – dit is lang niet wat hij kán, alleen één kant – hij is nu met dingen bezig zoo fantastisch en groot, natuurlijk kan hij lang niet krijgen wat hij wil…
…Men kan zich niet voorstellen hoe wijs en mooi Voer inwendig is en beoordeelt hem naar eigen maatstaf. Alleen die paar die wat verder zien en intuïtie hebben, zien in zijn werk eigenschappen die hen doen vermoeden hoe ’n mooi innerlijk hij hebben moet om zóo te kunnen schilderen…
Het bleek dat ze een vooruitziende blik had.
…Maar eenmaal zal hij het maken, althans bij benadering. Niemand weet wat een zelfbeheersing en hoeveel vastheid van wil er noodig was om zóo te studeren, twee volle jaren zonder een zichtbaar resultaat. Hij heeft studies gemaakt, zóo droog, zóo suf, zóo zonder eenige zoogenaamde chic of knapheid of schildersqualiteiten (wat dát kan hij wel), dat men ze ziende denken moet: ‘Is dat nu werk van een Voerman?’…
…Wanneer er grote gedachten heerschen in een mensch, dan moet immers zijn hele zijn en doen daarmee in contact zijn? Het is wél met zoo’n mensch te leven! Zijn hele omgeving krijgt ervan mee – hier wordt nooit gezanikt of gekribt – of we geld in huis hebben of niet, een groot verschil maakt dat niet…
De goede band met haar moeder, Eduarda Verkade – Koning, bleek uit de hulp die zij en haar jonge gezin met vijf kinderen kreeg. Anna maakte er geen geheim van dat ze het in die jaren moeilijk hadden, zonder te klagen. Eduarda begreep de boodschap die ze in de brieven van Anna las. Ze had meer begrip voor Anna’s keuze om zich voor altijd te binden aan mijn overgrootvader dan haar echtgenoot Eric Verkade. Als moeder en oma liet Eduarda in de eerste plaats haar hart spreken. Met enige regelmaat zond ze kleding en geld naar Hattem, ondanks het jaarlijkse dividend dat haar dochter ontving. Anna nam het dankbaar in ontvangst.
…Ik ontving uw lieven brief, het geld en heden uw kaartje; hartelijk dank voor alles, beste! De duitjes zijn nog even welkom als altijd. Al hebben we niets te klagen, we kunnen het ook nog best op – er is van allerlei noodig buiten de dagelijksche uitgaven om – je weet soms niet waar het geld blijft!…
Anna had een stevige basis door haar sterke en liefdevolle band met haar moeder. In mijn archief heb ik foto’s die mij als fotograaf en dus als man van het beeld, nog meer zeggen dan de brieven tussen moeder en dochter.
Op de foto’s herken ik de kracht die van beide vrouwen uitgaat, maar ook de liefdevolle blikken die ze elkaar toe werpen, twee vrouwen die elkaar lijken te begrijpen. Ook de andere foto’s van Anna zeggen mij veel; van haar foto’s als jeugdige moeder tot haar portretten van een wijze, oudere dame. De veroudering was niet tegen te houden, maar wat bleef was die opvallende combinatie van zorgzaamheid en kracht die ze uitstraalde.
Dit is een fragment uit het boek “Gevangen in een Paradijs” van Kees Opmeer. Het boek is hier te koop.
Anna Voerman – Verkade aan tafel met haar echtgenoot Jan Voerman Sr. in hun huis in Hattem (1906)
Anna Voerman – Verkade de krachtige spil in het gezin Voerman Sr.
De familie Voerman krijgt in 1907 een brief van Jan Verkade, ofwel de schilder-monnik Dom Willibrord, uit het klooster in Beuron. Hij pleit ervoor dat zijn neef en petekind Jan Voerman Jr. zijn eigen weg moet gaan, weg uit het te beschermende gezinsleven in Hattem. Hij stelt voor dat zijn neef een studie gaat volgen op de kunstacademie in Düsseldorf waarvan hij de directeur Peter Behrendse kent.
