Vandaag zou mijn vader, Ubbo Johan Voerman (1926-1996), 100 jaar zijn geworden

Jeugd in Blaricum

Mijn vader, Ubbo Johan Voerman, zou op 27 oktober 2026 honderd jaar zijn geworden. Hij werd echter nog geen zeventig jaar oud, en ik mis hem inmiddels al ruim dertig jaar. Een goed moment om iets over mijn vader te vertellen.

Ubbo werd vijf minuten na zijn broer Jan geboren. Hun vader was Jan Voerman jr., de bekende schilder van de Verkadeplaatjes. Hun moeder, Hetty, was afkomstig uit de familie Mansholt, idealistische boeren uit de Westpolder in Groningen. Jan en Hetty hadden geen tweeling verwacht, dus Ubbo’s geboorte was een verrassing. De broers groeiden op met hun oudere zus Pia. Vijf jaar later werd zus Anneke geboren. In datzelfde jaar stierf Pia aan de complicaties van een blindedarmontsteking. Haar overlijden drukte een grote stempel op het jonge gezin. Vader Jan trok zich terug in zijn schildersatelier en moeder Hetty moest alle zeilen bijzetten om de tweeling in toom te houden.

Toen de oorlog uitbrak, was de tweeling veertien jaar. Het was een lastige periode, met veel oorlogsdreiging en later ook voedselschaarste. Jan en Ubbo hadden een schuilhut in het bos gemaakt en fietsten grote afstanden om eten bij bevriende boeren te halen. De tweeling deed bijna alles samen, maar er was ook vaak ruzie en strijd. Vlak na de bevrijding kreeg Ubbo polio. Hij was erg ziek, maar herstelde. Tijdens zijn herstel nam hij zich voor kinderarts te worden.

Na de oorlog kozen Jan en Ubbo hun eigen pad. Jan wilde ingenieur worden en trok, net als ooit oom Willem, naar Delft. Ubbo koos voor een studie geneeskunde in het ‘verre’ Groningen. Die eerste studiejaren waren lastig. Ubbo werd lid van het studentencorps Vindicat, maar dat paste niet bij hem. Hij was veel te eigenzinnig om zomaar te doen wat ouderejaars hem opdroegen. De uitgebreide drinkgelagen boeiden hem al gauw niet meer. Hij woonde op een kleine kamer bij een hospita in Noorderhogebrug.

De studie bleek een stuk lastiger dan gedacht. Ook daar waren veel hoogleraren die precies vertelden hoe het moest. Bovendien voelde hij nog steeds de blik van moeder Hetty in zijn rug. Iedere maand kwam er een wasmand met schone kleren van Blaricum naar Groningen, en iedere maand stuurde Ubbo de vuile was terug. Bij de manden zaten brieven vol goedbedoelde adviezen en preken. Het was niet de vrijheid die Ubbo zocht.

Kandidaatsexamen arts

Tijdens zijn kandidaatsexamen klapte Ubbo dicht. Hij wist niets meer van de stof. Prof. dr. De Haan vroeg hem vrij direct of de studie geneeskunde wel iets voor hem was. De Haan geloofde niet in een psychische blokkade, maar vond dat Ubbo er niet genoeg aan deed.

En nu zat hij bij oom Ubbo en tante Martha in de kamer om zijn toekomst te overdenken. Ubbo wilde graag iets doen, stage lopen en het vak leren kennen. Zou dat in Amsterdam beter lukken? De theorie in Groningen was taai en hij kon zich nog geen voorstelling maken van het vak. Of zou hij een jaar pauze nemen en op vakantie gaan?

Zijn oom en arts Ubbo Mansholt vertelde hem helder dat medische stages alleen mogelijk waren met een basisdiploma of klinische ervaring. Hij adviseerde zijn neef om door te zetten en met zijn leraren in gesprek te gaan. Ook hij was tijdens zijn studie ooit gezakt, wat hem een jaar had gekost. ‘Wat is nu een jaar tijd in een mensenleven?’

Dan ontmoet Ubbo bij de Vrijzinnige Christelijke Studenten Bond (V.C.S.B.) een leuk en levenslustig meisje. Jenneke Rahder heet ze en ze studeert geschiedenis in de stad. Ubbo heeft opeens geen plannen meer om naar Amsterdam te gaan of een jaar te gaan reizen. ‘Amsterdam was maar een verzuchting om alles te ontvluchten’, schrijft hij aan zijn ouders.

Ondanks zijn herwonnen optimisme zakt Ubbo nog twee keer voor zijn kandidaatsexamen en verliest hij twee jaar van zijn studie. Jenneke is dan al klaar met haar studie en verdient haar eerste inkomen. Als Ubbo eindelijk zijn kandidaats haalt, kiest hij niet voor de zware specialisatie kindergeneeskunde, maar voor de nieuwe richting kinderrevalidatie. Het blijkt een goede keuze.

Hij solliciteert in Amsterdam bij Van Swol en in Groningen bij Bom. In 1957, tien jaar na de start van zijn studie, wordt Ubbo arts-assistent. Hij krijgt van Bom de opdracht om de leiding over te nemen van het Physico-Therapeutisch Instituut, met tien bedden, dat gevestigd is boven het badhuis aan de Turfsingel. Eindelijk kan hij in de praktijk laten zien wat hij kan.

Na een schilderachtig studentenhuwelijk in 1955 wordt in 1957 Jan Jaap geboren. Hij blijkt een ongeneeslijke ziekte te hebben die we nu vlinderziekte noemen. Het kleine kindje heeft veel pijn en sterft zes maanden later. Ubbo en Jenny zijn ontroostbaar.

Twee jaar later volgt opnieuw een zwangerschap. Iedereen is gespannen, maar Peter komt op 1 januari 1959 gezond ter wereld. Een vriend van de familie, kinderarts professor Jonxis, komt langs. Gekleed als een zeventiende-eeuwse chirurgijn in jacquet is hij op weg naar een nieuwjaarsreceptie. Hij grist de kleine Peter uit zijn wieg, voelt overal en verklaart na twee minuten: ‘Alles prima, hij is zo gaaf als maar mogelijk is.’ Hij trekt zijn handschoenen weer aan en vertrekt.

