Het landbouwbeleid van Nederland en Europa werd van 1935 tot 1965 vooral bepaald vanuit de Westpolder in Groningen.

Derk Roelfs Mansholt en zijn echtgenote Aaltje Willems Mansholt – Dijkhuis hadden kleinkinderen die voor, in en na de Tweede Wereldoorlog aan de wieg stonden van het landbouw beleid in Nederland en zelfs in Europa. Er werd in die tijd dan ook wel eens gefluisterd dat het landbouwbeleid van Europa bepaald werd vanuit de Westpolder in Groningen. Daar waren de kleinkinderen immers allen geboren. De meest bekende kleinzoon van het echtpaar was natuurlijk Sicco Mansholt (1908-1995), landbouw minister in Nederland en later bij de Europese Gemeenschap. Elders op deze website meer verhalen over hem. 

Maar eerder al waren de broers Herman en Stephanus Louwes actief. Zonen van Wypke Tonkes (stiefdochter van Derk Roelfs en dochter uit het eerste huwelijk van Aaltje Willems Dijkhuis) en Hendrik Jan Louwes. Ze werden geboren in de boerderij ‘Nieuw Midhuizen’ in de Westpolder. Toen de broers in de stad Groningen gingen studeren logeerden ze daar door de week bij de ouders van mijn oma Hetty Mansholt. Beide broers kregen, geïnspireerd door hun actieve grootvader Derk Roelfs Mansholt,  belangrijke functies op het landbouw dossier in de Nederlandse politiek en bestuur. Sicco Mansholt werkte nauw met ze samen.

Stephanus Louwe (Stefan) Louwes (1889-1953)

Oudste broer Stephanus was een Nederlands topambtenaar en ontwikkelaar van het Nederlandse voedseldistributiesysteem in de Tweede Wereldoorlog. Voor de Tweede Wereldoorlog werkte Louwes op van het ministerie van Landbouw en Visserij. Na de inval van de Duitsers in mei 1940 bleef hij op verzoek van de naar Londen uitgeweken Nederlandse regering op zijn post als directeur-generaal en verantwoordelijke voor de voedselvoorziening. Tijdens de oorlogsjaren was hij in voortdurende onderhandelingen met de Duitsers zodat agrarisch Nederland de productie kon voortzetten en er zo weinig mogelijk naar de bezetter ging.

Louwes moest Nederland van een voedsel-importerend land herstructureren naar een zelfvoorzienend land. Veel van de voedselimport was ten behoeve van veevoer. Hij koos voor een omschakeling naar meer aardappelen, koolzaad, rogge en suikerbieten en een daling van de veestapel en bloementeelt. Vanaf het begin van de oorlog werd het Louwes duidelijk dat de Nederlandse voedselvoorziening op den duur in grote moeilijkheden zou komen. Al vanaf het begin van de oorlog begon hij met een forse uitbreiding van het aantal kookinrichtingen waar massavoeding toebereid kon worden: de zogenaamde Centrale Keukens.

Herman Derk Louwes (1893-1960)                                        

Herman Louwes studeerde aan de Openbare ULO-school, Middelbare Rijkslandbouwwinterschool en de HBS te Groningen. Hij begon zijn carrière als medewerker in het landbouwbedrijf van zijn vader. Van 1927 tot 1933 was hij lid van de gemeenteraad van Ulrum en van 9 mei 1933 tot 8 juni 1937 was hij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Van 1937 tot 1949 functioneerde hij als plaatsvervangend voorzitter van het Openbaar lichaam “De Wieringermeer”. Van 7 maart 1950 tot 8 oktober 1960 was hij lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Vanaf de jaren ’30 streed Louwes voor betere verhoudingen tussen landarbeiders en boeren. Door hun krachten te bundelen konden ze een machtsfactor vormen in de landelijke politiek. Zijn inzet resulteerde uiteindelijk in de oprichting van de Stichting voor de Landbouw. Een door de overheid erkende vertegenwoordiger van de Nederlandse landbouw. Een unicum in Europa. Hij werd ook wel de Burgemeester van de Nederlandse landbouw genoemd. Kleindochter Jacobien Louwes is anno 2026 nog steeds biologisch akkerbouwer op ‘Nieuw Midhuizen’.