Op 30 januari 1907 schrijft hij in half Nederlandse en Duitse zinnen aan Anna en Voer:
“Het heeft me plezier gedaan te horen dat Tijs (broer van Jan Voerman Jr.) van wal gestoken is en het begin heeft gemaakt van zijn carrière. Ik denk dikwijls aan me jonge naamgenoot de ‘lange Jan’ jr. en ik geloof dat ik jullie voor hem iets voorslaan kan dat voor zijn hele leven van het grootste gewicht is. Het is de hoogste tijd dat de jongen eens uit Hattem komt. Een leven als Miller en Voerman is maar voor weinigen goed! De indrukken van de jeugd zijn van de grootste wichtigheid. ‘t Is noodig dat Jan en Thijs spoedig ook in een milieu komt waarin hij voor een goed deel dat zien kan wat tegenwoordig het beste en het meeste toekomst heeft. Ik heb nu zoveel ervaringen gemaakt aan mij en anderen, dat ik geloof eenige autoriteit te bezitten op het gebied van kunstenaarsopvoedingsmethode. Voor Jan meen ik het rechte gevonden te hebben. Ik zou hem n.l. op de Kunstgewerkeschule in Düsseldorf doen. Het is op dit moment de beste school van Duitschland. De directeur is Peter Behrendse een geniale man die de genialiteit bezeten heeft uit Holland en Weenen twee lui voor zijn school te werven die uitstekende kunstenaars zijn. Ik wil Jan met raad en daad terzijde staan. Ontneem jullie zoon niet de kans om met anderen te concurreren en laat hem niet zijn mooiste jaren verlummelen”
De brief wordt door Voerman Sr. terzijde gelegd en het geloof wordt bespot. De relatie met Dom Willibrord Verkade wordt nooit meer helemaal hersteld. Jan Voerman Jr. is er in deze periode nog niet aan toe om het gezinshuis te verlaten. In 1911 zoekt hij alsnog contact met zijn oom om naar Duitsland te vertrekken maar de politieke onrust maakt dat onmogelijk. In 1912 meldt Jan Jr. zich aan bij de Rijks Akademie der Kunsten en verlaat dan eindelijk het ouderlijk huis om bij broer Tijs in Amsterdam te gaan wonen. Twee jaar later, als WO I uitbreekt, keert hij alweer terug naar Hattem.
Lees hier meer over Jan Verkade/ Dom Willibrord en zijn deelname aan ‘Les Nabis’, de kunstenaarsgroep rond Paul Gauguin.
Brieven van Dom Willibrord aan Jan Voerman Sr. en Anna Voerman – Verkade en aan Jan Voerman Jr.
Deze maand is het 110 jaar geleden dat het Verkadealbum “Langs de Zuiderzee” uitkwam. Op dat moment het 9e album in de serie. Zelfs het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kon dit niet verhinderen. Ook in die tijd waren er plannen om de Zuiderzee af te sluiten. Verkade en Thijsse waren hiervan op de hoogte, zoals blijkt uit de inleiding van Thijsse in het album.
…Ga nu de Zuiderzee zien, eer het te laat is. Want lang zal ’t niet meer duren of groene polders vervangen de kabbelende golfjes. Hoe dat in zijn werk zaal gaan, en wat dat te beduiden heeft, vertelt een man van zaken in een afzonderlijk hoofdstukje…
Later schreef hij:
…’t Is toch al jammer genoeg, dat de zee hier later moet verdwijnen, maar daar is niets aan te doen en van die droogmaking verwachten we toch ook weer een boel goede dingen, maar we raken er heel wat moois door kwijt, bewaar dus dit album voor uw achterkleinkinderen…
Mijn opa, Jan Voerman Jr., komt in de tijd net terug uit Amsterdam waar hij lessen heeft gevolg aan de Akademie der Kunsten. Het was voor hem, na zijn beschermde jeugd bij zijn ouders in Hattem, een openbaring om in de grote stad te zijn. Hij had Van Gogh gezien in het Rijksmuseum en het werk van Breitner. En hij wandelde uren door de stad op zoek naar kunsthandelaren. Voor het album de Zuiderzee mag hij 24 plaatjes maken daarvoor reist hij naar de kust van Friesland en Overijssel. Tacozijl, Lemmer, Blokzijl, Kuinre. Allemaal plaatsen die niet lang meer ‘aan zee’ zouden liggen.