Het grote huis in het bos

Ubbo doet het goed als arts-assistent. Hij rondt zijn opleiding af en wordt in 1961 een van de eerste kinderrevalidatieartsen in Nederland. Zijn mentor, dokter Bom, heeft een mooie uitdaging voor de jonge arts. In de bossen bij Beetsterzwaag is het oude landhuis Lyndensteijn van de familie Van Lynden omgebouwd tot een kinderrevalidatiecentrum: de Cornelia Stichting. Oorspronkelijk was het een sanatorium voor kinderen met tbc. Er verblijven veel kinderen die door de polio-epidemieën zijn getroffen. Bom heeft er samen met hoofdzuster Vormeer de leiding. Ubbo wordt zijn assistent.

Bom laat een ambtswoning bouwen in de ‘Overtuin’, die bij het landgoed Lyndensteijn hoort. Het is een prachtige Engelse landschapstuin, aangelegd door tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard. Vlak voor de verhuizing trekt professor Bom zich terug in zijn Groningse bastion en krijgt Ubbo de leiding in Beetsterzwaag. Ubbo en Jenneke verhuizen met hun inmiddels twee kinderen naar Beetsterzwaag en trekken in het grote huis in het bos. Er zijn nauwelijks meubels om alle kamers te vullen.

Lyndensteijn groeit snel uit tot een kindercentrum met een goede naam. Een van de eerste dingen die Ubbo regelt, is een school op het terrein, zodat de kinderen een zinvolle dagbesteding hebben en aan hun toekomst kunnen werken. Hij gelooft in een zo kort mogelijke behandeling, waarna de patiëntjes zo snel mogelijk terug moeten naar hun eigen omgeving.

Begin 1979 reist hij, mede op verzoek van koningin Juliana, naar Paramaribo om daar de revalidatiezorg te versterken. Het is een reis die Ubbo veel energie geeft. Zijn bevlogenheid en werklust zorgen ervoor dat hij steeds later thuiskomt. En als hij thuis is, valt hij in zijn stoel in zijn werkkamer in slaap. Net zoals zijn vader en opa Jan zich vroeger terugtrokken in hun atelier.

Mijn herinneringen

Als ik terugdenk aan de leuke dingen met mijn vader, komt er steeds weer een andere herinnering boven.

Hij bracht me een bank die over was na een verbouwing op Lyndensteijn. Hij bracht hem naar de gekraakte ‘kazerne’ in Leeuwarden, waar ik toen woonde. Mijn moeder vond het daar maar niets en kwam niet op bezoek, maar mijn vader wilde wel eens een kijkje nemen. Hij keek bezorgd naar de grotendeels lege kamers, maar had vertrouwen in mijn keuze.

Toen ik had leren zeefdrukken in het jongerencentrum Hippo in Leeuwarden, riep ik enthousiast dat die aquarel van Voerman sr. net zo mooi was als een zeefdruk. Mijn vader glimlachte en gaf me later het schilderij ‘De witte wolk’ cadeau.

Dan waren er zijn eindeloze citaten uit de Dreigroschenoper of Woutertje Pieterse, en de gekke gedichtjes van John ‘O Mill. De spreuk: ‘Het leven is een pijp kaneel, men likt eraan en krijgt zijn deel.’ En Ubbo was verzot op de film “Les enfants du paradis”.

Mijn vader kon met veel passie vertellen over films en boeken die indruk op hem hadden gemaakt. Ik denk dat hij na die treurige en sobere oorlogsjaren een sprookje nodig had. Misschien deed de titel van de film hem denken aan zijn beschermde jeugd in het grote huis met de grote tuin in Blaricum.

Net als zijn vader had doorgebracht, was ook zijn jeugd omgeven door huizen en diepe tuinen, in zijn geval aan de Gelderse Dijk in Hattem. Tuinen vol overvloed, met beesten, bomen en struiken vol fruit, en alle ruimte om te spelen. Een paradijs. Les enfants du paradis. Kinderen van het paradijs.

Het was een paradijs met een omringende muur. Die muren hielden vriendjes buiten. Er waren alleen broers en zussen en kindermeisjes. Zowel Ubbo als Jan jr. hadden vaders die zich nauwelijks met de opvoeding bemoeiden. Mannen die veel tijd voor zichzelf nodig hadden en weinig aandacht hadden voor hun nakomelingen.

Een familietraditie die mijn vader steeds in ere hield, was de Sinterklaasviering met surprises en gedichten. Hij knutselde er dan op los. Zo maakte hij ooit een groot spinnenweb met een spin en een prachtig gedicht in de stijl van ‘De spin Sebastiaan, het is niet goed met hem gegaan’. Er waren schatkaarten waarmee je door het hele huis moest, op zoek naar het cadeau. En natuurlijk waren veel gedichten doorspekt met typische ‘Ubbo-woorden’. Het gedicht ‘Tiebel tiebel tol, je maakt de mensen dol’, dat mijn vader ooit zelf kreeg, kon één op één door naar mijn broer.

Mijn vader leek al zijn energie als opvoeder op te sparen voor die ene avond in december. In de weken voorafgaand aan Sinterklaas was de garage tijdelijk verboden gebied. Mijn vader had zijn gereedschappen keurig aan de muur opgehangen. Elk stuk gereedschap was omcirkeld, zodat direct zichtbaar was als er iets ontbrak. De meeste gereedschappen kwamen nog uit Blaricum, of zelfs uit Hattem. Spijkers en schroeven zaten keurig geordend in grote sigarenblikken van Willem II. De garage was voor even de kraamkamer van onze Sinterklaas.

Mijn vader was, naar mijn idee, soms iets te vrijzinnig en egoïstisch. Na vijftien jaar huwelijk werd hij verliefd op Marjolein. Zijn motto was: ‘Liefde is geen koek die je moet verdelen. Er is genoeg voor iedereen.’ Jenny was erg boos en verdrietig, maar ze bleven bij elkaar.