In de rij nazaten van Derk Roelfs en Aaltje Mansholt die een belangrijke rol hebben gespeeld voor de landbouw past zeker ook hun dochter Theda Mansholt. Zij kan gezien worden als de grondlegster van het onderwijs voor meisjes uit boerengezinnen. Haar verhaal is hier te lezen.

Wypke Louwes – Tonkes met zoon Stefan

Herman Louwes

Stefan Louwes

Het heimwee landschap van de Verkadeplaatjes

Mijn gedroomde Nederland

Tussen alle palliatieve behandelingen door heb ik de afgelopen drie jaar gewerkt aan een boek over mijn opa, kunstschilder Jan Voerman Jr., en zijn werk voor de Verkadealbums. Naast het samenzijn met mijn familie gaf dit mij rust, een doel en zingeving.

Het was een genoegen om in mijn archief te zoeken naar de schetsen die mijn opa maakte ter voorbereiding van de Verkadeplaatjes. Later vond ik bovendien glasnegatieven en olieverfstudies die hij ter plekke had gemaakt om deze vervolgens in aquarel uit te werken.

In de archieven van Jac. P. Thijsse, auteur van de meeste Verkadealbums, en in het gemeentearchief van Zaandam en het Zaans Museum vond ik aanvullend materiaal. Daarbij kreeg ik waardevolle hulp van schrijver Kees Opmeer en Verkadealbumkenner Marga Coesèl. Ook hoogleraar landschapsgeschiedenis Theo Spek van de Rijksuniversiteit Groningen hielp mij bij het duiden van het landschap dat mijn opa in de eerste jaren van de twintigste eeuw schilderde.

Hoeveel is dat landschap inmiddels veranderd, en wat is er vandaag de dag nog van terug te zien? Zoals IJsselkenner Wim Eikelboom zegt: „De beelden van de Verkadeplaatjes vormen een soort heimweelandschap.” En liefhebber Maarten van Rossem sprak, na het zien van het Verkadeplaatje Dijkhelling met bloemen uit 1938, over „mijn gedroomde Nederland”.

Het boek is af, de tentoonstelling in het Voerman Stadsmuseum Hattem is geopend en nog tot oktober van dit jaar te zien.

Nu op zoek naar een nieuw project.

Mijn over grootmoeder Elizabeth Haarsma, dochter van een café houdster

Er is weinig informatie te vinden over mijn over-grootmoeder van moeders kant: Elizabeth Haarsma (geboren 22-12-1880 te Meppel, overleden 1939 te Groningen).

De moeder van Elizabeth was Margaretha, Hendrika Berkhout (geboren 1847 – overleden 16-5-1913), Haar vader: Jan Haarsma, beroep Timmerman (geboren 1850 te Bergum, overleden 1891 te Meppel)

Hun adres: Kinkhorststraat  120 Meppel (oude centrum Meppel)

De familie bestond uit:

Zus: Elizabeth 1 (geboren 1873 – overleden 1878)

Zus: Theodora (geboren 1874)

Zus: Geertruida (geboren 1876)

Zus: Anna Alieda (geboren 1878)

Elizabeth 2 (geboren 1880 – overleden 1939)

Broer: Jan Haarsma (geboren 1887)

Jan Haarsma begon rond 1888 een koffiehuis, later ook bierhuis, te Meppel. Er zijn advertenties te vinden in oude kranten. Na de vroege dood van haar man in 1891 werd Elizabeth’s moeder, zelf koffiehuishoudster in Meppel maar ze vertrok rond 1901 met haar jongste kinderen naar Hoogeveen (Frans Hendrikstraat 52).

