De jeugd van Derk Roelfs Mansholt (1842-1921) in het Reiderland

Het is 29 maart 1842, een bewolkte en kille dag, als Derk Roelfs Mansholt wordt geboren. Zijn wieg staat in Noord-Duitsland, het vruchtbare en open gebied waar de Eems uitmondt in de Dollard en dat het Reiderland wordt genoemd. Het is een landschap dat veel lijkt op de uitgestrekte polders van het Groninger land. Zijn ouders Ubbo en Tettje wonen op een boerderij in Ditzumerhamrich, op nummer veertien. 

Inwoners van Oost-Groningen en de mensen die in het gebied rond de Eems wonen, zoals Ubbo en Tettje spreken min of meer hetzelfde dialect. De landsgrens vormde een formele scheidslijn, maar meer was het niet. Eigenlijk bestond Duitsland nog niet als natie. Het was een allegaartje van vorstendommen waarin min of meer dezelfde taal werd gesproken. Van eenheid als natie was nog nauwelijks sprake.

Jonge jaren tussen graan en slik’

Derk blijkt een bijzondere jongen te zijn. Hij is slim, ondernemend en creatief. Dat we zoveel van hem weten hebben we te danken aan het feit dat hij zelf zijn jeugdherinneringen heeft beschreven. Aanleiding daarvoor was zijn veertigjarig huwelijksfeest in 1909. Hij wilde zijn inmiddels uitgebreide familie graag laten weten uit wat voor nest hij kwam en in wat voor omgeving zijn wortels lagen.

Bineke Mansholt en Eliza Gussenhoven-Mansholt, twee van zijn achterkleinkinderen, hebben zijn teksten verwerkt in een boek onder de titel: ‘Jonge jaren tussen graan en slik.’ Het leert ons veel over de omgeving waarin hij opgroeide en over zijn denkbeelden die van hem een Groninger boer maakte met een grote maatschappelijke betrokkenheid. Met zijn denkbeelden heeft Derk de kiem gelegd voor de loopbaan van zijn kleinzoon Sicco Mansholt die zich ontwikkelde tot een politicus van nationale en later zelfs internationale allure.

Winter

In de wintertijd hoopte Derk op ijs om te kunnen schaatsen. Het was een van zijn favoriete sporten. Jammer genoeg voor hem kwamen strenge winters met een langdurige vorstperiode niet zo vaak voor. Over het algemeen waren de winters nat en guur, met storm, regen of natte sneeuw, allemaal onder invloed van het zeeklimaat. Buiten viel er dan niet veel te genieten, maar binnen wel.

Na het avondeten deden ze spelletjes als kaarten en schaken. Met veel plezier maakten ze ook samen muziek. De grote drijvende kracht hierachter was zijn vader die graag met anderen meerstemmige liederen zong, vooral psalmen en gezangen. Derk vond het prachtig. Hij kreeg fluitles en later pianoles. Het maakte hem tot een verdienstelijk pianist.

Zijn vader en moeder hadden bovendien veel boeken waarin hij zich kon verliezen. Dat was best wel bijzonder en een geluk voor Derk. De meeste boeren lazen hooguit de bijbel en wat vaktijdschriften. De boeken van thuis lieten hem een wereld zien die groter was dan de geïsoleerde streek rond zijn ouderlijke boerderij. Het droeg bij aan zijn kennis en maatschappelijke betrokkenheid.

Dit is een fragment uit boek “Uit Zeeklei gebakken”, over de familie Mansholt: generaties van nuchtere boeren en wereldverbeteraars. Het boek is geschreven door Kees Opmeer en het is hier te bestellen.

De pacht boerderij van Ubbo en Tetje Mansholt in Ditzumerhamrich

Foto van de kolk, waarschijnlijk genomen rond 1910 toen Derk Roelfs terugkeerde naar zijn geboortehuis. Hij merkte op dat de ko0lk toen al deels was dichtgegroeid.

