Geschiedenis van de machinale Rahder turf b.v.

Mijn over-overgrootouders kwamen aan het einde van de 18e eeuw vanuit het Rijngebied in Duitsland naar Amsterdam en begonnen een handel in wijn onder de naam “Weduwe Rahder”. Er waren genoeg familieleden om het bedrijf draaiende te houden en dus zocht een aantal familieleden een nieuwe uitdaging. Een kans deed zich voor toen halverwege de 19e eeuw, de industrialisatie kwam toen ook in Nederland op gang, een grote behoefte ontstond aan brandstof. De winning van turf werd daardoor zeer winstgevend en veel investeerders kochten grote stukken veengebied in Overijssel, Groningen en Drenthe. J.C. Rahder, zoon van de weduwe Rahder, was één van hen. Een avontuur om in het onontgonnen Drenthe een nieuw bedrijf te beginnen was aantrekkelijk. Samen met een paar andere ondernemers uit Amsterdam richtte hij in 1849 ‘de Maatschappij ter exploitatie der Westerborker- en Broekvenen’ op die grond aankocht ten oosten van Hoogeveen. Het bedrijf kreeg vorm, het gebied werd klaargemaakt voor de vervening. Er werden kanalen en vaarten gegraven om de afvoer via Meppel naar het westen te regelen. In 1850 verhuisde Rahder met zijn gezin naar Drenthe en bouwde een huis aan de Middenraai een zijtak van het Hoogeveense kanaal dat vanuit het oosten richting Meppel liep en in 1852 gereed werd gemaakt voor de afvaart van turf. Rahder noemde het huis ‘Huize Nieuweroord’

jc-rahder
J.C. Rahder (1812-1872)

De verhuizing was nog nauwelijks afgerond of Rahder kreeg ruzie met zijn mede investeerders en verliet de Maatschappij. In 1857 ging Rahder met de oud-suikerplanter F. s’Jacob, die hij nog kende uit zijn verblijf in Indonesië, een nieuwe zakenrelatie aan. Opnieuw werden er veengronden aangekocht nu vooral in het Tiendeveen. Omdat Huize Nieuweroord eigendom bleef van de oude firma, liet Rahder in 1856 een nieuw huis bouwen in het nabijgelegen Noordscheschut “Huize Valkheim”. Daar werd drie jaar later mijn overgrootvader Jan Rahder ‘de jonge’ geboren. Ik heb nog een mooi schilderij van het huis dat mijn trotse overgrootvader in die tijd liet maken. Een statig huis aan een rulle zandweg en nu direct aan de Hoogveense vaart. Later kwamen er in Noordscheschut nog twee huizen bij, in 1861 “Huize Blokland” bij de sluis, dat tot 1967 in de familie is gebleven en in 1868 “Huize Veen en dal” ter vervanging van Huize Valkheim dat pastorie werd.

rahderhuis
Huize Valkheim

In dezelfde periode, 1863 om precies te zijn, stichtte Rahder een schooltje in Tiendeveen om de kinderen van de veenarbeiders onderwijs te kunnen bieden. De school heeft nog lang de J.C. Rahder school geheten. Op de veengronden die niet geschikt waren voor turfwinning planten Rahder en vooral s’Jacobs bomen. Het daardoor ontstane bos kende een uitbundige plantenrijkdom met meerdere zeldzame soorten en werd vernoemd naar de suikerrietplantage van s’Jacobs op Java in Nederlands Indië: ‘Kremboong’. In de 2e Wereldoorlog werd het grootste gedeelte van dat bos alweer gekapt in het kader van de werkvoorziening.

VeenNoordDuits1
Afvaart van turf door de Veenkanalen

De vervening in het nog lege Drenthe werd een heftige strijd tussen groepen investeerders onderling en allerlei soorten avonturiers uit alle delen van het land en van nog verder. Wie kocht de beste gronden en waar kwamen de kanalen voor de afvaart. Het Provinciaal bestuur van Drenthe deed er alles aan om de turf uit de veengebieden in het oosten via Hoogeveen en Meppel te laten afvoeren en niet via Dedemsvaart in Overijssel. Zo kon de arme provincie er optimaal aan verdienen. De afzetmogelijkheden van turf werden nog verder vergroot na de aanleg van, achtereenvolgens, de spoorlijn Zwolle-Meppel in 1867 en in 1870 van het traject Meppel-Groningen met ook een station in Hoogeveen liep. Rahder’s zakenpartner s’Jacob, ook bestuurder van de spoorwegmaatschappij, speelde daarbij een slimme rol. Hij deed ook vele pogingen contracten af te sluiten om turf als brandstof te gebruiken voor de stoomtreinen.

