Jeugd in Blaricum
Mijn vader, Ubbo Johan Voerman, zou op 27 oktober 2026 honderd jaar zijn geworden. Hij werd echter nog geen zeventig jaar oud, en ik mis hem inmiddels al ruim dertig jaar. Een goed moment om iets over mijn vader te vertellen.
Ubbo werd vijf minuten na zijn broer Jan geboren. Hun vader was Jan Voerman jr., de bekende schilder van de Verkadeplaatjes. Hun moeder, Hetty, was afkomstig uit de familie Mansholt, idealistische boeren uit de Westpolder in Groningen. Jan en Hetty hadden geen tweeling verwacht, dus Ubbo’s geboorte was een verrassing. De broers groeiden op met hun oudere zus Pia. Vijf jaar later werd zus Anneke geboren. In datzelfde jaar stierf Pia aan de complicaties van een blindedarmontsteking. Haar overlijden drukte een grote stempel op het jonge gezin. Vader Jan trok zich terug in zijn schildersatelier en moeder Hetty moest alle zeilen bijzetten om de tweeling in toom te houden.
Toen de oorlog uitbrak, was de tweeling veertien jaar. Het was een lastige periode, met veel oorlogsdreiging en later ook voedselschaarste. Jan en Ubbo hadden een schuilhut in het bos gemaakt en fietsten grote afstanden om eten bij bevriende boeren te halen. De tweeling deed bijna alles samen, maar er was ook vaak ruzie en strijd. Vlak na de bevrijding kreeg Ubbo polio. Hij was erg ziek, maar herstelde. Tijdens zijn herstel nam hij zich voor kinderarts te worden.
Na de oorlog kozen Jan en Ubbo hun eigen pad. Jan wilde ingenieur worden en trok, net als ooit oom Willem, naar Delft. Ubbo koos voor een studie geneeskunde in het ‘verre’ Groningen. Die eerste studiejaren waren lastig. Ubbo werd lid van het studentencorps Vindicat, maar dat paste niet bij hem. Hij was veel te eigenzinnig om zomaar te doen wat ouderejaars hem opdroegen. De uitgebreide drinkgelagen boeiden hem al gauw niet meer. Hij woonde op een kleine kamer bij een hospita in Noorderhogebrug.
De studie bleek een stuk lastiger dan gedacht. Ook daar waren veel hoogleraren die precies vertelden hoe het moest. Bovendien voelde hij nog steeds de blik van moeder Hetty in zijn rug. Iedere maand kwam er een wasmand met schone kleren van Blaricum naar Groningen, en iedere maand stuurde Ubbo de vuile was terug. Bij de manden zaten brieven vol goedbedoelde adviezen en preken. Het was niet de vrijheid die Ubbo zocht.
Kandidaatsexamen arts
Tijdens zijn kandidaatsexamen klapte Ubbo dicht. Hij wist niets meer van de stof. Prof. dr. De Haan vroeg hem vrij direct of de studie geneeskunde wel iets voor hem was. De Haan geloofde niet in een psychische blokkade, maar vond dat Ubbo er niet genoeg aan deed.
En nu zat hij bij oom Ubbo en tante Martha in de kamer om zijn toekomst te overdenken. Ubbo wilde graag iets doen, stage lopen en het vak leren kennen. Zou dat in Amsterdam beter lukken? De theorie in Groningen was taai en hij kon zich nog geen voorstelling maken van het vak. Of zou hij een jaar pauze nemen en op vakantie gaan?
Zijn oom en arts Ubbo Mansholt vertelde hem helder dat medische stages alleen mogelijk waren met een basisdiploma of klinische ervaring. Hij adviseerde zijn neef om door te zetten en met zijn leraren in gesprek te gaan. Ook hij was tijdens zijn studie ooit gezakt, wat hem een jaar had gekost. ‘Wat is nu een jaar tijd in een mensenleven?’