De huidige kust van het Reiderland aan de Dollard

Hattem als kunstenaarsstad

Wie aan Hattem denkt, denkt allereerst aan de uiterwaarden langs de rivier de IJssel. Maar er is meer; de oude stadswallen, de Dijkpoort, de schilderachtige straatjes, de bossen bij Molecaten met zijn oude eiken en beuken.

Hattem kreeg rond 1900 steeds meer een bijzondere aantrekkingskracht op kunstenaars. Schrijversvrienden van mijn overgrootvader Jan Voerman Sr. uit zijn Amsterdamse tijd, als Henriëtte Roland Holst, Bas Tholen, Piet Meiners en Frederik van Eeden, zochten ook hun toevlucht tot het stadje aan de IJssel; enthousiast gemaakt door de verhalen van de kunstenaars die er al woonden. Het paste ook bij de tijdgeest, weg van de drukte van de stad, op zoek naar de eenvoud van het leven op het platteland waarin de natuur nog een grote rol speelde. Het was ook niet verkeerd om in Hattem te gaan wonen. De historie van het stadje was zichtbaar in de stadwallen, poorten en de fraaie, eeuwenoude woonhuizen. De omgeving was betoverend met de brede rivier die door het laagland stroomde, omringd door de hoger gelegen bossen en de heide. En niet onbelangrijk: in logement Blom kon je voor weinig geld prima onderdak vinden.

Henriëtte Roland Holst leverde een belangrijke bijdrage aan de populariteit van Hattem. Alsof ze meewerkte aan een toeristische folder schreef ze:

…De stad was in hooge mate schilderachtig en dan de unieke ligging! Van de wallen af had men uitzicht over de haast onafzienbare meent, die zich tot aan de IJssel uitstrekte en waar honderden koeien graasden. Ja, Voerman wist wel wat hij deed, toen hij daar heen toog. Wie boschgezichten wilde schilderen, kon op het prachtige ‘Molecaten’, dat in de buurt lag, de heerlijkste oude beuken en eiken vinden, en den kant naar Heerde uit lag de grijze hei met schapen en den herder, zooals geen Mauve ze karakteristieker kon verlangen. Als men aan ’t einde van den  middag, moe, hongerig en dorstig thuiskwam, wachtte de wel voorziene tafel in Hotel Blom…

Zoals gebruikelijk zochten de jonge kunstenaars elkaar op om over de nieuwe tijdgeest te discussiëren en elkaar te inspireren met nieuwe ideeën. Hattem ontwikkelde zich zo tot een kunstenaarskolonie die vergelijkbaar was met Bergen in Noord-Holland, met Hotel Blom als levendig middelpunt. Later logeerden er ook kunstenaars in ‘T Velthuis.

Op een gegeven moment werd het mijn overgrootvader te gek. Het had zeker voordelen om met gelijkgestemden op te trekken, maar het moest niet te druk worden. Schilderen vond hij  belangrijker dan praten. Op een dag riep hij geïrriteerd uit dat hij naar Amerika zou vertrekken, als het nog drukker werd in Hattem. Gelukkig is dat er niet van gekomen.

Dit is een fragment uit het boek “Gevangen in een Paradijs”, over de kunstschilders, vader en zoon Jan Voerman. Geschreven door Kees Opmeer. Het boek is hier nog te koop.

Hattem aan de IJssel, door Jan Voerman Sr.

Jan Verkade wordt lid van kunstenaarsgroep “Les Nabis”

Jan Verkade (1868-1946) was een bijzondere man. Als lid van de familie Verkade speelde hij, zoals meer familieleden, een belangrijke rol in het leven van zowel Jan Voerman sr. als mijn opa Jan Voerman jr.