Turf moest echter steeds meer concurreren met steenkool uit Limburg. Steenkool brandde langer en dat was een groot voordeel voor de stoommachines in de industrie. J.C. Rahder trok met zijn zonen naar Parijs om daar te leren hoe turf sneller machinaal gewonnen kon worden en verwerkt tot turfbriketten die ook langer konden brandden. De familie Rahder had goede kontakten in Frankrijk vanuit de periode dat ze in wijn handelden. De reizen vanuit Drenthe naar Parijs waren lang en vermoeiend. Met de trekschuit naar Meppel en met de boot over de Zuiderzee naar Amsterdam. Dan even per trein via Haarlem naar Rotterdam. Dan weer met een boot over het Hollands diep en dan met de stoomtrein naar Antwerpen en door naar Parijs. De Rahders sliepen daar in een hotel dichtbij het Gare du Nord. In de Franse veengebieden werd volop geëxperimenteerd met het verhogen van de verbrandingswaarde. Rahder was ook geïnteresseerd in het gas dat in de regio uit turf werd gewonnen en in de plaats Meaux alle huizen van gaslicht voorzag.

In de laatste jaren van de 19e eeuw maakten vader en zonen Rahder de reis verschillende keren. Ze leerden in Frankrijk ook welke soorten veen het meest geschikt waren voor de nieuwe toepassingen. De venen die Rahder verwierf in het Tiendeveen waren in de onderste lagen rijk aan kluin of dargveen en konden eenvoudig geschikt worden gemaakt als brandstof voor de industrie. Rahder zette daarvoor nieuw verworven Franse uitvindingen als de ‘malaxeur’ in die al direct bij de winning het water uit het veen kon persen. In   iedere turf werd de letter –R- van Rahder geperst. Hij kreeg hiermee landelijke bekendheid

De firma Rahder kreeg in 1863 een octrooi om met een stoommachine veen tot “turf van groote digtheid” te gaan maken. Het winnen van turf werd steeds meer een industrie, het maken van duurzame brandstoffen, in plaats van het oorspronkelijke oogsten zoals in de landbouw.

J.C. Rahder stierf in 1872, vlak voordat koning Willem III zijn vernieuwende bedrijf kwam bekijken. Zijn zonen waaronder jonge Jan namen het bedrijf over. Op het hoogtepunt van de turfwinning in 1900 waren de zonen Rahder aanwezig op de wereldexpositie in Parijs met hun producten en machines.

De erven Rahder laten van 1923 tot 1926 door 900 arbeiders met schop en kruiwagen nog een extra kanaal graven. Het loopt vanaf de Verlengde Hoogeveense Vaart zestien kilometer naar de Beilervaart. Het kanaal vernoemen ze naar hun moeder Willemina Petronella Cornelia Van Voorthuijsen. Het Willeminakanaal werd later omgedoopt tot Linthorts Homankanaal en is vanaf 1970 niet meer bevaarbaar.

VeenNoordDuits2
Verveening

De turfwinning verplaatste zich steeds meer naar het grote Barger-Oostveen en het Amsterdamse veld aan de oostgrens met Duitsland. Mijn grootvader Jacob Rahder die zijn vader was opgevolgd als directeur verhuisde met de vervening mee en ging in 1929 in Nieuw Amsterdam wonen. De turfwinning kreeg steeds meer concurrentie van steenkool en later van gas. Verdere innovaties zoals experimenten om met turf gas te maken bleken niet rendabel. Na een opleving aan het einde van de 1e Wereldoorlog toen brandstoffen schaars waren kwam er in 1963 een einde aan de vervening en ook aan de firma Rahder Machinale turf B.V. Een jaar nadat hij zijn 40 jarig directeurschap vierde overleed Jacob Rahder in 1965. Zijn vrouw en dochters verkochten de veengebieden aan plaatselijke boeren die het geschikt maakten voor de land- en akkerbouw.

rahderturfwillemii
Prins Hendrik op bezoek in het veen bij de familie Rahder

Familie geschiedenis in de stad Groningen

StadGroningenDe Stad Groningen speelt een grote rol in mijn familie geschiedenis. In verschillende tijden hebben er familieleden gewoond en geleefd.