Verkadeplaatje “Blokzijl” van Jan Voerman Jr.
Artikel uit november 1914 bij het verschijnen van het album
Jan Voerman sr. en zijn vrouw Eduarda Voerman-Verkade en de kinderen woonden nog niet zo lang in hun nieuwe huis toen opa Eric Verkade voor de eerste keer met Eduarda mee kwam naar Hattem op het vaste tijdstip in september. Dat maakte indruk op de kinderen. Zoon Tijs wist het nog precies.
…Hij bracht voor ons allemaal een mooi cadeau mee, voor Jan en mij samen een kegelspel. Wij vonden hem erg deftig en ik was er bepaald grootsch op dat Opa er zoo uitzag. Wij wisten dat hij een brood- koek- en beschuitfabriek dreef, en stelden het ons voor dat hij boven in de beschuittoren (die op de koekcartons als plakplaat was afgebeeld) beschuitjes zat te bakken. In deze tijd had ik voor het eerst begrip van jaartallen en leeftijden, ik was toen zoowat 7 jaar en toen Oma mij eens kwam goedennacht zeggen, vroeg ik hoe oud zij eigenlijk wel was. Het antwoord luidde: ’57 jaar’, waarna ik haar op het hart drukte ’t volgend jaar toch heel voorzichtig te zijn, want dan was ze 58 en dat was op het ganzenbord de dood! Ze beloofde mij toen ook erg goed op te passen. Toen Opa dat jaar 63 werd, dacht ik dat hij dan wel steeds bij het ganzenbord spelen de pot zou winnen!…
Het moet mijn overgrootvader Jan Voerman Sr. goed hebben gedaan dat zijn schoonvader de stap had genomen om op bezoek te komen, ondanks zijn drukke werkzaamheden. Eindelijk leek hij volledig te worden geaccepteerd. Wat hielp was dat mijn overgrootvader steeds meer naam begon te maken als schilder, waardoor hij zich dit riante huis aan de Dijk kon veroorloven evenals personeel om Anna te ondersteunen bij de opvoeding van het grote gezin.
In latere jaren verwierf mijn overgrootvader steeds meer respect van de familie Verkade. Ze vonden hem een ingetogen en wijs man die op een creatieve en originele manier naar zaken kon kijken. Als er problemen waren in het bedrijf zochten familieleden mijn overgrootvader vaak op om urenlang met hem over mogelijke oplossingen te praten; niet zelden met een verrassend en positief resultaat.
Ook broers en zussen van Eduarda kwamen regelmatig naar Hattem. Ze brachten vaak nieuwe artikelen mee: Tenten uit Engeland, waarmee de kinderen mochten kamperen in de uittrekwaarden van de IJssel. De eerste auto die aan de Gelderse dijk kwam was van Ericus Jr. en er waren de gloednieuwe, door Verkade ontwikkelde waxine lichtjes en ook kwamen er steeds volle dozen Verkadekoekjes en chocola mee.
Kamperen aan de IJssel
Geleidelijk aan kwamen in deze periode rond de eeuwwisseling meer mensen over de vloer. Het was een direct gevolg van zijn toenemende succes als schilder. Een van die mensen was Tessaro, de eigenaar van kunsthandel Buffa. Hij was van Italiaanse afkomst en als kleine jongen met nauwelijks bezittingen naar Nederland gekomen. De kinderen mochten hem graag en noemde het oom Tessaro.
Het gebeurde ook wel dat mijn overgrootvader, gestimuleerd door zijn echtgenote, zelf naar de kunsthandelaar moest reizen om zijn werk aan de man te kunnen brengen. Tijs vond het niet erg.