Net als mijn overgrootvader had hij maar één droom: kunstenaar worden. Maar om die droom werkelijkheid te laten worden volgde hij een ander pad dan mijn overgrootvader. Na de schilderlessen van onder andere zijn zwager en een tweejarig verblijf in Hattem, vond hij het tijd voor een volgende stap. Hij wilde naar Parijs, de stad van het opkomend impressionisme. Daar moest je zijn als jonge kunstenaar. Jan had het geluk dat zijn ouders het ook een goed idee vonden, maar om een andere reden. Ze vonden het maar niets dat hij in Hattem was gaan wonen, ver van de beschaafde wereld.

Toen hij na de barre winter tijdelijk naar zijn ouderlijk huis terugkwam, viel het zijn vader en moeder op dat hij zich ‘boerser’ was gaan gedragen. Zijn taalgebruik, doorspekt met krachttermen, paste niet bij een welopgevoede zoon. Zijn keurige uiterlijk begon hij te verwaarlozen. Dochter Anne was daar blijkbaar minder vatbaar voor, afgezien van het feit dat ze als getrouwde vrouw niet veel keus had als het om haar woonplaats ging.

Jan vertrok naar Parijs met een aanbevelingsbrief op zak van de schilder Jacob Meijer de Haan, een goede bekende van mijn overgrootvader. Meijer de Haan behoorde tot ‘Les Nabis’, letterlijk: de profeten, een club van impressionistische kunstenaars rond Paul Gauguin. Profeten van een nieuw program van leven, denken en kunst beoefenen, zoals mijn oma Hetty het omschreef.

‘Les Nabis’ was een genootschap van jonge schilders met een missie. Ze wilden  niet de werkelijkheid weergeven, zoals we die om ons heen zagen, maar een eigen impressie van de werkelijkheid laten zien. In zuivere kleuren moest een doek de natuur verbeelden, zoals de schilder die zag. Jan Verkade was een groot aanhanger van deze filosofie, maar ook mijn overgrootvader was daar in die tijd gevoelig voor. Elke maand kwamen de kunstenaars bij elkaar in het nog steeds bestaande restaurant l’Os à Moelle om vol passie over hun werk te praten, te luisteren naar hun grote voorbeeld Gaugin en tussendoor van het leven te genieten.

De brief die Jan Verkade op zak had, deed zijn werk. Al op de avond van de dag van aankomst werd Jan uitgenodigd door Meijer de Haan voor een etentje in een klein restaurant aan de Rue de la Grande Chaumière, vlakbij de kunstacademie. Tot grote opwinding van Jan was de grote meester Paul Gauguin ook aanwezig, een schilder die Jan altijd zou blijven bewonderen. Hij herkende hem direct. Gauguin vertrok al weer snel, maar Jan was verguld met deze ontmoeting.

Later schreef Jan over dit etentje:

…De kunstenaar maakte de indruk van een man van een jaar of vijftig, die moeilijke tijden achter den rug had, maar het lot steeds met moed trotseerde. Hij had lang zwart haar, dat tot ver op zijn voorhoofd groeide, en een korten dunnen baard, die echter den vastberaden mond met dikke lippen en het grootste deel van zijn geelbruine wangen onbedekt liet. Aan zijn oogen vielen de groote oogleden op, die aan zijn gelaat een woeste uitdrukking gaven; de fiere adelaarsneus wischte evenwel dezen indruk eenigszins uit en gaf scherpzinnigheid en energie te kennen. Ik werd aan Gaugin en aan de andere stamgasten, voor het grootste deel buitenlandsche kunstenaars, voorgesteld. Gauguin was erg stil en stond weldra op. Toen hij weg was sprak De Haan nog lang over diens kunst…

Kort daarna ontmoette Jan een ander vooraanstaand lid en medeoprichter van ‘Les Nabis’, Paul Sérusier. Ze bleken het goed met elkaar te kunnen vinden. Zo goed dat er al snel een hechte vriendschap ontstond. Dankzij die vriendschap werd Jan als volwaardig lid opgenomen in ‘Les Nabis.’ Hij mocht deelnemen aan de etentjes in  het restaurant en aan de bijeenkomsten in het atelier van de jong overleden schilder Paul Ranson in de kunstenaarswijk Montparnasse, waar ze elkaar elke zaterdagmiddag ontmoetten.