Een klein overzicht (zie kaart):

Familie Mansholt (1910-1920)

  • A. Noorderhaven. Huis van Derk Roelfs en Aaltje Mansholt
  • B. Zuiderpark 10E Woning van Ubbo Johan en Grietje Mansholt
  • C. Voerman steen in de gevel

Ubbo en Jennie Voerman – Rahder (1946-1964)

  • 1. Wielewaalflat (daar ben ik geboren)
  • 2. Illigaliteitslaan (Jacob Jan geboren)
  • 4. Rembrand van Rijnstraat (Jan Jaap geboren)

Peter Voerman (1984-86)

  • 3. Guldenstraat (boven wat nu de Rabo bank is
  • 3A. Prinsseseweg 66a (Katinka)
  • 6. Papiermolen zwembad

Jens, Tijs, Jort (met Nienke, Eline en Lenthe vanaf 2005)

  • 4. Taco Mesdagstraat 30
  • 5. Hamburgerstraat 20A

 

Carmen onder de appelboom

Iedere zoon mag eenmaal een ode aan zijn moeder brengen. Dit is de mijne….

In onze familie kent iedere generatie zijn hoogtepunten en tegenslagen. Dat zal in andere families niet anders zijn. Het leven van Jentje Rahder later Voerman kent ze zeker…. Geboren als oudste dochter van Jacob en Femmie uit het verveners geslacht Rahder in Nieuw Amsterdam. Geboren in huize ‘de Tippe’, langs het kanaal waar toen nog dagelijks de schepen doorheen voeren met grote ladingen turf van het Amsterdamse veld op weg naar Hoogeveen en het westen. Ik heb daar als 3 jarig jongentje nog 6 maanden gewoond toen mijn moeder na de geboorte van Jacob Jan in het ziekenhuis lag met bloedvergiftiging. Ik vond het heerlijk om met mijn opa in de turfvelden te lopen, ik ruik nog die heerlijke geur van vers gestoken turf.

Jenny lag dus 6 maanden in het ziekenhuis, en daarmee is al direct 1 van de tegenslagen in haar leven genoemd. Er waren meer tegenslagen maar Jenny zal altijd volhouden dat ze een geweldig leven heeft gehad. Ze was een sterke, positief ingestelde vrouw uit het Drentse veengebied.

Het begon al in de oorlog toen Duitse vliegtuigen regelmatig laag overvlogen en Jenny op weg naar school in Coevorden haar jonge zusjes moest troosten. Haar vader verloor een been in een van de eerste mechanische turfmachines. Het gezin ving die klap manmoedig op.

Jenny kon goed leren en mocht van haar ouders gaan studeren in het verre Groningen. Iets wat voor veel meisjes in de periode vlak na de oorlog bijzonder was. Ze werd er verliefd op Ubbo Voerman een gevoelige en originele kunstenaarszoon uit Blaricum die moeite had met zijn studie geneeskunde. Jenny was een mooie levendige vrouw en werd door haar schoonvader, Jan Voerman Jr. de kunstschilder geschilderd in een mooie romantische pose. Mijn vader noemde dat schilderij ‘Carmen onder de appelboom’.

Carmen onder de appelboom
Jenny Rahder geschilderd door haar schoonvader Jan Voerman Jr.

Na de studie ging Jenny lesgeven en als een van de eerste uit haar vriendinnenclubje werd er getrouwd. In 1957 werd Jan Jaap geboren en vlak na zijn geboorte bleek hij een ernstige erfelijke ziekte hebben. Hij overleed 5 maanden later na een kort leven vol pijn. Ik heb pas echt goed begrepen wat voor impact dat op Jenny’s leven heeft gehad toen ze kort na de dood van Ubbo, daags voor zijn begrafenis vertelde dat ze de begrafenis van Jaap Jaap alleen maar had aangekund met de steun van Ubbo. En Ubbo was er nu niet meer om haar te steunen bij zijn begrafenis.