In de archieven is deze “Memorie van aangifte der nalatenschap van den Heer Haarsma, overleden te Meppel” te vinden:

De ondergeteekende Margaretha Hendrika Berkhout, weduwe van Haarsma, te ’s-Gravenhage wonende te Meppel in Drenthe en moeder en wettige voogdes over hare vijf minderjarige kinderen Theodora – Geertruida – Anne Alida – Elisabeth – en Jan Haarsma, de vijf genoemde kinderen als erfgenamen, benevens echtgenoot bij haar in echt verwekt.

Ten deze domicilie kiezende ten kantore van den notaris Meester Rudolph Otto van Holthe tot Echten te Meppel.

Geeft bij deze ten kantore van successie te Meppel aan:

Dat op den zestienden October achttienhonderd en negen en negentig te Meppel alwaar hij woonde overleden is Werdend Jan Haarsma, die tot zijn eenige erfgenamen heeft nagelaten zijne vijf kinderen, door hem bij zijn echtgenoote de aangeefster Margaretha Hendrika Berkhout in echt verwekt, genaamd Theodora Haarsma, Geertruida Haarsma, Anne Alida Haarsma, Elisabeth Haarsma en Jan Haarsma, de minderjarigen benevens ieder voor een vijfde gedeelte in de nalatenschap dat de overledene heeft nagelaten.

De onverdeelde helft van een huis en erf staande en gelegen nabij het Stationsplein te Meppel en door kadaster bekend in sectie C nummers 1620 en 1625, huis en erf tezamen groot in het geheel drie aren acht en zeventig centiaren.

Dat het onzuiver actief der nalatenschap bedraagt f 1750.—

Dat het zuiver saldo der nalatenschap bedraagt f 450.—

Dat de overledene geene goederen als bezwaarde erfgenamen of in vruchtgebruik bezat; dat door zijn overlijden geene periodieke uitkeeringen bij opvolging zijn overgegaan of vervallen en dat tot de nalatenschap geene effecten of vorderingen aan het Rijk verschuldigd zijn.

(ondertekening)

M. H. Berkhout

Na haar verhuizing naar Hoogeveen rond 1901 ontmoete Elizabeth Haarsma  daar kapper, coiffeur Hendrik Uiterwijk en ze huwden rond 1900

Ze woonden in de kapperszaak aan de Julianakade Hoogeveen (inmiddels gedempt heet nu Van Echtenstraat)

Aldaar werden geboren:

  • Femmigje Elizabeth (1901-1970) mijn oma.
  • Margaretha Hendrika 1 (1903 – overleden 1903)
  • Margaretha Hendrika 2 (1906 – overleden 1999)
  • Johanna (1909 – 1910)
  • Hendrik (1913-1939)

Elizabeth overleed in 1939 in Groningen, waar ze nog door haar dochter Gre werd verpleegd. Vlak daarvoor was haar zoon Hendrik bezweken aan de complicaties van een blinde darm ontsteking.

Elizabeth Uiterwijk – Haarsma met haar kleindochter Jentje Rahder.

Boekpresentatie en opening tentoonstelling “Mijn gedroomde Nederland”

Foto’s van de boekpresentatie op 8 mei in Hattem. Burgemeester Marleen sanders van Hattem neemt het eerste boek in ontvangst. (foto Ron Maat)

Daarna opening door de Burgemeester en Lenthe Voerman (achter-achter kleindochter van Jan Voerman jr. de tentoonstelling in het Voerman stadsmuseum Hattem (foto Ron Maat)

Blader hier door het boek over de Verkadeplaatjes van Jan Voerman jr.

Bron: Rond 1900 mei 2026

Stentor/ Deventer 24-05-2026

Reis door het Nederland van Jan Voerman en de Verkadeplaatjes

De plaatjesalbums van Verkade uit de vorige eeuw: generaties spaarden de plaatjes en plakten ze zorgvuldig in. Wat begon als een reclamecampagne, groeide uit tot één van de meest geliefde culturele verschijnselen van Nederland. In totaal verschenen er dertig albums, met een gezamenlijke oplage van maar liefst drie miljoen exemplaren. Kunstschilder Jan Voerman jr. werkte aan bijna alle albums mee.
 