Jan ging met nieuw elan aan het schilderen. De andere leden van het genootschap  noemden hem le nabi obéliscal. Het was een gewoonte onder ‘Les Nabis’ om hun leden bijnamen te geven. Jan kreeg deze bijnaam, obelisk of gedenknaald, vanwege zijn lange en magere postuur.  Meijer de Haan kreeg bijvoorbeeld de bijnaam le nabis hollandais en Sérusier werd le nabi à la barbe rutilante genoemd dat zoiets betekent als le nabi met de fel rode baard. Wie een portret van hem ziet, begrijpt wel waarom. Overigens droegen bijna alle leden de ‘Nabis’ een baard. Met bonzend hart legde Jan Verkade zijn werk op een dag voor aan Sérusier en Gauguin. Het oordeel van deze meesters betekende veel voor hen. Tot zijn grote opluchting liet Gauguin zijn tevredenheid blijken. Maar Gauguin zou Gauguin niet zijn als hij ook niet een kanttekening liet horen. Geheel in navolging van het gedachtengoed van ‘Les Nabis’ gaf hij Jan een goed bedoelde waarschuwing. Hij moest zich niet laat verleiden om de werkelijkheid na te bootsen. Slaafse navolging van de werkelijkheid was in de ogen van Gauguin het slechtste wat een schilder kon doen. In de kunst ging het om eenvoud en puurheid. Jan zoog de woorden in zich op.

Dit is een fragment uit het boek “Gevangen in een paradijs” over het kleven van de kunstschilders, vader en zoon Jan Voerman. Het boek is geschreven door Kees Opmeer op basis van het familiearchief Voerman/ Verkade. Het boek is hier te koop.

Jan Verkade als monnik Dom Willibrord

Zelfportret van Jan Verkade (1891-1894)

Oorlogsjaren in Blaricum

In het familiearchief zat ook een blauwe map met spulletjes die mijn oma (Hetty Voerman-Mansholt) in de oorlogsjaren had verzameld. Het mapje was door mijn vader gemaakt. Het waren, net als voor iedereen, spannende en lastige jaren voor het gezin Voerman. Mijn opa de kunstschilder Jan Voerman Jr. had geen werk en dus geen inkomsten meer maar er was zo nu en dan een bijdrage in bonnen of voedsel vanuit de familie Verkade. In de hongerwinter trok Jan Voerman Jr. er met zijn fiets op uit om aardappelen of anders voedsel te bemachtigen bij boerderijen in Noord Holland. Daar boerde ook de familie Mansholt. Soms nam Jan Jr. zijn tweeling zonen Ubbo (mijn vader) en Jan mee. Dochter Anneke was 12 jaar en had een zwakke gezondheid. In het mapje zit een bon voor een extra schoolmaaltijd. Mijn vader zou in die laatste oorlogsjaren nog kinderpolio oplopen.

Verder zitten er foto’s in van het Koningshuis, voedselbonnen, een persoonsbewijs van mijn oma, een boekje met tips voor het behouden van een goede gezondheid, een schaartje, potlood, en kaarten waarop mijn  oma nauwgezet de vordering van de geallieerden bijhield. De kaarten zijn van Frankrijk, Italië en het oostfront.

Op een briefje schreef mijn oma na de oorlog een korte uitleg:

Op deze kaarten  hield ik de frontlinie bij toen de terugtocht van de duitsers was begonnen. Elk Duits bulletin luidde: Wir ziehen zuruck nach Plan”. Wat duur4de het lang!!! Maar we kregen weer hoop. H.V.M.