Na twee gezonde kinderen ging het gezin verhuizen van Groningen naar het kleine Beetsterzwaag omdat Ubbo daar een baan kon krijgen. Jenny, inmiddels een echt stadsmens geworden, paste zich weer aan bij het plattelandsleven en ging lesgeven in Friesland. Na de bloedvergiftiging kwamen er gen biologische kinderen meer maar wel pleegkinderen. Jenny’s hart was groot. En toen in 1974 kwam de zware hartoperatie. De hartklep deed het niet meer zo goed en moest vervangen worden door een exemplaar van plastic. Weer volgden er maanden in het ziekenhuis. Maar Jenny bleef in hoog tempo doorgaan met drukken en volle leven. Ze had een zeer groot netwerk van vrienden, familie, collega’s en ging bij iedereen op bezoek in haar kleine snelle Twingo-tje. Toen de kinderen uit huis gingen en terugkeerden met vriendinnen brak er voor Jenny weer een gelukkige periode aan. Ze werd oma van gezonde kleinkinderen en ze wilde graag oppassen. Nu nog mijmeren onze kinderen van ‘oma van de hertjes’…. En haar Ubbo voegde zich helemaal in de rol van opa!

Op een dag kreeg ze een herseninfarct en kon ze van het ene moment op het andere niet meer praten. Ze had waarschijnlijk haar bloedverdunners vergeten in te nemen. In het ziekenhuis was ze direct weer volop aan het regelen en schreef alles op briefjes: Agenda zit in mijn tas, haal mijn nachtkleding, zeg mijn afspraken af. Ik vond laatst het schriftje terug waarin ze al die boodschappen op had opgeschreven. Op één papiertje stond echter: “Ik houd er mijn moed in, ik huil niet want anders houd ik niet meer op”….

BriefjeJennys

Natuurlijk leerde ze in drie weken weer goed praten en ging zelfs weer lesgeven.

Ubbo werd vlak na zijn pensionering ziek en stierf een paar jaar later toch vrij plotseling. Jenny combineerde nu de zorg- taken en de oma- taken met het houden van schapen en alles wat ze daarvoor ook al deed. Ook na Ubbo’s dood was ze erg flink. Maar ze stierf de ochtend van zijn begrafenis. Had ze haar taak volbracht? We zullen het nooit weten. “Ik leef liever op volle snelheid en ga eerder dood, liever dan me steeds in te moeten houden” zei ze altijd.

 

Vader en zoon schilder

Jan Voerman werd in 1860 als 10e en laatste kind geboren in een groot gezin die al generaties boerden in Kampen. Nog vroeger hadden de Voermannen boerderijen buiten de stad, in het Kamperveen en op verhoogde terpen langs de IJssel maar na de grote watervloed in 1825 bouwden ze hun boerenwoning binnen de stadsmuren. Hendrik Voerman en Geesje Bos, de ouders van Jan woonden als vrije boer rond 1860 aan de Groenstraat 106. Jan was een dromer die vaak werd gepest door zijn schoolgenoten. Toen hij 2e klas van de lagere school zat werd hij bevriend met Willem Bastiaan Tholen zoon van een schilder. Hij kwam graag bij zijn vriend thuis en voelde zich erg thuis in het kunstenaarsgezin. Willem houdt juist van de zoete geur van de koeien in het achterhuis bij Jan.

Samen met Willem gaat Jan naar tekenles en later naar de stadstekenschool. De jongens hebben talent. Leerraar J.D. Belmers ziet het en met financiële steun van Jan’s oom Aalt mag hij gaan studeren in de grote stad. De vrienden gaan naar de Rijksacademie in Amsterdam. Jan Voerman heeft in zijn verdere opleiding ook schilderlessen gevolgd bij Verlat in Antwerpen waar later ook Vincent van Gogh nog werkte.

Zijn studietijd en latere leven als kunstenaar is goed beschreven in boeken van Anna Wagner en Leo Boudewijns (met Henk van Ulsen).

In zijn studietijd heeft Jan portretten gemaakt en stadsgezichten in de Joodse Jordaan. Maar al snel ging hij met studienoten als Israëls, Tholen en Meinders weer terug naar zijn geliefde IJssel. In de zomer van 1988 trek hij daar dan rond met zijn leerling Jan Verkade. Jan Verkade huurt een huis in het schilderachtige Hattem. Jan Voerman, inmiddels getrouwd met Jan’s zuster Anna, volgt zijn zwager in 1989 en huurt een kamer boven logement Blom (het huidige Wapen van Hattem) aan de markt. Daar wordt in 1890 hun eerste kind geboren, mijn op Jan Voerman Jr.