…Af en toe ging Vader zelf zijn aquarellen, ‘teekeningen’ noemde hij het zelf, naar Amsterdam brengen. Hij ging dan met een heel vroege trein en per rijtuig naar het Centraal Station, zoo heette toen nog het latere station Hattemerbroek. Het was voor Jan en mij een feest dat wij dan, voordat we moesten opstaan, nog een poosje in Vaders groote veeren bed met de wit-katoenen hemel en de beddenkwast mochten liggen of spelen…
Mijn overgrootvader had ook enkele leerlingen die het huis aan de Dijk bezochten. Veelal hadden ze een kamer of atelier in Hattem gehuurd. Een van hen was Jo Koster die het leuk vond om met de kinderen te spelen. Anna moest af en toe op de rem gaan staan, omdat ze de kinderen te druk maakte naar haar zin. Zij bracht veel gezelligheid in huis, vond Tijs.
…Zij was goedhartig en vroolijk en wij vonden haar een gezellig bezoek. In deze tijd was Moeder een tijdlang nog ziek – er had een ontijdige bevalling plaats gehad, ik denk dat het 1898 was. De stemming in huis was wat gedrukt – de dokter kwam over de vloer en zelfs is de bekende verloskundige Van der Wistel uit Amsterdam gekomen om Moeder te helpen. Als Jo Koster dan kwam, bracht die er weer een beetje vroolijkheid in…
Het deed mijn grootvader plezier dat in deze periode zijn oude vriend Bas Tholen weer regelmatig in Hattem opdook. Hij had een plezierjacht waarmee hij samen met zijn vrouw af en toe in zijn geboorteplaats verbleef. De kinderen noemden ze oom Tholen en tante Coba. Het was een uitje als ze mee mochten naar het plezierjacht en dan op zuurtjes of ander snoep werden getrakteerd. Willem, het broertje van Jan en Tijs, was naar oom Tholen, die zelf geen kinderen had, vernoemd. Voluit heette hij Willem Bastiaan Tholen.
Kunstvrienden van mijn overgrootvader waren ook welkom, vooral Frederik van Eeden De kinderen verheugden zich erop als hij langs kwam. Hij las ze voor uit het boek ‘Grassprietjes’ van Cornelis Paradijs. Dan lagen de kinderen onder de tafel van het lachen. Later kwamen ze er achter dat Frederik van Eeden deze verhalen zelf had geschreven.
‘Grassprietjes’ is een bundel gedichten waarin Van Eeden de spot drijft met de vrome en zoetsappige gedichten uit die tijd. Een voorbeeld daarvan is het lange Predikanten-lied door Hetty het ‘Dominee’s-Lied’ genoemd.
…Toen spitsten de toehoorders de oren. Dominees waren de dankbare mikpunten van de kunstenaarsspot en geen enkele Zeer Eerwaarde Heer werd overgeslagen in het schone lied…
Frederik van Eeden had veel gevoel voor humor. Ook mijn overgrootvader was daarvan wel eens het slachtoffer. Hij nam Frederik een keer mee naar zijn atelier om hem zijn ‘Grote luchten schilderij’ te laten zien. Van Eeden bleef een tijdje voor het doek staan kijken, deed een paar passen achteruit en zei toen op ernstige toon: Zou je daar bij die grote wolk niet eens een klein engeltje om de hoek kunnen laten kijken?.
Voerman sr. kon de humor van zijn vriend wel waarderen. Hij antwoordde op dezelfde ernstige toon: Nou je het zegt, daar zal ik de volgende keer eens aan denken.