Het boekje was vast goed verborgen tijdens die oorlogsjaren. Voor de tweeling Jan en Ubbo waren het spannende jaren. Ze groeven een vluchthol in de tuin waar ze allerlei spullen in hadden verschopt zoals wat houdbaar voedsel en een knijpkat. Misschien was die schuilplaats oom bedoelt voor de joodse onderduikers die een paar maanden bij de Voermannen in huis zaten. Ook van hun zaten er wat documenten in het mapje.

Aan het werk voor het Verkadealbum ‘Langs de Zuiderzee’ uit 1914

In 1913, na afloop van de cursus aan de Rijks Academie der kunsten in Amsterdam, keerde Jan Voerman Jr. terug naar Hattem. Hij moest dringend aan de slag met een nieuw album ‘Langs de Zuiderzee.’ Een van de andere illustratoren, Jan van Oort, was overleden. Edzard Koning, van de familie Koning uit Wedde in Groningen en achterneef van Jan, nam een deel van het werk over. Hij woonde niet ver van de familie Voerman vandaan, in Nunspeet, en stond bekend als een uitstekend landschapsschilder.

Het nieuwe album werd een echt ‘wandelboek,’ dat in 1914 uitkwam. Wandelen of fietsen van Stavoren over Lemmer, Vollenhove en zo verder langs de kust tot Enkhuizen. Om de illustraties van de oude stadjes en omgeving te kunnen maken moest mijn opa ook de fiets pakken, zoals Hetty beschreef:

…Jan had nu zijn schilder materiaal in kleine rieten mandjes achter op de bagage drager van zijn fiets, in zijn regenjas zat het al onmisbare kleine fototoestel.

Op zijn donkere krullebol droeg hij een pet, met voorop het jaarinsigne van de A.N.W.B. Zo fietste een echte fietser, die trots was op zijn ‘Wieler Bond’. Op de plaatsen waarvoor hij een opdracht had, werd gefotografeerd en geschetst. Hij kon een eind komen met de trein en bleef ook vaak overnachten in een plaatselijk hotel. Door de technische hulp van de foto’s kon  hij, in Hattem teruggekomen, de plaatjes maken met een zekere exactheid. En toch bleven ze kleurig en gevoelig het beeld weergeven, dat hij gezien  had. Tacozijl, Lemmer, Plaatje 11: Sondeler Leijen in Friesland lijkt helemaal een impressie van het IJssellandschap, zoals hij thuis had leren zien. Kampen, de geboortestad van zijn vader kreeg zes pittige afbeeldingen…

Het fototoestel had hij voor 60 gulden gekocht in Zwolle. Aan de hand van de foto’s kon hij thuis op zijn gemak de vastgelegde beelden nauwkeurig natekenen. In mijn archief bevinden zich nog de glasplaatnegatieven en tekenboekjes vol schetsen van onderwerpen die hij op aangeven van Tijsse heeft gemaakt. In de tekenboekjes schreef hij bij de schetsen de kleuren die hij moest gebruiken.

Dit is een fragment uit boek “Gevangen in een paradijs”, met veel teksten en plaatjes uit het familiearchief en geschreven door door Kees Opmeer. Het boek is hier te koop.

Studie voor een Verkadeplaatje

Foto van glasplaat

Verkadeplaatje “Tacozijl”

De Camera die Jan Voerman Jr. kocht

De gedwongen verkoop van boerderij ‘Torum’ in de Westpolder zorgt voor ruzie binnen de familie Mansholt.

Verontwaardiging

Hetty Mansholt logeerde al geruime tijd meer jaarlijks op haar geliefde Torum bij oom Bert en tante Wabien Mansholt. Toch werd ze opnieuw met Torum geconfronteerd, maar niet op een manier die ze graag  had gewild. In 1921 overleed opa Derk. Wat betekende dit voor Torum waarvan Derk nog steeds eigenaar was? Bert huurde de boerderij al sinds jaar en dag. Hij zag in het overlijden van zijn vader aanleiding de boerderij te kopen. Het was een kapitaal pand met bijgebouwen en vruchtbare grond. Maar Bert had niet voldoende geld om zijn broers en zussen uit te kopen. Diep in zijn hart rekende hij erop dat iedereen Torum in familiebezit wilde houden.