De plaatjes van Voerman en andere schilders als Rol, Wenckenbach en Koning geven samen met de teksten van Thijsse een uniek en romantisch beeld van het Nederland in die jaren. Voerman schetst het liefste alles naar het leven, zoals hij het zelf kan bestuderen, en is graag en veel in de natuur te vinden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog trekt de jonge kunstenaar op zijn fiets door Nederland om schetsen en foto’s te maken voor de Verkadeplaatjes. In zijn atelier in Hattem verwerkt hij dit tot aquarellen die vervolgens weer als plaatjes verschijnen in de albums ‘Langs de Zuiderzee’ (1914), ‘De Vecht’ (1915), ‘De IJsel’ (1916) en ‘Friesland’ (1918).
 
Peter Voerman, kleinzoon van de schilder, beschrijft met behulp van persoonlijke herinneringen van Voermans echtgenote Hetty Voerman-Mansholt hoe dit bijzondere erfgoed tot stand kwam. Originele tekeningen, voorstudies en foto’s uit het familiearchief in combinatie met de originele plaatjes reconstrueren het landschap dat Voerman zo inspireerde en waar hij uren in doorbracht op zijn reizen voor de Verkadeplaatjes.
 
En wat resteert er nu nog van dat landschap? Actuele foto’s van dezelfde plekken – ruim 110 jaar later – maken duidelijk hoe ons landschap is veranderd, en soms juist hetzelfde is gebleven. Zo ontstaat een reis door de tijd: van het dromerige Nederland van Voerman en Jac. P. Thijsse dat zovelen betoverde, naar het land dat wij vandaag kennen.

Het boek is hier te bestellen en wordt na 8 mei opgestuurd.

Luister hier naar het interview op RTV Hattem over de tentoonstelling en het boek “Mijn gedroomde Nederland”


Het veranderende landschap

Mijn opa Jan Voerman jr (1890-1976) maakte tussen 1905 en 1940 duizenden aquarellen voor de Verkadealbums. Daarvoor ging hij ook op reis en maakte landschappen in onder meer Friesland, De Vechtstreek en aan de IJssel. Goed is te zien hoe het landschap in de afgelopen jaren is veranderd, of juist hetzelfde ios gebleven. Kees er meer over in het boek “Mijn gedroomde Nederland, Jan Voerman jr. en de Verkadealbums”. Het boek verschijnt op 8 mei bij W-books en is hieronder al te bestellen. Op 8 mei start ook de bijgaande tentoonstelling in het Voerman Stadsmuseum te Hattem.

Onder Hattem 1917 en 2025 en Huize Olterterp 1918 en 2025

Mijn gedroomde Nederland • WBOOKS

Geuchien Zijlma (1842-1922)

Het huwelijk van Hendrik Jan Zijlma en Hilje Hopma

De huwelijksplechtigheid van Hendrik Jan Zijlma en Hilje Hopma is in stijl met veel uiterlijk vertoon. Mijn oma., Hetty Voerman-Mansholt beschikte over de bruidsjurk van Hilje die ze in latere jaren schenkt aan de Borg Verhildersum. Nog steeds is deze te bewonderen in Museum Landgoed Verhildersum.

Hetty omschreef de jurk als volgt:

…gemaakt van bedrukte katoen, mosterdgeel, bezaaid met rode bloempjes, zoals de bloeiende weiden rondom haar huis. Zoals de empire-mode het wilde was vanaf de zeer hoge taille het rugpand van rok en jak wijd gerimpeld aan het korte lijfje met de open hals. Van onder de bolle kopmouwtjes kwamen lange mouwen, die in mitaines eindigend bij de vingers. Zij schijnt geen wit schort te hebben gedragen, maar een zwart met kant en een lila doekje om de hals. Vond haar schoonmoeder haar te stads en wuft zonder schort en batisten inzetje? Maar een warme cashmire sjaal moet onmisbaar geweest zijn om door de bruidegom om haar schouders te worden geslagen, op de lange reis naar haar eigen nieuwe huis het ‘Gansehuis.’