Dan ontmoet Ubbo bij de Vrijzinnige Christelijke Studenten Bond (V.C.S.B.) een leuk en levenslustig meisje. Jenneke Rahder heet ze en ze studeert geschiedenis in de stad. Ubbo heeft opeens geen plannen meer om naar Amsterdam te gaan of een jaar te gaan reizen. ‘Amsterdam was maar een verzuchting om alles te ontvluchten’, schrijft hij aan zijn ouders.
Ondanks zijn herwonnen optimisme zakt Ubbo nog twee keer voor zijn kandidaatsexamen en verliest hij twee jaar van zijn studie. Jenneke is dan al klaar met haar studie en verdient haar eerste inkomen. Als Ubbo eindelijk zijn kandidaats haalt, kiest hij niet voor de zware specialisatie kindergeneeskunde, maar voor de nieuwe richting kinderrevalidatie. Het blijkt een goede keuze.
Hij solliciteert in Amsterdam bij Van Swol en in Groningen bij Bom. In 1957, tien jaar na de start van zijn studie, wordt Ubbo arts-assistent. Hij krijgt van Bom de opdracht om de leiding over te nemen van het Physico-Therapeutisch Instituut, met tien bedden, dat gevestigd is boven het badhuis aan de Turfsingel. Eindelijk kan hij in de praktijk laten zien wat hij kan.
Na een schilderachtig studentenhuwelijk in 1955 wordt in 1957 Jan Jaap geboren. Hij blijkt een ongeneeslijke ziekte te hebben die we nu vlinderziekte noemen. Het kleine kindje heeft veel pijn en sterft zes maanden later. Ubbo en Jenny zijn ontroostbaar.
Twee jaar later volgt opnieuw een zwangerschap. Iedereen is gespannen, maar Peter komt op 1 januari 1959 gezond ter wereld. Een vriend van de familie, kinderarts professor Jonxis, komt langs. Gekleed als een zeventiende-eeuwse chirurgijn in jacquet is hij op weg naar een nieuwjaarsreceptie. Hij grist de kleine Peter uit zijn wieg, voelt overal en verklaart na twee minuten: ‘Alles prima, hij is zo gaaf als maar mogelijk is.’ Hij trekt zijn handschoenen weer aan en vertrekt.
Het grote huis in het bos
Ubbo doet het goed als arts-assistent. Hij rondt zijn opleiding af en wordt in 1961 een van de eerste kinderrevalidatieartsen in Nederland. Zijn mentor, dokter Bom, heeft een mooie uitdaging voor de jonge arts. In de bossen bij Beetsterzwaag is het oude landhuis Lyndensteijn van de familie Van Lynden omgebouwd tot een kinderrevalidatiecentrum: de Cornelia Stichting. Oorspronkelijk was het een sanatorium voor kinderen met tbc. Er verblijven veel kinderen die door de polio-epidemieën zijn getroffen. Bom heeft er samen met hoofdzuster Vormeer de leiding. Ubbo wordt zijn assistent.
Bom laat een ambtswoning bouwen in de ‘Overtuin’, die bij het landgoed Lyndensteijn hoort. Het is een prachtige Engelse landschapstuin, aangelegd door tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard. Vlak voor de verhuizing trekt professor Bom zich terug in zijn Groningse bastion en krijgt Ubbo de leiding in Beetsterzwaag. Ubbo en Jenneke verhuizen met hun inmiddels twee kinderen naar Beetsterzwaag en trekken in het grote huis in het bos. Er zijn nauwelijks meubels om alle kamers te vullen.
Lyndensteijn groeit snel uit tot een kindercentrum met een goede naam. Een van de eerste dingen die Ubbo regelt, is een school op het terrein, zodat de kinderen een zinvolle dagbesteding hebben en aan hun toekomst kunnen werken. Hij gelooft in een zo kort mogelijke behandeling, waarna de patiëntjes zo snel mogelijk terug moeten naar hun eigen omgeving.
Begin 1979 reist hij, mede op verzoek van koningin Juliana, naar Paramaribo om daar de revalidatiezorg te versterken. Het is een reis die Ubbo veel energie geeft. Zijn bevlogenheid en werklust zorgen ervoor dat hij steeds later thuiskomt. En als hij thuis is, valt hij in zijn stoel in zijn werkkamer in slaap. Net zoals zijn vader en opa Jan zich vroeger terugtrokken in hun atelier.