Het bod dat hij deed zorgde voor onbegrip in de familie. Hij wilde niet meer betalen dan 86.000 gulden. Nu lagen de prijzen in die tijd heel anders dan tegenwoordig, maar zelfs voor die tijd was dit een belachelijk laag bedrag. Uit een taxatierapport, dat in die tijd is opgemaakt, worden boerderij en landerijen gewaardeerd op 140.184 gulden.

Willem, die inmiddels directeur van het academisch ziekenhuis in Groningen was, sprak hierover namens de familie zijn verontwaardiging uit. Hiermee zou iedereen tekort worden gedaan, behalve Bert natuurlijk.

Bert vond een hogere prijs onverantwoord in deze eerste moeilijke jaren na de oorlog waarin de economie was ingestort. Daar kwamen zijn socialistische principes bij. Speculatie met grond was onverantwoord, vond hij, in navolging van zijn vader die hij hierbij aanhaalde.

Willem had zijn twijfels of hun vader de laatste jaren nog steeds deze principes over grond als gemeenschappelijk bezit huldigde. Tegen zijn broer haalde hij de woorden aan die Derk ooit had uitgesproken. …Zo lang er geen socialisatie van grond is, heb je te bedenken dat alles wat je te weinig krijgt een cadeau is voor wie het koopt…

In de biografie over Sicco Mansholt (2e zoon van Bert en Wabien) speelt de verkoop van Torum een belangrijke rol. Sicco heeft zijn leven lang getreurd over deze verkoop. In zijn biografie wordt Willem weggezet als een geldwolf. Hij zou Bert en Wabien de boerderij niet gunnen. Hiermee kreeg hij onterecht het stempel van iemand die uit was op eigen belang. Dat is niet de werkelijkheid. Door Hetty weten we dat Willem begaan was met het lot van Hetty en Ada die het zonder hun vader moesten zien te redden met alle financiële narigheid van dien. Met een deel van de opbrengst van Torum zouden Grietje en haar dochters uit de financiële problemen kunnen komen.

Bert en Willem kregen ruzie. Tegen haar zin kreeg Hetty met deze vervelende affaire te maken. Oom Bert had haar namelijk gevraagd om te bemiddelen tussen hem en de rest van de familie. Hij schreef zijn nichtje een emotionele brief waarin hij haar bijna wanhopig om steun smeekte. Waarom juist Hetty? Door alle logeerpartijtjes kende hij haar natuurlijk door en door, wetende dat Hetty een grote bewondering voor hem koesterde. Ze was een slimme, enthousiaste meid die met iedereen in de familie goed kon opschieten. Bovendien was ze de oudste dochter van zijn overleden en alom geliefde broer Ubbo.

Boeldag

Hetty die inmiddels in Den Haag woonde, voelde zich in grote problemen gebracht. Wat moest zij als meisje van 23 jaar met dit onmogelijke verzoek? Het ging om zaken waar ze totaal geen verstand van had. Het betekende ook dat ze tegen haar eigen belang in moest gaan. Ze voelde zich alleen staan en zocht hulp bij haar moeder Grietje en jongere zus Ada Maar Grietje wilde hier niets mee te maken hebben en ontvluchtte deze lastige kwestie door met Ada op vakantie naar Duitsland te vertrekken. Het kwam wel vaker voor dat Grietje haar huis in de villawijk ontvluchtte. Ze voelde zich niet thuis in het drukke leven van de stad waarin ze wegzonk in de anonimiteit en het kleinschalige, dorpse leven miste.