Het jonge kunstenaarsgezin leeft er de eerste jaren in armoede. De eigenzinnige stijl van het impressionisme is dan nog niet populair. Het tafelzilver wordt verkocht om de huur te betalen. Als hij bloemen in een vaas, meegebracht door zijn leerling Auguste Obreen, gaat schilderen verkoopt Jan zijn eerste werk. De pot ‘Augustine’ komt in veel van zijn beginwerk voor, ook in het schilderij Pot met Azalea’s dat bekend is geworden als voorkant van het boek “Knielen op een bed violen” van Jan Siebelink.

Als Jan Verkade weer teruggaat naar Parijs, waar hij eerder met “de Nabis” schilderde, een groep schilders rond Paul Gaughin schenkt hij zijn huis in de Kerkstraat, met een plechtig document aan het gezin van zijn zus en zwager. In mooie licht in het nieuwe huis gaat Jan steeds vaker landschappen schilderen. Uit het ‘grijze boek’, waarin Anna de verkoop van het werk van haar man bijhoudt, blijkt dat er in 1892 voor maar liefst 2350 gulden is verkocht.

In 1895 koopt Jan 5000 stenen en wat kozijnen bij de afbraak van een oud huis in Dalfsen. Hij bouwt er zijn eerste huis mee op een stukje grond dat hij kocht aan de Gelderse Dijk. Een prachtig uitzicht op de IJssel en de stad Hattem. De komende jaren bouwt hij er een hele rij ateliers en huizen bij allen verbonden door een prachtige achtertuin. Jan schept zijn eigen paradijs aan de IJssel zoals hij het noemt. Met koeien en kleinvee, hij is immers een boerenzoon, maar ook met fruitbomen, groenten en prachtige rozen om te schilderen.

Na Jan Jr. komen er nog meer kinderen. Eerst Tijs en dochter Edu. Daarna nog Wim en Paul. Tijs heeft vanaf 1895 een dagboek bijgehouden. Na de eerste prachtige jaren in de huizen aan de Gelderse dijk kent het ‘paradijs’ langzamerhand ook zijn nadelen voor de kinderen. Ze worden erg beschermd opgevoed en hebben weinig kontakten in het dorp. Jan Jr. krijgt een schilderkist cadeau en voelt de opdracht om ook schilder te worden. Hij tekent dan al veel in zijn schoolschriften, vooral dingen uit de natuur zoals bloemen, vogels en insecten. Hij tekent kalenders voor zijn opa Eric Verkade en vanaf zijn 16e werkt hij mee aan het tekenen van de plaatjes voor de Verkade albums. Het eerste album in een grote reeks is ‘Lente’ uit 1906.

Het is de start van een kunstenaarsbestaan voor Jan Jr. Hij volgt ook lessen aan de academie in Amsterdam. Jan Jr. werkt veel in opdracht en wordt, vooral in zijn eigen ogen, nooit de kunstenaar die zijn vader was. Het boek dat over hem is geschreven heet dan ook: “Jan Voerman Jr. uit de schaduw van de IJsselschilder”.

In het Voerman museum te Hattem is het werk van vader en zoon Voerman te zien.

janvoermanjr2
Jan Voerman Jr. in zijn atelier in Blaricum 1970

Reizen rond 1900

Juni 1884 opende de eerste spoorlijn van Groningen richting Delfzijl. En vanaf 1897 tot 1922 reed er een paardentram van Winsum naar Ulrum.

Voor die tijd moesten reizigers naar Noord Groningen gebruik maken van de trekschuit of de koets. De oudste kleindochter van Henrika Dijkhuis – Beukema (1810-1876) beschrijft haar reizen omstreeks 1860 van Nieuwe Schans naar Zuurdijk waar haar grootouders woonden in de boerenhoeve “Midhuizen”. Eerst per ‘barge’, een kruising tussen een trekschuit en een stoomboot van Zuidhorn naar de stad Groningen. Haar vader was daar gedeputeerde des Konings en moest vaak in de stad vergaderen. Dan vanaf de stad per paard en wagen richting Winsum en Zuurdijk.

Mijn eigen oma Hetty Voerman-Mansholt beschrijft haar reizen in 1904 van de stad Groningen naar de Westpolder waar haar grootouders woonden in de boerderij Torum. Ze ging dan eerst met het spoor naar Winsum en daar stond de paardentram naar Ulrum al gereed. Het moeilijkste stukje was al het begin als de tram over een hoge brug over het Winsumerdiep getrokken moest worden. Er werd daartoe een extra paard voorgespannen.