De latere jaren

Vlak nadat mijn vader in 1987 met pensioen ging, kreeg hij de ziekte van Parkinson. Hij vergat steeds meer en werd angstig. Woest timmerde hij nog met zijn laatste krachten schilderijen op een mooie antiek kast. Zijn handschrift werd onleesbaar. Hij kon nauwelijks meer voor lange tijd lekker rustig zitten of liggen. Zijn spieren spanden zich aan op elk denkbaar moment. Af en toe waren er  zelfs hallucinaties. Medicijnen hielpen maar kortstondig. Mijn moeder kon hem bijna niet meer alleen laten. Gelukkig was Marjolein er nog die in het voorhuis woonde. Mijn moeder kon dan een dag oppassen op de kleinkinderen. En de hulp kon hem af en toe ook even helpen. Op een dag was het mijn beurt. Mijn moeder had me dringend verzocht een avond op te passen. Ze moest naar een bijeenkomst en Marjolein was er niet. Mijn vader wilde me spreken over de Voerman erfstukken en ik moest papier en pen meenemen. Toen ik hem zag in zijn stoel in dat donkere hoekje van de kamer schrok ik. De volle ernst van zijn ziekte was nog niet volledig tot me doordringen. Als we naar het ouderlijk trokken was het altijd met de kinderen en was er vooral plezier en drukte. Mijn moeder zorgde voor mijn vader en na een poosje vertrokken we weer naar ons eigen drukke leventje. Maar nu zat ik ruim drie uur naast hem, dekentje af, dekentje op. Ik kon hem soms nauwelijks meer verstaan maar hij had me wat belangrijks te vertellen. Hij wilde me uitleggen hoe we als zijn kinderen konden omgaan met al die Voerman schilderijen van zijn opa en vader. Voor het eerst besefte ik dat mijn vader met zijn dood en zijn eigen nalatenschap bezig was. Ik kon me niet voorstellen dat hij er niet meer zou zijn. In zijn goede tijd had hij me al als opvolger benoemd als bestuurslid in de Stichting Jan Voerman die het werk van vader en zoon in het Voerman museum te Hattem beheerde. Mijn vader werd al snel moe. Aarzelend spraken we nog wat over mijn werk en zijn kleinkinderen en ik liet de kans liggen om hem zelf te laten vertellen. Daar heb ik spijt van. Het praten over gevoelens met mijn vader was me nooit zo goed afgegaan. Ik leek op mijn moeder en kon bij haar alles kwijt. Er zou geen nieuw gesprek volgen. Ubbo stierf vlak na die avond, in maart 1996, aan het einde van een koude, lange winter. Mijn moeder stierf daarna, op de dag van zijn begrafenis. Ze waren zeer met elkaar verbonden, ondanks de crises die ze ook hadden doorgemaakt.

We hielden een gezamenlijke dienst voor Ubbo en Jennie. De nieuwe directeur van Lyndensteijn, Greet Meihuizen, sprak oprecht over Ubbo: ‘Ubbo had een uitgesproken visie op zijn vak. Hij zag patiëntjes allereerst als kinderen. Ze moesten zo kort mogelijk worden opgenomen en het liefst snel weer thuis zijn, met dagbehandeling. Ubbo was onstuimig, gedreven en soms onstuitbaar. Hij was veeleisend voor anderen en voor zichzelf. Hij kon soms behoorlijk onbenaderbaar zijn en autoritair lijken. Het knappe van Ubbo was dat hij zijn hoofd kon buigen om fouten toe te geven. Wat opviel, was dat hij snel sprak en nog sneller dacht. Hij was anderen vaak een paar gedachtesprongen vooruit.’

Ubbo wilde in Vierhuizen, liggend in de Westpolder, worden begraven, bij zijn Mansholt-voorouders. We gaan er nog regelmatig langs als we op weg zijn naar de boot naar Schiermonnikoog.

Dank, papa Ubbo, voor alles wat je voor me hebt gedaan.

Peter

Helpen bij de bouw van het Schapenhok, Oldeberkoop 1994

Een jonge arts in Lyndensteyn, Beetsterzwaag (1966)

Kleine tentoonstelling en recensie boek over de Verkadeplaatjes

Kleine tentoonstelling in boekhandel Daan Nijman te Roden:

Vanaf 12 oktober 2026 is er, in boekhandel Daan Nijman te Roden, een kleine expositie te zien van een aantal originele studies in aquarel, die Jan Voerman jr voor de Verkadealbums schilderde. Ook is te zien hoe hij de Verkadeplaatjes in de periode 1905 – 1940 heeft gemaakt.

Aanleiding is de boekuitgave ‘Mijn gedroomde Nederland – Jan Voerman jr. en de Verkadeplaatjes’, waarin het iconische erfgoed van de Verkadealbums opnieuw tot leven wordt gebrach

Recensie “Mijn Gedroomde Nederland” in het blad Geografie:

Leren kijken: de eerste zakelijke opdrachten van Jan Voerman jr.

Mijn opa Jan Voerman jr. (1890-1976) kreeg als een van zijn eerste zakelijke opdrachten de taak om insecten te tekenen. Het ging niet zomaar om illustraties: de tekeningen werden gebruikt voor platen die mensen moesten waarschuwen voor insecten en de ziekten die ze konden overbrengen.

Oefenen tot in detail

Om de insecten zo waarheidsgetrouw mogelijk af te beelden, moest mijn opa veel oefenen. Hij bestudeerde hun vormen en bouw, de poten, vleugels en andere lichaamsdelen. Elk detail moest kloppen.

De schetsen laten zien hoe hij zich deze bijzondere tekenopdracht eigen maakte. Het zijn niet alleen voorbereidende tekeningen, maar ook een kijkje in het leerproces van een jonge kunstenaar die zijn waarnemingsvermogen en tekentechniek verder ontwikkelde.

Van schets naar natuurgetrouwe afbeelding

De verschillende studies laten zien dat nauwkeurig observeren en herhaaldelijk oefenen onmisbaar waren. Juist in deze vroege opdrachten zien we hoe belangrijk aandacht voor detail was in het werk van Jan Voerman jr. Hij moest de tekeningen vaak opnieuw maken, tot hij er gefrustreerd van raakte.

In het familiearchief zijn zulke tekeningen waardevolle getuigen van zijn ontwikkeling als kunstenaar. Ze vertellen een minder bekend verhaal over mijn opa: niet alleen de illustrator van de bekende Verkadealbums, maar ook de jonge tekenaar die leerde om de natuur tot in de kleinste details vast te leggen.

Luis

Dit is een fragment uit het boek “Mijn Gedroomde Nederland, Jan Voerman jr. en de Verkadealbums”. Het boek is hier te koop.