In één van haar notitieblokjes schreef Hetty:

…Hoe graag ik wilde, dit was iets wat ik niet kon oplossen! Ma zat in Duitsland met Ada en vond dat ik mijn boontjes zelf moest doppen. Zij kon het ook niet, maar ze gaf mij geen begrip of medeleven, zoals zo vaak in die jaren. Ik heb oom Bert nooit geantwoord…

Er zat niets anders op dan een boeldag te houden nu de familie niet tot een vergelijk kon komen. Het was buurman Smit die er met de buit vandoor ging. Hij verwierf de opstallen voor 128.000 gulden, gezien het taxatierapport voor een veel te laag bedrag. Het zou nooit meer echt goed komen tussen de twee broers. Ook Sicco was erg teleurgesteld. Hij was graag op Torum als boer aan het werk gegaan.

Bert en Wabien lieten in Glimmen een mooi nieuw huis bouwen, vlakbij de Drentse Aa (Huis ter Aa). Bert en Wabien waren uiteindelijk niet zo rouwig om de verkoop van de boerderij. Ze kregen de tijd om zich voluit op het politieke bestuur te richten. Bert als gedeputeerde van Groningen en Wabien als gemeenteraadslid. En hun kinderen konden in de stad Groningen studeren zonder dat ze in de kost hoefden.

Dit is een fragment uit het boek “Uit Zeeklei gebakken” van Kees Opmeer. Het boek is hier te koop. Ook bij de boekwinkel te bestellen of bij de museumwinkel van Landgoed Verhildersum te Leens.

Taxatierapport van Torum

Jan Voerman Sr. schilder van de IJssel en van koeien

Mijn overgrootvader Jan Voerman Sr. (1857-1941) was de jongste zoon vrije stadsboer Gerrit Voerman uit Kampen. Het ouderlijk huis aan de Achterstraat deed ook dienst als winterstal voor het vee. Als jonge jongen maakte Jan Voerman al tekeningen van het vee, vooral van de koeien. Hij tekende op de papiertjes die om de medicijnen zaten van zijn moeder die vaak ziek was. Later tekende hij ook de paarden. Om te zien hoe de houding was van hun voeten tijdens de draf lag hij op zijn buik in het weiland.

Toen Jan Voerman, na zijn studie in Amsterdam, in Hattem ging wonen hield hij daar, in zijn grote achtertuin, ook kleinvee en zelfs een paar koeien. Op zijn schilderwerk zien we vaak de IJssel onder prachtige wolkenluchten maar er zijn ook vaak koeien en soms paarden te zien. Als kleine jongen vond ik die schilderijen met de koeien, vaak half in het water van de IJssel staand, het allermooist.

Kijk voor meer verhalen uit het privé archief over vader en zoon Jan Voerman in het boek “Gevangen in een paradijs” geschreven door Kees Opmeer. Het is hier te bestellen.

Jan Voerman sr. [1857-1941] De IJssel

Jan Voerman Jr. gaat in 1912 naar de Akademie der Kunsten in Amsterdam

Jan Voerman Jr. (staand geheel links) in 1913 op de Akademie der Kunsten in Amsterdam. De lessen werden gegeven door schilders Marius Monnickendam en Spoor. Jan moest staan terwijl híj dat in zijn eigen atelier nooit deed. Hij moest achteruit kunnen stappen om zijn werk beter te overzien. Hij leerde zo ook om afstand te nemen van wat hij in Hattem had gedaan. Jan kreeg zo de mogelijkheid om te gaan experimenteren.

Net als zijn vader wilde mijn opa Jan Voerman Jr. hij naar de Akademie der Kunsten in de hoofdstad, maar hij wilde niet wachten totdat hij toelatingsexamen kon doen. Hij vond de tijd rijp om het benauwende paradijs in Hattem te verlaten waarvoor hij een haat-liefdeverhouding had ontwikkeld. Hij wilde daar weg, maar hij kon het ook niet missen.