Mijn oma mocht of moest de reis al vanaf 7 jarige leeftijd alleen maken. Ze maakte de overstap in Winsum en werd vanaf Ulrum met paard en wagen opgehaald. Daarna moest ze zelf een uurtje lopen vanaf Ulrum naar ‘Torum’ in de Westerpolder. Vanaf Vierhuizen liep ze de polder in waar bijna alle boerderijen werden bewoond door familie, Mansholten, Zijlma’s of Dijkhuizen.

Anna Voerman – Verkade

Mijn overgrootmoeder in foto’s van meisje tot echtgenoot van de schilder Jan Voerman Sr. en moeder van 5 kinderen waaronder mijn opa Jan Voerman Jr.

Maar vooral een belezen, intelligente vrouw die velen in Hattem heeft geholpen. Ze had klasjes voor kinderen die geen goede opleiding kregen en gaf voorlichting over hygiëne aan vrouwen uit kansarme gezinnen.  Een maatschappelijk werkster avant la lettre. Ook zij kreeg (net als haar man een paar jaar later) een groot artikel op voorpagina van de plaatselijke krant de “Homoet”

De oma’s van mijn oma

Mijn oma Hetty Voerman – Mansholt (1898-1988) heeft verhalen geschreven over haar eigen oma’s. Ze beschreef de lijn van de boerenvrouwen die opgroeiden op de grote herenboerderijen in de Groningse Marne. De Marne is een gebied in het Noordwesten van Groningen ingeklemd tussen de Waddenzee, Lauwersmeer en het Reitdiep. Eeuwenlang hebben de mensen hier gewoond op terpen en de streek is meermalen overstroomd. De bewoners bouwden dan weer dijken die ook weer werden weggespoeld. De voorouders van mijn oma woonden op een van de oudste terpen in het gebied “De Ewer” in het kerspel Zuurdijk. En bij de waddendijk in het kerspel Vierhuizen. Waar de boerden langzamerhand meer waddenland indijkten waardoor de Westpolder ontstond.

HettyVoerman

De eerste grootmoeder heette Henderika Dijkhuis – Beukema (1810-1876) en ze woonde op de grote boerderij Midhuizen in Vierhuizen. Ze was getrouwd met Willem Lammerts Dijkhuis (1804-1893) die als grote boer ook gedeputeerde werd van de Provincie Groningen. Dochter Aaltje Willems Dijkhuis trouwde in 1855 met Harmannus Fransens Tonkes en kreeg twee dochters waaronder Henderika Leopold – Tonkes die later verhalen schreef over haar grootmoeder. Na de dood van haar eerste man trouwde Aaltje Dijkhuis met Derk Roelfs Mansholt en hun eerste zoon Ubbo Johan Mansholt (1869-1911) de vader van mijn oma Hetty Mansholt. Derk Roelfs ging later met zijn gezin vanuit Meeden wonen in de boerderij “Torum” in de Westpolder vlakbij de boerderij waar zijn vrouw was geboren.

HenderikaRijpkesBeukema
Henderika Rijpkes Beukema portret in olieverf door Jan Hendrik Kievit de Jonge (1862)

Kleindochter Henderika herinnert zich de mooie tochten vanuit Nieuweschans in Oost Groningen met de trekschuit (een barge, een soort kruising tussen een trekschuit en een stoomboot) naar Groningen. Na een paar dagen in de stad ging het met paard en wagen via de Boteringepoort, Adorp, Sauwerd en Winsum richting Vierhuizen. Ze heeft mooie beelden van de boerderij Midhuizen waar haar ‘grootmoe’ het rustig middelpunt was. Het ritme op de boerderij was elke dag hetzelfde. Koeien melken vanaf 5 uur in de ochtend dus moest het eten voor de knechten om 4 uur klaar staan. Daarna had grootmoe tijd om te lezen. vooral uit tijdschriften over kerkelijke kwesties. Het modernisme in de protestantse kerk bepleit door Meyboom, Hofstede en de Groot. En dan weer melken, karnen, hooien. Als de ‘wip’ (een soort vlag) werd gehesen was dat een teken voor de boeren en de knechten in het land dat het eten klaar stond.