Het paar vestigt zich in het “Gansehuis” vlakbij Huize Ewer. In 1823 wordt deze boerderij op orde gemaakt om de nieuwe boerin te ontvangen. In maart worden nieuwe knechten en meiden ingehuurd. Het volgende jaar wordt zoon Jan geboren, Henriëtte volgt in 1828.

Hilje Hopma was een vooruitziende moeder die ervoor had gezorgd dat Henriëtte goed onderwijs kreeg. In de Franse tijd had ze zelf verplichte Franse lessen gevolgd op school en misschien daarom had ze haar dochter Henriëtte een Franse naam gegeven. Hetty Mansholt is weer naar haar vernoemd.

 Geuchien is een nakomertje en wordt in 1842 geboren. Er is in die tijd behoefte aan geboortebeperking, omdat er minder kinderen nodig zijn in het boerenbedrijf en omdat er minder kinderen sterven. De Groningse boer, die zijn vrouw ‘in ere houdt’ door haar niet jaarlijks een kind te geven, is een bekend begrip. De verburgerlijking van de boerenfamilies zorgt zelfs voor meer preutsheid. Dat komt vooral omdat veel boerendochters na de lagere school nog de kostschool bezoeken of gaan ‘jufferen’ in de grote stad. Ze leren daar nieuwe gebruiken en omgangsvormen. Ze gaan zich beter kleden en de aandacht voor hygiëne neemt toe.

Geuchien Zijlma

Hendrik Jan Zijlma boert goed. Ze kunnen het zich veroorloven om in 1844 Ewer grondig te verbouwen. Er worden veel  kinderen geboren, maar een aantal sterft al op jonge leeftijd. De kinderen die later nog een belangrijke gaan spelen zijn Jan, Henriëtte en nakomertje Geughien.

Oudste zoon Jan neemt het boerenbedrijf van zijn vader over. De jonge Geughien is daardoor gedwongen zijn eigen weg te gaan, maar doet dat met verve. Hij vertrekt naar de net drooggelegde Westpolder en laat daar in 1875 de boerderij ’Nieuw Zeeburg’ bouwen.

Vanuit zijn  maatschappelijke betrokkenheid wordt hij, net als veel andere herenboeren, politiek actief. Hij had geen socialistische opvattingen als Derk Roelfs Mansholt, maar behoorde wel tot de vooruitstrevende liberalen. Van gemeenteraadslid werkte hij zich op tot gedeputeerde. Vanuit zijn district Zuidhorn werd hij vervolgens gekozen tot lid van de Tweede Kamer, waarin hij van 1892 tot 1909 zitting had. Daarna was hij nog eens vijf jaar lang lid van de Eerste Kamer. Als woordvoerder voor landbouw en waterstaat was zijn invloed groot.

In zijn privéleven kreeg hij de nodige tegenslagen te verwerken. Zijn vrouw Ijte, Dijkhuis, dochter van Willem Lammerts, overleed al op jonge leeftijd na de bevalling van haar eerste kind. Het was een zware slag voor Geuchien. Zijn leven lang bewaarde hij een haarlok van haar in een flesje.

Een aantal jaren later hertrouwde hij met Hillegonda Zuidema. Eén van de dochters uit dit huwelijk, Hilda, trouwde met Thedoor Mansholt een zoon van Derk. 

Dit is een fragment uit het boek “Uit Zeeklei gebakken” van Kees Opmeer.

Hier een fragment uit een ooggetuige verslag van Geuchien Zijlma over de Stormvloed in de Westpolder in 1877 .

Geuchien Zijlma

‘Mijn gedroomde Nederland – Jan Voerman jr. en de Verkadealbums’

Mijn opa, Jan Voerman jr. (1890-1976), werkte als schilder en illustrator, tussen 1905 (toen hij pas vijftien jaar oud was) en 1940, mee aan dertig Verkadealbums. In totaal maakte hij meer dan duizend plaatjes van bloemen, planten, insecten, vogels, dieren en landschappen. Deze illustraties geven een uniek beeld van Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw.