Logeren bij opa en oma Rahder in Nieuw Amsterdam

De belangrijkste herinneringen aan mijn opa Jaap, Jacob Rahder, heb ik aan de periode dat ik bij hem woonde.  Toen kwam ik voor het eerst in aanraking met de activiteiten van de familie Rahder als verveners. Het was in het voorjaar van 1963 dat mijn broertje Jacob Jan, net 3 maanden oud, en ik, een jochie van vier naar zijn huis De Tippe in Nieuw-Amsterdam verhuisden, naar later bleek voor een periode van een half jaar. Het ruime, vrijstaande huis is gelegen aan de Vaart NZ 20, langs de Verlengde Hoogeveensche Vaart en vlakbij het spoor.

Mijn moeder was in het academisch ziekenhuis in Groningen opgenomen. Na de bevalling van Jacob Jan in januari 1962 werd ze moe, doodmoe. Mijn vader Ubbo begreep als arts-assistent al snel dat het niet de gewone vermoeidheid van een kraamvrouw kon zijn. Het bleek om een zware bloedvergiftiging te gaan. Ze was gedwongen veel penicilline te slikken, zoveel dat ze er na enige tijd allergisch voor werd. Alleen rust kon haar er weer bovenop helpen. Dit betekende dat ze tot haar spijt niet voor haar kinderen kon zorgen. Mijn vader was niet in staat deze rol over te nemen; niet alleen door zijn drukke baan met zijn coschappen. Hij was er ook de man niet naar.

Ze heeft drie maanden in het ziekenhuis gelegen. Door de penicilline heeft ze een beschadiging aan haar hartklep opgelopen, een hart dat toch al niet sterk was. Ze mocht ook geen kinderen meer krijgen. Het was een boodschap die hard aankwam. Mijn ouders waren dol op kinderen. Achteraf begreep ik goed waarom ze later pleegkinderen een thuis wilden geven.

Ik vond het heerlijk om een tijdje bij mijn opa en oma te mogen wonen. Ik ben geboren in de Wielewaalflat in Groningen, een begrip in de stad. Gebouwd in 1957 en modern door de combinatie van verschillende functies, gelegen aan de rand van de Oosterparkwijk. Inmiddels is het gebouw een rijksmonument. Kort daarna zijn we verhuisd naar een flat in de Illegaliteitslaan in Groningen, in een nieuwbouwwijk niet ver van het stadspark. En opeens kwam ik in Zuidoost-Drenthe terecht, in het buitengebied van Nieuw-Amsterdam. Wat een verschil met de grote stad. Vanuit het huis had ik een weids uitzicht op de omgeving. Ik vond het heerlijk om daar te mogen wonen en te genieten van mijn nieuwe vrijheid. Van heimwee had ik geen last. Daar kwam bij dat ik het eerlijk gezegd een beetje eng vond om mijn moeder in het ziekenhuis te bezoeken. Dat grote gebouw met al die gewichtige mensen in witte jassen. De steriele kamer waarin mijn moeder op bed lag. Ze zag er zo anders uit dan ik haar kende. Het hielp ook dat ik me thuis voelde bij mijn opa en oma. We werden  met open armen ontvangen. En mijn vader sliep om de andere dag bij ons, waar ik erg blij mee was, vooral in de eerste periode toen alles nog een beetje vreemd was.

Wat me vooral is bijgebleven is de geur van veen en turf als ik in het uitgestrekte en open gebied rondstruinde met de wijken, de zijkanalen in het veen, de vaart met de brug waar altijd wat te zien was en de verspreid liggende boerderijen. Nog steeds als ik die geur ruik ben ik in gedachten terug in die tijd bij mijn opa en oma.

Het was wel anders dan thuis. Oma Femmie was niet alleen zorgzaam, maar ook een vrouw van regels. Dat was ik thuis niet zo gewend. Ze wilde met ‘u’ aangesproken worden. Als ik iets wilde, was ‘alstublieft’ een veelgebruikt woord. ‘Mag ik alstublieft nog een beetje vla?’ Alles gebeurde op vaste tijden. Eigenlijk vond ik die vaste structuur wel prettig. Het gaf duidelijkheid en binnen die vaste structuren had ik vrijheid genoeg om van mijn nieuwe leven te genieten. Soms overtrad ik de regels en kreeg ik straf. Ik weet nog dat ik een keer op de gang moest staan. Dat was ik thuis niet gewend. In het huis van mijn opa en oma was een zijdeur naar kantoor waardoor ik weer kon ontsnappen. Volgens mijn moeder heb ik toen triomfantelijk geroepen: ‘Wat heerlijk dat we hier een zijdeur hebben, hè?’ Mijn opa en oma konden daar de grap wel van inzien.

Opa Jaap was een man van aanzien. Hoe jong ik ook was, merkte ik dat  hij met  respect door de veenarbeiders werd behandeld. Ik herinner me de loonzakjes die op vrijdag aan de veenarbeiders werden overhandigd. Een aantal daarvan heb ik nog in bezit. Kleine, bruine zakjes waarop het loon en de overuren werden vermeld, maar ook de bedragen die waren ingehouden, bijvoorbeeld voor belasting, pensioen en andere premies en ook voor verzuim en zelfs boetes. Voor ontvangst van hun loonzakje moesten ze een handtekening zetten. Ik zie nog voor me hoe sommigen met hun verweerde, knoestige handen een kruisje zetten. Dat vond ik een rare handtekening. Later begreep ik pas dat ze niet konden lezen of schrijven. Er was een periode dat mijn opa honderden mensen in dienst had. Na de Tweede Wereldoorlog werd dat snel minder toen de turfwinning steeds verder terugliep en steenkool en gas belangrijker werden als brandstof.