Mijn herinneringen
Als ik terugdenk aan de leuke dingen met mijn vader, komt er steeds weer een andere herinnering boven.
Hij bracht me een bank die over was na een verbouwing op Lyndensteijn. Hij bracht hem naar de gekraakte ‘kazerne’ in Leeuwarden, waar ik toen woonde. Mijn moeder vond het daar maar niets en kwam niet op bezoek, maar mijn vader wilde wel eens een kijkje nemen. Hij keek bezorgd naar de grotendeels lege kamers, maar had vertrouwen in mijn keuze.
Toen ik had leren zeefdrukken in het jongerencentrum Hippo in Leeuwarden, riep ik enthousiast dat die aquarel van Voerman sr. net zo mooi was als een zeefdruk. Mijn vader glimlachte en gaf me later het schilderij ‘De witte wolk’ cadeau.
Dan waren er zijn eindeloze citaten uit de Dreigroschenoper of Woutertje Pieterse, en de gekke gedichtjes van John ‘O Mill. De spreuk: ‘Het leven is een pijp kaneel, men likt eraan en krijgt zijn deel.’ En Ubbo was verzot op de film “Les enfants du paradis”.
Mijn vader kon met veel passie vertellen over films en boeken die indruk op hem hadden gemaakt. Ik denk dat hij na die treurige en sobere oorlogsjaren een sprookje nodig had. Misschien deed de titel van de film hem denken aan zijn beschermde jeugd in het grote huis met de grote tuin in Blaricum.
Net als zijn vader had doorgebracht, was ook zijn jeugd omgeven door huizen en diepe tuinen, in zijn geval aan de Gelderse Dijk in Hattem. Tuinen vol overvloed, met beesten, bomen en struiken vol fruit, en alle ruimte om te spelen. Een paradijs. Les enfants du paradis. Kinderen van het paradijs.
Het was een paradijs met een omringende muur. Die muren hielden vriendjes buiten. Er waren alleen broers en zussen en kindermeisjes. Zowel Ubbo als Jan jr. hadden vaders die zich nauwelijks met de opvoeding bemoeiden. Mannen die veel tijd voor zichzelf nodig hadden en weinig aandacht hadden voor hun nakomelingen.
Een familietraditie die mijn vader steeds in ere hield, was de Sinterklaasviering met surprises en gedichten. Hij knutselde er dan op los. Zo maakte hij ooit een groot spinnenweb met een spin en een prachtig gedicht in de stijl van ‘De spin Sebastiaan, het is niet goed met hem gegaan’. Er waren schatkaarten waarmee je door het hele huis moest, op zoek naar het cadeau. En natuurlijk waren veel gedichten doorspekt met typische ‘Ubbo-woorden’. Het gedicht ‘Tiebel tiebel tol, je maakt de mensen dol’, dat mijn vader ooit zelf kreeg, kon één op één door naar mijn broer.
Mijn vader leek al zijn energie als opvoeder op te sparen voor die ene avond in december. In de weken voorafgaand aan Sinterklaas was de garage tijdelijk verboden gebied. Mijn vader had zijn gereedschappen keurig aan de muur opgehangen. Elk stuk gereedschap was omcirkeld, zodat direct zichtbaar was als er iets ontbrak. De meeste gereedschappen kwamen nog uit Blaricum, of zelfs uit Hattem. Spijkers en schroeven zaten keurig geordend in grote sigarenblikken van Willem II. De garage was voor even de kraamkamer van onze Sinterklaas.
Mijn vader was, naar mijn idee, soms iets te vrijzinnig en egoïstisch. Na vijftien jaar huwelijk werd hij verliefd op Marjolein. Zijn motto was: ‘Liefde is geen koek die je moet verdelen. Er is genoeg voor iedereen.’ Jenny was erg boos en verdrietig, maar ze bleven bij elkaar.