In mijn archieven vond ik talloze proef-aquarellen, ter plaatse gemaakte schetsen en proefschilderijen in olieverf die mijn opa vervaardigde ter voorbereiding op de uiteindelijke plaatjes. Deze moest hij in klein formaat als aquarel aanleveren. Daarnaast trof ik vele glasnegatieven aan die hij op locatie maakte als referentiemateriaal. Mijn oma heeft bovendien uitgebreid beschreven hoe haar man aan de plaatjes werkte, een bijzondere en unieke bron.

Tentoonstelling

Ik was bijzonder verheugd met het voorstel van het Voerman Stadsmuseum Hattem om samen een tentoonstelling samen te stellen rond het werk van mijn opa voor de Verkadealbums. Er is uniek werk te zien uit de archieven van het Voerman Stadsmuseum, het familiearchief Voerman-Verkade en het Drents Museum.

Boek

Het werd nog specialer toen WBOOKS aangaf een boek/catalogus te willen uitgeven over het verhaal achter de Verkadeplaatjes. Ik deed nader onderzoek in het archief van Jac. P. Thijsse, de schrijver van de Verkadealbums. Hij was, net als mijn opa, een bevlogen natuurkenner en natuurbeschermer. Ook in de archieven van Verkade vond ik veel aanvullend materiaal.

Om te laten zien hoe het landschap in meer dan honderd jaar, al dan niet, is veranderd, bezocht ik verschillende locaties waar mijn opa destijds schilderde. Ik ben zeer vereerd dat Marga Coesel (dé kenner van de Verkadealbums) en Theo Spek (hoogleraar Landschapsgeschiedenis) bereid waren een voorwoord en nawoord te schrijven. In het boek zijn tevens originele Verkadeplaatjes uit de collectie van het Zaans Museum opgenomen.

Het boek en de tentoonstelling worden op 8 mei 2026 gepresenteerd. Het is dan bijna 50 jaar geleden dat mijn opa overleed. De tentoonstelling in Hattem is vanaf zaterdag 9 mei tot en met eind december 2026 te bezoeken. Zeer de moeite waard.

Hieronder alvast een aankondiging van het boek op de website van WBOOKS. Nadere informatie volgt.

Jan Voerman jr. aan het werk in de natuur

Crisis- en oorlogsjaren in de turf in Zuidoost Drenthe 1930-1945

Maatregelen in de crisisjaren

De crisisjaren dertig verlopen ook voor de firma Rahder moeizaam. Vooral in 1931 loopt de verkoop slecht. De afzet is laag vanwege stakingen in de karton industrie en ook de verkoop aan de aardappelmeel en steenindustrie neemt af. De prijs voor turf is lager dan ooit. De tweede kamer die in 1933 op werkbezoek is geweest in het veen komt eindelijk in actie. Minister Verschuur zegt in 1934 eindelijk financiële hulp toe. Er komt een landbouwcrisiswet en turf wordt binnen die wet een crisis product. De Stichting Nederlandse Turfcentrale onder voorzitterschap van de Drentse commissaris Baron de Vos van Steenwijk, zorgt voor de uitvoering. De regeling geld alleen voor hand gestoken fabrieksturf voor industrieel gebruik in Drenthe, Groningen en Overijssel. Om zoveel mogelijk gezinnen te laten profiteren mogen er maar 2 personen per gezin turf steken en niet meer dan 3 personen mogen werkzaam zijn bij het droogmaken en scheepsladen. De toelage is 25 gulden per dagwerk. Pas vanaf 1937 maakt de N.V. Rahder weer winst. In het eerste oorlogsjaar stijgt de prijs van turf weer zelfs zodanig dat er een vervenersheffing wordt opgelegd door de bezetter.

Door de slechte afzet stijgt het aantal arbeiders dat geen werk meer kan vinden, ook niet tijdens de zomermaanden. De gemeente Emmen heeft inmiddels zoveel kosten aan het grote aantal werklozen dat het onder curatele staat bij het rijk. Veel arbeiders trekken naar Duitsland waar de werkgelegenheid weer groeit. Er was ook geen keuze want degenen die werk in Duitsland weigerden hadden geen recht op steun. Emmen kwam al op de eerste dag van de oorlog in handen van de Duitsers. Dochter Liesje heeft haar vader nooit zien huilen maar op de dag dat de Duitsers, dan nog uiterst vriendelijk, door Nieuw Amsterdam trekken, heeft hij tranen in de ogen.