Door mijn jonge leeftijd zijn het vooral flarden van herinneringen die me zijn bijgebleven. Mijn zwerftochten door de omgeving en de ritjes in de auto van mijn opa als hij allerlei locaties in de buurt moest bezoeken. Hij reed in een Ford Taunus die in mijn geheugen reusachtig groot was. De auto had een grote voorbank waarop ik naast mijn opa mocht zitten. Deze voorbank had een gladde, leren bekleding die ik nog kan ruiken en wat mij nog steeds een gevoel van vrijheid geeft. Als een prins reed ik mee over de smalle buitenwegen door het veen van Zuid-Drenthe en langs de vaarten die voor de afvoer van de turf waren gegraven. Onderweg vertelde hij verhalen over de omgeving en over zijn familie; over zijn vader Jan, die Jonge Jan werd genoemd en over zijn opa Johan Coenraad, de stichter van de turffabriek. Maar de meeste details kan ik me helaas niet meer herinneren. Wat ik nog wel weet is die ene zomerdag toen de auto opeens in de berm tot stilstand kwam. Pas op dat moment drong tot me door dat er iets niet klopte. Ik keek opzij. Mijn opa Jaap hing met zijn hoofd achterover op de bank. Zijn witte gezicht glom van het zweet en zijn hand had hij tegen zijn borst gedrukt, terwijl hij zwaar ademde. ‘Opa, wat is er?’ vroeg ik. Hoe we uiteindelijk zijn thuisgekomen weet ik niet meer. Twee jaar later overleed hij aan een hartkwaal, vierenzestig jaar oud pas. Net als zijn vader Jan die ook niet ouder is geworden dan zesenzestig jaar en net als diens vader, Johan Coenraad die niet ouder werd dan tweeënzestig jaar. Op dat moment wist ik nog niet dat mijn moeder hetzelfde lot zou wachten.

Gelukkig ben ik niet alleen maar afhankelijk van mijn spaarzame herinneringen uit de tijd dat ik bij mijn opa Jaap logeerde. In het ziekenhuis hield mijn moeder vanaf 15 april 1963 een soort dagboek bij van haar ervaringen in het ziekenhuis en de belevenissen van haar twee jongens in het huis van haar ouders. Zij was een vrouw die het verleden niet door haar vingers wilde laten glippen. Met haar aantekeningen vulde zij mijn herinneringen aan. Ze zeggen niet alleen veel over mijn opa en oma, maar misschien nog wel meer over mijn moeder.

Opa nam Peter in de Ford Taunus mee om te kijken naar een dam die in een wijk werd gemaakt. Er was een baggermachine – zandauto’s – een zandzuiger. Peter, de bedrijvigheid en drukte eens aankijkend zei: ‘Opa wat doen we hier eigenlijk?’ Wat zeg je daarop?

Ze schreef hoe ik met opa het veen introk en over sloten en greppels sprong. De ondergrond was zacht en verend. ‘Wat loopt het hier gek, hè opa?’  Mijn moeder was bang dat ik thuis in de stad niet meer kon wennen aan de harde stoepen en straten.

Het ontroert me elke keer opnieuw als ik lees hoe blij ze was als ik op bezoek kwam.

Vandaag is Peter hier geweest. Ik wist gewoon niet wat ik zag. ’t Was zondagmorgen, half 11, heel rustig, zowel buiten als binnen, en ik lag te lezen… Opeens ging de deur heel voorzichtig open… en m’n eerste indruk was een héél rood vestje, … een héél blond hoofdje, en een héél hoog stemmetje. Ik moest knipperen met m’n ogen, en enige keren slikken… Peter… Peter zelf stamelde ook iets van ‘mammie’ en ‘heel schattige bloemetjes’. Toen klom hij boven op ’t bed, keek uit ’t raam en riep: ‘Ja hoor, nou zie ik de Martini ook!’ En daarmee was de spanning gebroken. Of na een ander bezoek: ’s Middags Peter met vader en moeder. Wat ziet dat kereltje er toch gezellig en goed uit, en wat is hij leuk en ongedwongen, helemaal niet bang.

Ik kan me ook nog herinneren dat mijn vader om de dag bij ons sliep in Nieuw-Amsterdam. Hij vertelde mijn moeder hoe dierbaar hij het vond om mijn kleine, blonde koppie naast hem in bed te zien liggen. Als hij de volgende ochtend weer vertrok, zwaaide ik hem uit vanachter het ijzeren hek van ‘De Tippe.’

Mijn moeder is vol lof over de opvoeding door haar ouders. Ze schreef: Het konden hun eigen kinderen wel zijn, zo lief zijn ze, maar ze voeden ook op.

Ze merkte ook dat ik hield van de regelmaat en de orde in het rustige Nieuw-Amsterdam. Uitspraken van mij die ze hoorde, noteerde ze meteen in haar dagboek. Voor haar een manier om dicht bij me te zijn en te laten zien hoe trots ze op me was. Bijvoorbeeld toen mijn opa vroeg: Wie is hier nu de baas? En ik meteen antwoordde: Dat is oma, als opa niet thuis is.

Toen mijn opa en oma een tijd daarna bij ons in Beetsterzwaag kwamen logeren, wist ik nog precies dat hij op twee kussens sliep, wat ik als kind erg raar vond. En ik gorgelde nog steeds met water na het tandenpoetsen, zoals ik van mijn oma had geleerd.

Later plaagde ik mijn moeder wel eens met de periode dat ik in Nieuw-Amsterdam had gelogeerd. Dan riep ik dat ik daar tenminste een gedegen opvoeding had gekregen. Maar als ik dan het gezicht van mijn moeder zag, had ik meteen weer spijt en haastte ik me te zeggen dat het een grapje was.

Haar aantekeningen laten zien hoe optimistisch ze was, blij met elk bezoek en genietend van de bloemen die ze kreeg. Haar liefde voor mijn broertje, Jacob Jan, en voor mij was in elk woord dat ze schreef terug te vinden. Op alle manieren liet ze blijken hoe dankbaar ze haar vader en moeder was dat ze zo goed voor haar jongens zorgden en op hun manier een bijdrage leverden aan onze opvoeding die zij op dat moment niet aankon. Mijn opa Jaap, de grote veenbaas uit Nieuw-Amsterdam, bleek een gevoelige en zorgzame man te zijn die alle tijd voor mij had ondanks zijn drukke bezigheden en dagelijkse zorgen, want erg goed ging het niet meer met het bedrijf.

Dit is een fragment uit het boek van Kees Opmeer “Hoe de Rahders Drenthe veranderden”. Het boek is uitgeven bij GaCreatief en is hier nog te koop.