De latere jaren
Vlak nadat mijn vader in 1987 met pensioen ging, kreeg hij de ziekte van Parkinson. Hij vergat steeds meer en werd angstig. Woest timmerde hij nog met zijn laatste krachten schilderijen op een mooie antiek kast. Zijn handschrift werd onleesbaar. Hij kon nauwelijks meer voor lange tijd lekker rustig zitten of liggen. Zijn spieren spanden zich aan op elk denkbaar moment. Af en toe waren er zelfs hallucinaties. Medicijnen hielpen maar kortstondig. Mijn moeder kon hem bijna niet meer alleen laten. Gelukkig was Marjolein er nog die in het voorhuis woonde. Mijn moeder kon dan een dag oppassen op de kleinkinderen. En de hulp kon hem af en toe ook even helpen. Op een dag was het mijn beurt. Mijn moeder had me dringend verzocht een avond op te passen. Ze moest naar een bijeenkomst en Marjolein was er niet. Mijn vader wilde me spreken over de Voerman erfstukken en ik moest papier en pen meenemen. Toen ik hem zag in zijn stoel in dat donkere hoekje van de kamer schrok ik. De volle ernst van zijn ziekte was nog niet volledig tot me doordringen. Als we naar het ouderlijk trokken was het altijd met de kinderen en was er vooral plezier en drukte. Mijn moeder zorgde voor mijn vader en na een poosje vertrokken we weer naar ons eigen drukke leventje. Maar nu zat ik ruim drie uur naast hem, dekentje af, dekentje op. Ik kon hem soms nauwelijks meer verstaan maar hij had me wat belangrijks te vertellen. Hij wilde me uitleggen hoe we als zijn kinderen konden omgaan met al die Voerman schilderijen van zijn opa en vader. Voor het eerst besefte ik dat mijn vader met zijn dood en zijn eigen nalatenschap bezig was. Ik kon me niet voorstellen dat hij er niet meer zou zijn. In zijn goede tijd had hij me al als opvolger benoemd als bestuurslid in de Stichting Jan Voerman die het werk van vader en zoon in het Voerman museum te Hattem beheerde. Mijn vader werd al snel moe. Aarzelend spraken we nog wat over mijn werk en zijn kleinkinderen en ik liet de kans liggen om hem zelf te laten vertellen. Daar heb ik spijt van. Het praten over gevoelens met mijn vader was me nooit zo goed afgegaan. Ik leek op mijn moeder en kon bij haar alles kwijt. Er zou geen nieuw gesprek volgen. Ubbo stierf vlak na die avond, in maart 1996, aan het einde van een koude, lange winter. Mijn moeder stierf daarna, op de dag van zijn begrafenis. Ze waren zeer met elkaar verbonden, ondanks de crises die ze ook hadden doorgemaakt.
We hielden een gezamenlijke dienst voor Ubbo en Jennie. De nieuwe directeur van Lyndensteijn, Greet Meihuizen, sprak oprecht over Ubbo: ‘Ubbo had een uitgesproken visie op zijn vak. Hij zag patiëntjes allereerst als kinderen. Ze moesten zo kort mogelijk worden opgenomen en het liefst snel weer thuis zijn, met dagbehandeling. Ubbo was onstuimig, gedreven en soms onstuitbaar. Hij was veeleisend voor anderen en voor zichzelf. Hij kon soms behoorlijk onbenaderbaar zijn en autoritair lijken. Het knappe van Ubbo was dat hij zijn hoofd kon buigen om fouten toe te geven. Wat opviel, was dat hij snel sprak en nog sneller dacht. Hij was anderen vaak een paar gedachtesprongen vooruit.’
Ubbo wilde in Vierhuizen, liggend in de Westpolder, worden begraven, bij zijn Mansholt-voorouders. We gaan er nog regelmatig langs als we op weg zijn naar de boot naar Schiermonnikoog.
Dank, papa Ubbo, voor alles wat je voor me hebt gedaan.
Peter

Helpen bij de bouw van het Schapenhok, Oldeberkoop 1994

Een jonge arts in Lyndensteyn, Beetsterzwaag (1966)





