Burgemeester Bouwma die teleurgesteld was door de Nederlandse regering accepteerde snel het gezag van de bezetters. Hij voert de bevelen trouw uit. Klokken verdwijnen uit de kerken om omgesmolten te worden voor wapens en fietsen worden gevorderd voor het Duitse leger. Ook het politiekorps pleegt geen verzet en werkt onder de nieuwe orde. De inwoners van Zuidoost Drenthe passen zich aan en ondergaan de eerste jaren van de bezetting gelaten. Vanaf 1943 ontstaat er in de regio steeds meer verzet. Jan Huisman, vriend van Jaap en Fem zit in het verzet. Hij helpt gestrande Engelse vliegers terug te reizen naar vrije gebieden. Ze vinden op die route tijdelijk onderdak in een boerderij op het Amsterdamse veld. Jaap kan in het verzet niet goed uit de voeten vanwege zijn houten been, maar hij zorgt dat er genoeg geld is. De oorlog heeft nog meer gevolgen voor het bedrijf. Het wordt voor Jaap steeds lastiger om werkers te vinden. Veel mannen moeten zich melden voor arbeid in Duitsland. In de archieven van de firma Rahder zitten veel brieven uit de oorlogstijd. Rahder verzoekt de Rijksdienst voor werkverruiming om Joodse arbeiders op zijn bedrijf te laten werken omdat ze onmisbaar zijn. En hij weigert het Gewestelijk Arbeidsbureau in Emmen namen door te geven van ongehuwde mannen tussen de 20 en 40 die in Duitsland tewerkgesteld moeten gaan worden. Vanwege het tekort aan arbeiders maar ook vanwege de natte zomers neemt de productie van turf af. Jaap krijgt veel brieven van bedrijven maar ook van scholen om toch nog wat turf te leveren. Het gemeentelijk verzorgingshuis voor ouden van dagen en Weduwenhof te Amsterdam schrijft op 16 mei 1941 dat ze nog maar voor 4 weken brandstof hebben als ze uiterst zuinig stoken. Jaap schrijft terug dat er helaas geen goede kwaliteit turf meer is maar dat het na de zomer beter wordt. Een bedrijf uit Alphen aan de Rijn schrijft op 2 mei 1942: “Het spijt me dat we niet als naar gewoonte turf kunnen krijgen voor de fabriek! Nu waarderen we pas eens hoe gemakkelijk het toch was al die jaren door. We voeren naar het veen en de fabriek had steeds brandstof. Maar u weet de redenen. Momenteel is daar niet aan te veranderen”. Het antwoord van Jaap Rahder volgt op 22 mei:

“Ik moet u mede delen dat door het geknoei met zogenaamde derriekluiten in Holland dit jaar ook het vervoer van veenkluiten verboden is. Momenteel wordt nog nat veen verscheept, hiervoor is blijkbaar geen vergunning nodig. Dit komt echter op zoo’n fantastische prijs dat ik u niet kan adviseren hiermee te beginnen. De moeilijkheden met de productie worden met de dag groter totdat de gehele zaak vast loopt”.  