Bij opa en oma Rahder op de canape

Sicco Mansholt (1908-1995) was onorthodox

Sicco Mansholt (neef van mij oma Hetty Voerman – Mansholt) moest vaak terugdenken aan die keer dat hij pas was benoemd tot eurocommissaris. Het was aan de vooravond van zijn eerste grote conferentie in het Italiaanse Stresa, gelegen aan het prachtige lago Maggiore. Aan de rand van het meer had hij een villa gehuurd waar hij samen met Henny een kennismakingsfeestje gaf voor zijn buitenlandse gasten; politici en medewerkers met hun partners. Op deze warme zomeravond in juli had hij ervoor gezorgd dat liefhebbers van het water konden genieten; zwemmen of een boottochtje maken. Wie dat wilde kon zich ook op waterski’s wagen. een stoere Duitse ambtenaar, gebruind en atletisch, zou wel eens laten zien wat hij waard was. een beetje indruk maken op zijn baas en vooral de vrouwelijke toeschouwers kon nooit kwaad.

Onder de aanmoedigingen van de samengedromde gasten liep hij in zijn zwembroek naar de aanlegsteiger. Met veel gevoel voor show trok hij de waterski’s aan en gaf de bestuurder van de boot een teken. Nu ging het gebeuren. Het was jammer voor hem dat het niet zo goed ging. Hij verloor al snel zijn evenwicht en tuimelde in het water. Maar goed, dat kan gebeuren. Onder nieuwe aanmoedigingen deed hij een tweede poging. Hij kwam iets verder, maar opnieuw verdween hij kopje onder. Hier en daar werd besmuikt gelachen door het deftige publiek. Maar Duitsers geven niet gauw op. Hij waagde nog een poging. Helaas. Voor de derde keer verdween hij onder water. Toen was het genoeg. Als een boer met kiespijn zwom hij terug naar de aanlegsteiger. Henny schrok zich kapot toen Sicco opeens naar voren stapte. Waarom zou hij het ook niet eens proberen? Alleen, hij had nog nooit op waterski’s gestaan. Wat haalde deze kale, bijna vijftigjarige Nederlander van 1.90 meter zich in zijn hoofd? Het was doodstil aan de waterkant toen hij in alle rust de waterski’s onderdeed. Het leek goed te gaan toen de boot snelheid maakte. Voorzichtig probeerde hij zich op te richten, maar viel toen toch opzij in het water. Sicco liet zich niet kennen voor het oog van al die Europese ministers met hun aanhang. Henk Vredeling, lid van de Nederlandse delegatie en later minister van Defensie was ooggetuige van dit optreden. Hij schreef: …De tweede keer kwam hij overeind, hield de ski’s eronder en stoof in wijde cirkels over het Lago Maggiore. De gasten applaudisseerden toen hij terugkwam. Volgens mij heeft Mansholt daar zijn gemeenschappelijke landbouwpolitiek gemaakt…

Sicco maakte indruk met zijn actie en veroverde de harten van zijn collega’s. Op onorthodoxe wijze bouwde hij veel krediet op. Einde van een politieke reus. Nu hij ouder werd, besloot hij het wat rustiger aan te gaan doen. Zijn gezondheid liet ook niet meer toe dat hij allerlei sportieve avonturen aanging. er was grote schrik in de familie toen hij tot tweemaal toe een hersenbloeding kreeg. Het zag er aanvankelijk niet zo goed uit, maar eens te meer bleek hoe beresterk hij was. Hij herstelde niet volledig, maar geveld was hij niet. Praten ging alleen wat moeizamer en hij bewoog ook niet meer zo soepel. Dat weerhield hem er niet van om geregeld wandelingen in de omgeving van Wapserveen te maken. Wat hem uiteindelijk wel velde was niet zozeer een fysieke aanleiding, maar een groot verdriet. Zijn oudste dochter Lideke, met wie hij een hechte band had, werd ziek en overleed op 22 mei 1995. Ze werd slechts 53 jaar. Deze klap was te groot voor hem. Hij verloor de zin in het leven. een maand later al kwam het einde voor deze politieke reus die het 86 jaar lang had volgehouden. Zijn as werd verstrooid bij een vennetje niet ver van zijn boerderij waar hij graag kwam om na te denken en terug te kijken op zijn leven. Hij was een man van de praktijk, gebakken uit de Groningse zeeklei. Hij was zeker niet gemakkelijk, wilde graag gelijk hebben en kon flink doordrammen. Aan bureaucratie en ambtelijk gedoe had hij een hekel. De woorden kwamen niet altijd even diplomatiek uit zijn mond. Hij was opvliegend, charismatisch en gedreven, eigenschappen van zijn opa Derk. Al slaagde Sicco er beter in zijn emoties te verbergen. Maar bovenal moeten we ons hem herinneren als een man met grote verdiensten voor ons land en voor Europa. en misschien wel het belangrijkste: Hij had de moed om zijn fouten toe te geven.

Dit is een fragment uit het boek ” Uit Zeeklei gebakken “Van Kees Opmeer. Het boek os tijdelijk uitverkocht.

Mijn opa de kunstschilder

Voorwoord in het boek “Mijn gedroomde Nederland. Jan Voerman jr. en de Verkadealbums”.

Als vijfjarig jongetje zocht ik samen met mijn opa kastanjes. Hij was een man van weinig woorden, maar als hij een bijzonder plantje of dier zag, vertelde hij er alles over. Later kreeg ik van hem een prachtig schilderij waarop hij de kastanjes minutieus had nageschilderd. Ik kon ze bij wijze van spreken zo van het doek pakken. Mijn opa schilderde de natuur als geen ander. Die opa was Jan Voerman jr., kunstschilder, vooral bekend van de illustraties voor de beroemde Verkadealbums. De uitgave van deze albums door de firma Verkade geldt als de eerste – en misschien wel meest succesvolle – reclamecampagne van een Nederlands bedrijf. Na drie Sprookjesalbums zonder tekst (1903-1905), verschenen er dertig albums mét tekst, met een gezamenlijke oplage van meer dan drie miljoen exemplaren. Generaties zijn ermee opgegroeid: kinderen verzamelden en ruilden de plaatjes, en leerden zo over de natuur en het landschap.