In zijn dagboek schreef Frederik van Eeden vol warmte en interesse over zijn bezoeken aan Hattem. Dit dagboek bestaat in totaal uit 9 delen waarvan 4 delen tijdens zijn leven zijn uitgegeven. De overige delen zijn postuum verschenen. Een fragment uit het zevende deel:
…Den volgenden dag naar Hattem, als gast van den heer v. H., die getrouwd is met een dochter van B, een jonge man met fijn, goedhartig uiterlijk. Bevriend met Voerman, om wien ik voornamelijk naar Hattem ging. Voerman liep door de besneeuwde weiden, in zijn cape, hij had dat land pas gekocht. Hij is een boerezoon, en houdt nog koeien en heeft een vrij groote boerderij.
Hij is een korte, stevige man, met lichte ogen en een blonde kinbaard. Hij spreekt in den trant van de echte artiesten, rustig, eenvoudig en raak. Kijkt je dan recht aan over zijn bril. De vrouw vol geestdrift voor het werk van haar man. En daarbij met fijner cultuur dan hij. De man een rusteloos, forsch werker. Voerman was in geen vier jaar één dag uit Hattem weg geweest. ‘Er mocht dan eens juist een mooie lucht boven de IJssel zijn,’ zei hij. We zagen een stuk of tien mooie doeken, met heerlijk uitgewerkte wolkexpressie. Heele wolk-choralen. De dier-figuren meestal wat te klein, en ook de stadsgezichten en scheepjes te peuterig, te veel miniatuur. Maar alles prachtig, zuiver werk. Twee uren vlogen om. Het oude kleine stadje aan de rivier was mooi in de sneeuw. We deden nog een ritje door ’t wijde land met de lage heuvels, bezochten een schilderes, juffrouw K., in een smaakvol klein huisje…
Dit zijn fragmenten uit het boek “Gevangen in een paradijs”, over kunstschilders vader en zoon Jan Voerman en hun banden met Verkade. Het boek is gebaseerd op stukken uit het familiearchief en is geschreven door Kees Opmeer. Het boek is hier te koop en ook bij het Voerman Stadsmuseum Hattem.
Voor veel gefortuneerde Amsterdammers was de Vechtstreek populair: het was dicht bij Amsterdam en bood veel rust, ruimte en frisse lucht. Ook was het gebied interessant omdat ondernemers en kooplui er geld konden verdienen. Boerderijen met veel land en baksteen- en dakpanfabriekjes vormden een goede investering. De aanleg van een jaagpad in 1628 en het afsnijden van een paar Vechtbochten maakte de reis korter en aantrekkelijker: In 4 uur kon men vanuit de stad bij de buitenplaats zijn. De reis ging van de Amstel via binnenwateren als de Holendrecht en de Angstel naar de Nieuwe Wetering. Hier, bij Nieuwersluis, kwam men op de Vecht.
Twee keer per jaar vond een grote verhuizing plaats, want veel meubels, linnengoed, servies en schilderijen werden in mei van uit het grachtenpand meegenomen naar de buitenplaats, en in de herfst weer terug.
De buitenplaatsen zorgden er met hun nutstuinen, karpervijvers en boomgaarden voor dat de eigenaren in de stad het hele jaar gezond voedsel hadden.
De zakenfamilies Verkade en Rahder hebben beide tijdelijk in een buitenplaats in de Vechtstreek gewoond. Ericus Verkade 1835-1907) oprichter van de Verkade fabrieken ging er in 1881 wonen omdat zijn vrouw Eduarda Verkade – Koning zo verlangde naar een huis in de natuur. Ze was geboren op de Burcht te Wedde en voelde zich niet thuis in Amsterdam. Ericus huurde derhalve de buitenplaats Klein Boom & Bosch bij Breukelen. Er is later door Wenckenbach ook nog een Verkadeplaatje gemaakt van dit buiten voor het album de Vecht. In 1883 vertrok het gezin alweer naar de Zaanstreek alwaar ook de Verkadefabrieken stonden.