De andere grootmoeder was Hilje Hopma (1800-1878). Ze groeide op in de Frranse tijd waarin op school franse lessen werden gegeven. In het jaar dat Napoleon bij waterloo definitief werd verslagen deed Hilje belijdenis. Ze kreeg op die dag een groen fluwelen beugel tas met zilveren beugel en daarin de letters H.H. 1815.

Hilje, een tenger maar gezond meisje, trouwde met de herenboer Hendrik J. Zijlma die in het huis te Ewer bij Zuurdijk was geboren. Het jonge stel ging wonen in de boerderij het “Ganzehoes” een paar honderd meter naar het westen aan de rand van het kerspel Zuurdijk. Later verhuisde het gezin weer naar Huize te Ewer. Een gevelsteen laat zien dat het huis in 1844 grondig werd verbouwd door Hilje en haar man. In die jaren woonden rondom Zuurdijk misschien wel de rijkste boeren van het land. Ze hadden grote boerderijen en veel landerijen. Het was prachtig wonen op het Hogeland met bloeiende akkers onder hoge wolkenluchten. Af en toe was er nog een storm en liep het land onder water, zeker in de jaren na ‘het jaar zonder zomer’ maar de kust werd steeds beter bedijkt. Hilje kreeg 8 kinderen waar er 6 van bleven leven. Haar goede gezondheid zorgde ervoor dat ze zelf niet in het kraambed stierf zoals in die periode vaak gebeurde. Twee van haar zoons Geuchien en Jan gingen in de politiek (1e en 2e kamer, en Provinciale Staten) en beschreven de geschiedenis van de Marne.

Ewer

In die jaren waren er door het slechte weer en aardappelziektes veel misoogsten en dat zorgde voor honger en onrust bij de arbeiders. Veel arbeiders immigreerden in die tijd naar de Verenigde Staten.

Henriette Zijlma was het derde kind van Hilje en Jan en werd geboren op 13 mei 1828 (1828-1913). Henriette had een zwakke gezondheid en moest worden ontzien. Misschien mede daardoor werd ze vrij bazig, zeker voor haar jongere zusjes. Haar bijnaam was “Ka”.

Ze trouwde in 1852 met Stephanus Louwes uit Leek. Ook zij gingen eerst in het Ganzehoes wonen en later op Ewer. Henriette was net als haar moeder een goed opgeleide en belezen vrouw. Vrouwen kregen in Noord Groningen de ruimte van hun mannen om zelf eigen keuzes te maken. Ook waar het ‘t aantal kinderen betrof. De mannen hielden hun vrouwen ‘in ere’ zodat ze niet hun leven lang zwanger waren.

Grietje Louwes (1867-1946) was het zevende kind. Op school was ze een matige leerlinge en ze kreeg een strenge opvoeding die in die tijd ‘gewoon’ was. Ze zat vaak niet lekker in haar vel. Haar huwelijk met de knappe boerenzoon Ubbo Mansholt uit Vierhuizen was de beste tijd in haar leven. Ze kregen twee dochters waarvan Hetty (mijn oma) de oudste was. Ubbo werd na een studie in Wageningen landbouwkundig ingenieur. Samen met zijn broer en vader Derk Mansholt bekwaamden ze zich in het verbeteren en veredelen van graansoorten en andere gewassen zodat ze minder gevoelig waren voor ziektes. Ze wonnen er vele prijzen mee en Ubbo ging zelfs op reis naar Canada om zijn kennis te delen. Het gezin ging in 1904 in Groningen wonen waar Ubbo in de nieuwe wijk ‘het Zuiderpark’ net buiten de Stadspoorten een Jugendstil huis liet bouwen.

Helaas werd hij tijdens die reis naar Canada ziek en overleed op jonge leeftijd. Grietje stond alleen voor de opvoeding van twee jonge dochters.

Grietje Mansholt - Louwes

Sporen in het Oldambt van de familie Mansholt en in Westerwolde van de familie Koning

In 1865 vertrok mijn over-overgrootmoeder Eduarda Verkade-Koning vanuit Wedde naar het westen en een jaar later in 1866 kwam mijn over-over grootvader wonen in Eexta. Ze liepen elkaar net mis. Jaren later in 1923 werden de families weer verbonden toen mijn opa Jan Voerman (kleinzoon van Eduarda Thalia Verkade) en Henriette Mansholt (kleindochter van Derk Roelfs) trouwden.

In het Oldambt is nog veel van deze families te vinden.