Mijn opa, zoon van de bekende IJsselschilder Jan Voerman sr. uit Hattem, werkte mee aan bijna alle albums en maakte meer dan duizend illustraties. Als vijftienjarige maakte hij zijn eerste plaatjes voor het album Lente, met bloemen en insecten. Hij werkte ook mee aan de vier zogenoemde reisalbums, of ‘wandelalbums’ zoals schrijver Jac. P. Thijsse ze noemde: Langs de Zuiderzee (1914), De Vecht (1915), De IJsel (1916) en Friesland (1918). Tijdens de Eerste Wereldoorlog fietste hij door Nederland om landschappen te schetsen en te fotograferen. In zijn atelier maakte hij daar prachtige aquarellen van, die iets verkleind werden afgedrukt in de albums. De illustraties van mijn opa, samen met die van andere kunstenaars zoals Jan van Oort, Willem Wenckebach, Edzard Koning en vader en zoon Cornelis en Henricus Rol, geven, in combinatie met de teksten van Jac. P. Thijsse, een uniek beeld van Nederland in die jaren. Ik heb me vaak afgevraagd hoe die plaatjes tot stand kwamen. Wie bepaalde de onderwerpen? Hoe moeilijk was het om een heel landschap op zo’n klein formaat te vangen? En zoals velen vroeg ik me af: hoeveel van dat landschap is er nu nog over? Helaas heb ik daar nooit met mijn opa over gesproken, maar gelukkig zijn veel van die verhalen opgetekend door mijn oma, Hetty Voerman-Mansholt. Ook Jac. P. Thijsse en de firma Verkade hebben erover geschreven.

In juni 2026 is het vijftig jaar geleden dat mijn opa overleed. Ter gelegenheid daarvan kreeg ik de kans om het verhaal achter zijn Verkadeplaatjes verder uit te zoeken en er een tentoonstelling van te maken. Ik koos ervoor me vooral te richten op de vier genoemde reisalbums (hoofdstuk 2). Bij de tentoonstelling verschijnt dit boek, waarin ook ruimte is voor het bredere verhaal van de andere albums. Voor mijn zoektocht maakte ik gebruik van het familiearchief, met unieke schetsen, voorstudies en foto’s die mijn opa op locatie maakte, en van de originele aquarellen uit het Zaans Museum. In het archief van de Heimans en Thijsse Stichting vond ik aantekeningen uit de schetsboekjes van Jac. P. Thijsse over de reisalbums. Het is een terugkeer naar een nog ongerept, en voor velen een ‘gedroomd’, Nederland. Tijdens het schrijven bezocht ik een aantal van de plekken waar mijn opa destijds is geweest. Het was bijzonder om letterlijk in zijn voetsporen te treden. Ik wilde met eigen ogen zien wat er veranderd is, en wat bewaard is gebleven. Foto’s van dezelfde locaties in onze tijd, ruim 110 jaar later, waarop de verschillen met toen zichtbaar zijn, maken dit verhaal compleet (hoofdstuk 4).

Het boek Mijn gedroomde Nederland is hier te bestellen.

De geschilderde kastanjes door Jan Voerman jr. 1964

Anna Voerman – Verkade, echtgenote en zaakwaarnemer van IJsselschilder Jan Voerman Sr.

Anna Voerman had vele talenten. Over haar werk voor de Tesselschade-organisatie en haar thuisklasjes voor kinderen in Hattem kun hier meer lezen.

Anna was echter ook de zaakwaarnemer van haar man, Jan Voerman Sr. Voerman, die ze steevast ‘Voer’ noemde, richtte zich uitsluitend op het schilderen en liet alle zakelijke contacten aan zijn echtgenote over. Dat gold zowel voor de correspondentie met zijn vaste kunsthandel, de firma Buffa in Amsterdam, als voor het contact met particuliere klanten.

In schriftjes hield Anna nauwgezet alle verkochte werken van ‘Voer’ bij. Ook zijn er veel zakelijke brieven aan Jan en Anna Voerman bewaard gebleven. In het archief zijn daarnaast talloze kladbriefjes van Anna te vinden, met haar reacties en antwoorden op vragen van klanten. Samen geven deze documenten een mooi inkijkje in het familiebedrijf van de familie Voerman in Hattem in de eerste helft van de twintigste eeuw.

De meeste reacties van klanten waren zeer positief. Ze schreven blij te zijn met hun aankoop. Maar er zijn ook brieven met vragen en klachten. Zo blijkt dat het vernis (siccatief) dat Voerman Sr. gebruikte, soms barsten vertoonde. Anna schrijft dan dat dit hersteld kan worden.

Sommige klanten maken het echter wel erg bont. Zo wordt er geklaagd over een schilderij waarop het bruin van de achtergrond doorschijnt in de wolkenlucht. Je kunt de schilder bijna horen tieren van woede over zoveel onkunde. Anna schrijft in haar reactie, namens haar man, dat het bruin juist zo bedoeld is en dat het betreffende schilderij één van Voermans mooiste werken is. Ook het schilderij dat strepen heeft omdat “de meid met een sponsen lap het heeft getracht schoon te maken”, wordt hersteld.

brieven los 3

Er is ook een boze reactie van Anna op ene Truus, die beweert dat Voerman Sr. over het vernis heen heeft geschilderd. Zie het briefje hieronder.

Ook wordt er regelmatig gevraagd of de schilder een werk alsnog wil signeren. Voerman Sr. signeerde zijn werk bijna nooit. Toch werd aan deze verzoeken altijd gehoor gegeven. ‘Komt u maar langs op een mooie dag in april of mei’, schrijft Anna dan.

Eén van deze verzoeken kwam overigens van de dochter van Voermans jeugdvriend en collega-schilder Bas Tholen. Het ging om een oud schilderij van Voerman, dat hij had gemaakt in de stadsboerderij van zijn ouders in Kampen. Zie brief hieronder

brieven los 2

Een aantal malen vraagt een koper om korting. Het is niet duidelijk of Anna en ‘Voer’ daarmee akkoord gingen. Eenmaal vraagt een koper of Voerman een werk in opdracht wil maken. Anna antwoordt daarop heel duidelijk dat hiervan geen sprake kan zijn: ‘Voerman werkt nooit in opdracht.’