Verkadeplaatje van Huize Boom en Bosch
J.C. (Coen) Rahder (1812-1872) was wijnkoper te Amsterdam. Met zijn familie woonde hij daar aan de Buitenkant in een groot pakhuis. Ook de echtgenoot van Coen, Willemina Petronella Cornelia Van Voorthuijsen wilde niet meer in de stad wonen vanwege de stank in de grachten en de vele ziektes. Coen kocht in 1843 de buitenplaats Valck en Heining aan de Angstel. Tegenover dit buiten woonden aan de noordzijde op ‘Geinwensch’ zijn schoonouders reder Jan van Voorthuijsen en jonkvrouw Anna Maria de Villeneuve
Drie kinderen werden er geboren. In 1849 vertrok het gezin alweer omdat Coen veengebieden had aangekocht in Drenthe, ten oosten van Hoogeveen. Na een kort verblijf bij Dedemsvaart liet Coen een huis bouwen dat hij ‘Nieuweroord’ liet noemen. Coen kreeg echter ruzie met zijn zakenpartner Andries de Wilde en moest uit Nieuweroord vetrekken. Hij liet in 1860 bij Noordscheschut een nieuw huis bouwen. Hij noemde dat Valkenheim ter herinnering aan het buiten Valck en Heining.
In 1929 liet Mevrouw H.J.C. Verkade – Van Gelder (1870-1950) de familieherinneringen van de grootouders van haar man Ericus Verkade jr. (1868-1927) optekenen. De moeder van haar man, Eduarda Thalia, stamde uit het notarissen geslacht Koning die woonden op de Borg in Wedde. Later trouwde ze met de ondernemer Ericus Sr. Verkade (1835-1907) die de stoomfabriek voor brood- beschuit de Ruyter zou beginnen. Later groeide het bedrijf in Zaandam uit tot de Verkade fabrieken.
In het familie gedenkboek staan herinneringen van Mevrouw Koning en een aantal brieven die bewaard zijn gebleven. Het zijn vooral verhalen uit dec familie maar soms geeft het ook een inkijkje in de landelijke geschiedenis. Zo blijkt voorvader Paulus Eckringa als vaandrig in het gevolg van Stadhouder Jan Willem Friso van Nassau – Dietz verbleef toen die in 1711 bij de Moerdijk verdronk.
En dan het verhaal dat op 1 november 1755 de familie Lanckhorst aanwezig was op het kasteel te Coevorden (toen nog bestaande uit een paar officierswoningen) toen men een aardbeving voelde die het water deed golven. Het bleek om de zware aardbeving te gaan die geheel Lissabon verwoeste en zo zwaar was dat die kennelijk tot in Coevorden was te voelen.
Ook zijn er talloze anekdotes over de Kozakken die na de Franse tijd, en de mislukte veldtocht van Napoleon in Rusland, Nederland binnenvielen om de Fransen te verjagen. De Kozakken, onder aanvoering van Baron Rosin, maakten veel indruk en hadden het vooral voorzien op gezanten van de Fransen. In Winschoten probeerden de oude prefect en de oude sous-prefect Dhr. Alberda en Modderman contact te maken met de Kozakken om ze gunstig te stemmen. Ze gingen met paard en wagen de Kozakken tegemoet bij de Duitse grens. Enekele Kozakken sprongen op de bok en spoorden de paarden aan zodat de heren werden teruggejaagd tot Winschoten. Sommige Kozakken bleven in de regio achter en stichten er een gezin.
Het verhaal van notaris Johannes Sixtus Koning die meevocht in het leger van Koning Willen I tegen de zich afscheidende Belgen heb ik hier al verteld.
Een zeer bijzonder familieboek dus met verhalen die inmiddels meer dan 300 jaar oud zijn. Eduarda Thalia Koning kreeg met Eicus Verkade een dochter die Anna Verkade heette. Zij trouwde met de IJsselschilder Jan Voerman Sr. mijn overgrootvader.
De geschiedenis van de familie Koning staat ook beschreven in het boek “Gevangen in een Paradijs”, over vader en zoon Voerman, kunstschilders. Het boek is geschreven door Kees Opmeer en is hier te koop.
De Borg in Wedde schilderij van Mr. Arnold Koning.
Thalia Koning (1841-1917) geboren op de Borg en later gehuwd met Ericus Verkade