Met Oude Jan Rahder (1834-1889) als directeur ging het met de firma Rahder in de jaren tachtig en negentig van de negentiend eeuw nog steeds voor de wind. Hun werknemers werden goed behandeld en ze deelden in de winst. Ook war er een schooltje gebouwd voor de kinderen. Maar dat was uitzondering. In andere delen van Drenthe en daarbuiten nam de onvrede onder de arbeiders toe, nu de productie bij veel andere veenderijen gestaag aan het afnemen was. De turfwinning bood werk voor een beperkte periode, van maart tot oktober, met werkweken van zes dagen, van zonsopgang tot laat in de avond. In de winterperiode moesten de veenarbeiders maar zien hoe ze aan hun geld kwamen. Vaak waren ze gedwongen geld van hun veenbazen te lenen of spullen op de pof te kopen. In het voorjaar zaten veel gezinnen daardoor diep in de schulden. Het zag ernaar uit dat de gouden dagen van de turfwinning voorbij waren.
Hele gezinnen waren genoodzaakt mee te werken. De mannen staken de turf uit het veen. De vrouwen keerden de turven en laadden ze in lange rijen op de schepen. Kinderen moesten ook hun steentje bijdragen. Ze reden de kruiwagens af en aan met turf. Het werk was zo zwaar en de dagen zo lang dat veel kinderen tijdens het werk in slaap vielen.
In het boek ‘Deining in Drenthe, een studie in acculturatie’ van H.J. Prakke lezen we meer over de soms schrijnende omstandigheden.
Menig arbeider erkent dat zijn kind, wegens vermoeidheid door den arbeid van den vorigen dag, des ochtends bijna niet wakker te krijgen is, nauwelijks zijn pannekoek kan eten of geen eetlust heeft; naar het werk gaand, dommelend achter hem aan sukkelt en onder het gebruik van de eerste koffie op het veld al weer in slaap valt. Enkele malen liet een vader het jongetje dan ook nog wel een paar uren te bed liggen, zoo dat hij wat later op het werk kwam. Een enkele sterke jongen wordt door den vader geoordeeld het werk nog al te kunnen doorstaan omdat hij het eten er nog al bij aanhoudt, “zijn maag is goed; maar hij komt slaap te kort”. Andere jongens vermageren zichtbaar in den graaftijd, of loopen wel eens kreupel van het kruiwerk.
De allerkleinsten werden in veel gevallen, bij gebrek aan oppas, in een kruiwagen naar het veen meegenomen, afgedekt tegen de ochtendkou met een schort of jute zak. Ze kropen een groot deel van de dag om hun zwoegende moeder heen die nauwelijks tijd had om zich om haar kind te bekommeren. Het was niet verwonderlijk dat veel kinderen ziek werden in dat open landschap op de koude en modderige grond. Voor de oudere kinderen gold dat in het turfseizoen van schoolgaan niet veel terecht kwam.
De woningen waren armoedig, vaak niet meer dan keten of plaggenhutten. Het bouwmateriaal bestond uit wat sparrenhout, turfbonken en heideplaggen dat in de omgeving bijeen was geraapt. Vloeren ontbraken en als er al een schoorsteen was, bestond deze uit een eenvoudige pijp die door het dak was gestoken. De slaapgelegenheid was ronduit ellendig, vaak niet meer dan één of twee ruwe bedsteden waarin het hele gezin de nacht moest doorbrengen.
Het was in deze tijd dat Vincent van Gogh in het gebied op bezoek was. In 1883 heeft hij drie maanden in Drenthe rondgezworven. Toen hij op 11 september aankwam vond hij onderdak in het logement van Albertus Hartsuiker in de Pesserstraat 24 in Hoogeveen. Hij heeft daar drie weken gelogeerd en is daarna verder getrokken naar Nieuw-Amsterdam. In een brief aan zijn broer Theo schreef hij: Ik zit nu in de grote gelagkamer waar een vrouw aardappelen zit te schillen. Een dezer dagen wil ik met de schuit de gehele Hoogeveensche Vaart afvaren.
In een brief van 14 september aan zijn broer schreef hij vanuit het logement in Hoogeveen over de hutten die van ‘plaggen en stokken’ waren gemaakt Op zijn rondzwervingen in de omgeving kwam hij de hutten tegen. Sommige had hij van binnen bekeken. Hij besloot een van de hutten te schilderen en installeerde zich met zijn spullen op korte afstand van het armzalige onderkomen.
Terwijl ik die hut zat te schilderen, kwamen er twee schapen en een geit, die op het dak van dit woonhuis begonnen te grazen. De geit klom op den nok en keek de schoorsteen in. De vrouw, die iets op het dak hoorde, schoot naar buiten en slingerde haar bezem naar de geit voornoemd, welke als een gems naar beneden sprong. De beide gehuchten op de heide waar ik ben geweest en dit incident plaats had, heeten Stuufzand en Zwartschaap.
In dezelfde brief lezen we welke indruk de omgeving op Vincent maakte.
Om u een der vele dingen welke op mijn ontdekkingstogten mij iets nieuws te zien en te voelen gaven, te noemen, zal ik U vertellen hoe men hier b.v. schuiten ziet door mannen, vrouwen, kinderen, witte of zwarte paarden getrokken, met turf geladen, midden in de hei…
…De heide is rijk. Ik zag schaapskooien en herders die mooier waren dan de Brabantse…
… Er zijn in ’t dorp 4 of 5 vaarten, naar Meppel, naar Dedemsvaart, naar Coevorden, naar Hollandscheveld. Gaat men die af, ziet men hier en daar een curieusen ouden molen, boerderij, scheepstimmerwerf of sluis, en altijd bedrijvigheid van turfschuiten…
Uit het rapport van de door de rijksoverheid ingestelde Staatscommissie van Arbeidsenquête, die de armoedige omstandigheden van de veenarbeiders en de onrust in die jaren onderzocht, kwam ook het misbruik van sterke drank naar voren.
Eene zeer algemeene usance, ook in deze veenstreken, is het schenken van borrels door een schipper bij het inkruien en laden der turf in de schepen, wat – daar dit het werk grootendeels van vrouwen, ook reeds van jonge meisjes is – er bij de beide geslachten den jenevertrek al zeer jong inbrengt. “Zij leeren het gebruik als met den paplepel”. Mannen, vrouwen en meisjes gaan bij de slokjes gelijk op, bij een klein vaartuig 2, bij een grooter 4, 5 en 6 borrels per dag, die trouwens vrij lang is, van zonsopgang- tot ondergang.
Dit is een fragment uit het boek “Hoe de Rahders Drenthe veranderen” van schrijver Kees Opmeer. Het boek is hier te bestellen.

De Turfschuit door Vincent van Gogh. Nieuw Amsterdam 1883. Collectie Drents Museum




