Tot slot zijn er diverse brieven van kunstbroeders: dichter Adriaan Roland Holst koopt een schilderij en spreekt daar met veel lof over en zo ook de bekende schilder Jozef Israëls, vader van zijn studievriend Isaac Israëls. En er is een brief uit juni 1890 van Theo van Gogh vanuit zijn kunsthandel in  Parijs die schrijft graag enige werken van Voerman te willen zien. Het zal er niet meer van komen een maand na de brief overlijdt Theo’s broer Vincent en in januari 1891 overlijdt Theo zelf. In zijn laatste brief aan zijn broer Theo schrijft Vincent nog over het werk van Voerman. Lees er hier meer over.

briefpakket ca 1890 incl Gogh
briefpakket ca 1890 incl Gogh
brieven los 3
briefpakket ca 1890 incl Gogh

Stefanus Louwes (1824-1902) gesjeesd student en mislukte boer

Wat was Stefanus, de opa van mijn oma, voor een man? Hij was pas twee jaar toen zijn vader overleed en nog geen twaalf toen ook zijn moeder stierf. Het maakte hem tot een sombere en in zichzelf gekeerde man met ‘een harde mond en treurige ogen’. Hij werd opgevoed door de familie Winsingh van moeders kant, een bekend regentengeslacht uit het Drentse Roden. Ze woonden in een statige Saksische boerderij dat nu in gebruik is als theater ‘De Winsinghhof’. Met geld van deze familie kon hij studeren. Niet dat het een groot succes was. Het verdriet uit zijn jeugd bleef hem achtervolgen. Om zijn sombere buien te verdrijven zocht hij verstrooiing in allerlei feesten waar de drank rijkelijk vloeide. Dat ging niet goed samen met zijn studie Theologie waar hij dan ook snel de brui aan gaf. Er zat er niets anders op dan boer te worden, maar dat was een leven van hard werken en aanpakken. Niets voor Stefanus die kampte met een slechte gezondheid en die weinig boerenbloed in de aderen had.

Hij trouwde met Henriette Zijlma, dochter uit een gegoede boeren familie. Na hun huwelijk namen Stefanus en Henriette hun intrek in ‘het Ganzenhuis’, een afgelegen boerderij van de familie Zijlma bij Zuurdijk. Mijn oma Hetty Voerman-Mansholt: …Voor pas getrouwden leek het wel wat, maar alles was te klein, te weinig land, te oud en de lucht was dampig en ongezond…

Bijna tien jaar later verhuizen ze naar een andere boerderij, Markelhuizen, niet ver van Leens. Bij deze boerderij hoorde meer grond, maar de bodem was zanderig en weinig vruchtbaar. In de winter was het onbehaaglijk in Markelhuizen, met de koude wind die overal doorheen drong. Breed hadden ze het niet. Het was geen goede omgeving voor Stefanus en nog minder voor de kinderen die kort na elkaar werden geboren. Na de geboorte van Trijntje kwamen er in hoog tempo drie kinderen die niet lang na de geboorte overleden. Na deze verdrietige periode komen nog vier kinderen ter wereld, waaronder Grietje, die gelukkig wel in leven zouden blijven. Toen Grietje tien jaar was verhuisden ze terug naar het Ganzenhuis. Na een niet zo gemakkelijke jeugd vond Grietje haar geluk in het huwelijk met Ubbo Mansholt.

Stefanus was weliswaar niet zo’n goede boer maar zijn zoon Hendrik Jan Louwes en kleinkinderen Herman en Stefan jr. maakten wel naam. Je kan er hier meer over lezen. Nazaten van de familie Louwes boeren nog altijd in de Westpolder op boerderij Nieuw Midhuizen.

Stefanus Louwes, de enige foto van hem uit het familiearchief.

Graf van Stefanus (hier geschreven als Stephanus) en Henriette op de Zuiderbegraafplaats in Groningen

Twente, het Verkadealbum dat nooit verscheen

Van 1906 tot 1917 gaf de firma Verkade een zeer succesvolle reeks Verkadealbums uit. Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog ontstaat er echter een tekort aan alles. Alle energie wordt gestoken in de economische opbouw. Voor het uitbrengen van nieuwe albums is geen geld. Schrijver van de albums Jac. P. Thijsse is al begonnen met de voorbereidingen van een nieuw Verkadealbum over Twente, maar dat wordt stopgezet. In Thijsses schetsboekjes staan flarden van het vooronderzoek dat hij deed. Hij fietst Van Deventer naar Hengelo en via Goor, over de traag stromende Regge, naar Markelo. Hij maakt er schetsen van het landschap en van het pijlkruid en geniet van de natuur. Ook spreekt Thijsse van ‘overal vriendelijke mensen, de jongens met steeds witter wordend haar’. Bij ‘Monte Bello’ hoort hij een uil. Jan jr. is, in het voetspoor van Thijsse, ook al op pad geweest en heeft schetsen gemaakt van Goor, Delden en Markelo. Er zijn helaas nooit aquarellen van gemaakt.

In een brief gedateerd 23 mei 1919 van Anton Verkade aan Jan jr. gloort er toch weer een beetje hoop. Verkade spreekt nog over het slechte papier bij het album Friesland, en het teleurstellende drukwerk van drukker Van Leer. Ook geeft hij een inkijkje in de plannen voor nieuwe albums:

“Het zal je interesseren dat ondergetekende dezer dagen een voorlopig gesprek met Thijsse had, om eens na te gaan in hoeverre wij na Friesland met album uitgaven moeten doorgaan. In de eerste plaats zouden wij de onderwerpen weder, evenals vroeger, uit de natuur willen kiezen. Thijsse zou veel gevoelen voor een album getiteld “De vogels van Nederland”, eventueel vervolgd met “De insecten van Nederland”, “De bloemen van Nederland’, enzovoort.”[1]

De plannen blijven echter tot 1925 in de ijskast.

Dit is een fragment uit het boek “Mijn gedroomde Nederland” over het werk voor de Verkadealbums van Jan Voerman jr. Het boek is te koop in de boekwinkels en ook hier te bestellen.


[1] Brief van Anton Verkade aan Jan Voerman jr d.d. 23 mei 1919, Archief Voerman – Verkade

Schets van Goor door Jan Voerman jr. (1919)

Schets van Rijssen door Jan Voerman jr. (1919)

Tekst van Jac. P. Thijsse