In 1866 verhuisde Ubbo Jansen Mansoholt dus met zijn hele gezin vanuit een klein boeren gehucht in het Duitse Lauwers gebied Ditzzumer Hammrich naar een herenboerderij Vogelzang in het Oost Groningse Eexta. Zoon Derk Roelfs trouwde 3 jaar later met Aaltje Dijkhuis en ging wonen in Meeden. Aan de Hereweg in het dorp Meeden staat een aantal grote boerderijen. De meeste zijn van het Oldambster type, waarbij het voorhuis en de schuur onder eenzelfde daklijn in elkaars verlengde liggen. In de tweede helft van de negentiende eeuw, de bloeiperiode van de Groninger landbouw, werd het voorhuis van veel boerderijen vervangen door een imposante villa.

In de boerderij ontving Derk Roelfs (Herenweg nr. 216) voor hert eerst de schrijver Eduard Douwes Dekker (beter bekend onder zijn pseudoniem Multatuli). In 1882 verhuist het gezin van Derk Roelfs en Aaltje naar de Westpolder (boerderij ‘Torum’).

Meeden

Op het oude kerkhofje van Eexta (nu Scheemda) zijn nog de graven te vinden van Ubbo Jansen Mansholt en zijn vrouw Tettje Jochums.

Eextakerkhof2

Even voorbij Eexta ligt Heligerlee waar Oranje de eerste overwinning boekte op de Spanjaarden in de 80 jarige oorlog. En nog weer een paar kilometer verderop ligt de Burcht in Wedde die in diezelfde oorlog ook een belangrijke rol speelde.

Notaris Johannes Sixtus Koning te Bellingwolde kocht die burcht in 1829 voor f.6.800,00 en liet de gevangentoren en een deel van het schathuis afbreken waardoor er meer ruimte ontstond. In de burcht woonde Notaris Koning met zijn vrouw Anna Roessingh en in 1841 werd daar hun dochters Eduarda Thalia geboren die later in 1865 zou trouwen met Ericus Verkade.

Toen Anna, Annetje, Verkade ze ongeveer 7 jaar oud was, en net erg ziek was geweest, ging ze samen met haar moeder Eduarda (Edu) naar Wedde om op krachten te komen. De reis ging via Dedemsvaart over de grens naar Duitsland en toen met paard en wagen terug naar Wedde. Anna had er de tijd van haar leven bij de tantes Thalia en Dientje die in het huis bij de poort woonden. De kleine Anna en haar moeder bloeiden op in het frisse groene landschap van Westerwolde. Na dit eerste jaar mocht Anna iedere zomer alleen de reis maken en logeren op de Borg. Jaren later sprak ze nog over deze jeugdherinneringen en al haar kinderen kwamen ook naar de Borg.

(Bron: Neuriën door Hetty Voerman – Mansholt).

web

Op het kerkhof in Wedde zijn nog de graven te vinden van de families Koning en Roessingh.

BurchtWedde03

Boeken over Verkade

Verkade behoort tot ons nationaal erfgoed. Mede dankzij de prachtige Verkade albums, de allereerste vorm van grootschalige product reclame, werd het een beroemd merk. Aan de familie zijn ook verwant De Ruyter (de naam van de eerste Verkade fabriek in Zaanstad), Duyvis (als er een fuif is) en Morris (beide aangetrouwde familie) en Van Gorcum (papierfabrikant).

Van de kinderen van Ericus Verkade, de grondlegger van het bedrijf en Thalia Koning werden er vele ook bekend: Anna trouwde dus met de schilder Jan Voerman (mijn overgrootouders), Ericus jr, Arnold en Anton werden directeur bij Verkade, Jan werd schilder bij de ‘Nabis’ en later pater, Truida trouwde met Morris Fowler (die in Engeland het patent van waxine lichtjes had en die Verkade later in Nederland ging verkopen) en Eduard werd een bekend toneelspeler.

Over Verkade en de kinderen Verkade zijn in de loop der tijd een aantal boeken verschenen waarin veel te lezen is over het ontstaan van de Verkade fabrieken en het leven van de Verkade’s. Een mooi inkijkje in de geschiedenis van mijn voorouders die als kinderen zelfs nog op de Burcht in Wedde logeerden het geboortehuis van hun moeder Thalia Koning.

verkadestamboom2

Verkadetheelichtjes.jpg
Een reclame getekend door mijn opa voor de waxine lichtjes