Zoals in veel plaatsen ontstaat er grote afstand tussen de Duitsgezinden en de rest van het dorp. De huisarts is een fanatiek NSB aanhanger en verliest veel patiënten. Het kantoor in de ‘Tippe’ wordt gevorderd door de Duitsers. Ze slapen er niet maar vaak zijn er Duitse klerken in het huis aan het werk. Het weerhoudt Jaap en Fem er niet van om de kinderen en de vrouw van Jan Huisman tijdelijk op zolder te laten onderduiken nadat Jan zelf is verlinkt. Liesje herinnert zich de komst van de familie nog goed. Ze weet nog dat ze na korte tijd weer weg moesten omdat een schoolvriendinnetje ze voor de zolderramen had zien staan. Greddy Huisman, dochter van Jan zal deze periode ook niet vergeten. In een artikel uit het dorpsblaadje van Nieuw Amsterdam-Veenoord ‘De Aole Tweeling’ staat in 2016 een interview met haar: “Ons huis werd doorzocht door vreemde mannen.  s’ Avonds woonden we ineens bij oom Jaap en tante Fem Rahder en de drie meisjes Jenny, Liesje en Mieneke. Drie weken later gingen we naar de overkant van de Vaart, in het achterhuis van de familie Drok. Een deel daarvan stond leeg omdat de Tuinbouwschool wegens gebrek aan leerlingen, vanwege de afwezigheid van mijn vader die er directeur was, leeg stond”. Het huis van de familie Huisman wordt overgedragen aan een NSB gezin. “eenmaal zag in een van die meisjes lopen in mijn mooiste zomerjurk”, schrijft Greddy Huisman, “Ik vloog haar aan en probeerde de jurk van haar lijf te scheuren. Omstanders trokken mij van haar af”. Maar het gezin overleeft de oorlog. Ook Jan Huisman, die zat ondergedoken in een eendenkooi in de Weerribben, komt terug. In 1950 kreeg hij een Franse onderscheiding , het oorlogskruis en de Zilveren ster.

De boer die de onderduikers onderdak bood verdwijnt en het dorp neemt aan dij hij is gefusilleerd. Het dorp is in rouw. Jaap helpt de weduwe met de boekhouding van het boerenbedrijf.

In de laatste jaren van de oorlog vluchten veel Duitsers en NSB-ers naar het Noorden. Ze komen ook naar het oosten van Drenthe. De opperbevelhebber van de Wehrmacht vestigt zijn hoofdkwartier in Emmen. De geallieerden bombarderen daarop in februari 1945 de omgeving van Emmen. De vijftienjarig Jenneke die met vriendinnen naar de hbs in Emmen fietst moet ervoor schuilen in één van de mangaten langs de weg.

Als de oorlog in april van dat jaar ook in Zuidoost Drenthe ten einde komt keert de rust langzaam terug. Jenneke geniet van de nieuwe vrijheid en zet alles op alles om snel de wereld te kunnen ontdekken. In 1949 haalt dochter Jenneke Rahder haar hbo diploma en gaat studeren in de Groningen. Jaap Rahder en zijn vrouw Fem hoeven er niet lang over te denken. Hun oudste dochter is slim en zit vol energie. Studeren past bij haar en ze laten haar met trots en weemoed uitvliegen. Fem mijmert over haar eigen jeugd. Ze heeft de kweekschool gedaan maar daarna was er het leven van de huisvrouw. Op haar bruiloft kreeg ze van haar schoonmoeder een kookboek met daarin op de eerste bladzijde “Jaap houdt niet van biet”. Het is een tijd met nieuwe kansen. Ze gunt Jenneke na de donkere oorlogsjaren het leven in de grote stad met een goede studie, nieuwe vrienden, nieuwe ideeën en feestjes. Maar ze betrapt zich erop dat ze soms ook jaloers is.

De waarachtige historie van de Pierpoppers, verhalen van Tijs Voerman (1891-1969)

De kinderen van IJsselschilder Jan Voerman en Anna Voerman – Verkade hadden allen een een artistieke gave en een rijke fantasie. Tweede zoon Tijs Voerman maakte poppetjes van pier en bedacht daar spannende verhalen bij en maakte er ook tekeningen bij, Hij noemde die poppetjes de “Pierpoppers”. Er zijn verschillende boeken van die geïllustreerde verhalen bewaard gebleven. Samen met zijn broer Jan en later ook met broers Paul en Tijs bouwden ze hele steden waar de Pierpoppers konden wonen. In de achtertuin van  het grote huis aan de Gelderse Dijk hadden ze daar alle voor. Later zou de tweeling Ubbo en Jan (zonen van Jan Voerman Jr.) dat nog eens dunnetjes overdoen in de tuin van het huis in Blaricum.