Wat hielp was dat zijn broer Tijs in Amsterdam een baan had gevonden en daar onderdak had gevonden. Tijs woonde in de Marnixstraat, vlakbij het Leidse Plein, waar hij over 2 kamers beschikte, een woonkamer en een kleine slaapkamer. Hij had er geen bezwaar tegen dat Jan bij hem introk. Jan sliep op de divan in de woonkamer.

Begin 1912 had mijn opa de Akademie al aangeschreven om toegelaten te worden, maar hij kreeg pas antwoord op 19 december 1912. In afwachting daarvan had hij een plaats gevraagd in het atelier van kunsthistorica freule De Jonghe waar leerlingen les kregen van de schilders Monnickendam en Spoor.

Het antwoord was als volgt:

‘Het toelatingsexamen wordt slechts één maal per jaar afgenomen, en wel ongeveer eind september, begin oktober. Door dit toelatingsexamen krijgt men toegang tot de Eerste Teekenklassen. Men kan zich echter onmiddellijk opgeven voor een hoogere klasse. Voor de Groote (Tweede) Teekenklasse vraagt dit een tekening naar torso (antiek). Men kan dus niet midden in een loopende cursus invallen. Maar wel is het mogelijk de wintercursus te volgen en ’s zomers in Hattem buiten te schilderen, wat, dunkt mij voor U onder de uitmuntende leiding van Uw vader, een groot voordeel is.’

Jan Jr. heeft in 1913 examen gedaan voor de ‘Groote (Tweede) Teekenklasse’. Voor de somma van Honderd Gulden mocht hij ‘alle lessen van den Cursus 1913/14 bijwonen’. Het diploma is gedateerd 28 november 1913…

In de nalatenschap van mijn opa vond ik onderstaande studie. Het is, zo te zien, het doek waaraan het meisje op bovenstaande foto (zittend 1e van links) werkt. Hoe dit bij mijn opa is terechtgekomen weet ik niet.

Lees hier meer over de studietijd van Jan Voerman Jr. in Amsterdam

Marinus Rahder (1851-1904) zakenman met wisselend succes

Marinus Rahder begint met zijn zwager Johannes Meyes (1829-1922) een steenbakkerij in Tiendeveen. Marinus is de 7e zoon van Coen Rahder, grondlegger van de Rahder turfmaatschappij NV en Willemina Rahder-Van Voorthuysen. Johannes Meyes stamt uit een geslacht van reders in Amsterdam die bevriend zijn met de familie Van Voorthuysen. In 1867 worden al voorbereidingen getroffen voor de steenbakkerij. Die zijn dan nog geheim, zoals blijkt uit een brief van moeder Mien Rahder aan haar dan 16 jarige zoon Marinus die dan op de kostschool zit in Wijk bij Duurstede:

“Vader heeft een uitstapje gemaakt naar Rijssen, gij lieden weet immers dat Jan Meyes zoo’n lust heeft om eene steenbakkerij hier op te zetten? Maar bedenk toch vooral dat het een groot geheim is dus dat gij er met geen woord met wie dan ook over spreekt. Want ten eerste is het nog niet zeker en ten tweede weet niemand in Amsterdam er nog een kiezel van”. 

Later blijkt het plan toch serieus te worden opgepakt en Marinus wil wel meedoen blijkt  uit een brief van Mien aan Marinus uit 1868.

“Er zijn al vier steenbakkers gekomen die al druk bezig zijn om de boel klaar te maken, dus lieverd uw werk en administratie kan al dadelijk een aanvang nemen”. 

Marinus start de steenbakkerij in de zomer van 1869. Zijn vader had al sinds 1854 een vergunning. Er staan grote advertenties in de Hoogeveensche en Asser Courant van de Steenbakkerij Valkenheim. De zaken gaan echter niet zo goed. De Drentse leem is beduidend minder dan de zee- en rivierklei. De stenen verkopen slecht. In 1872 staat er een bericht in de Hoogeveensche Courant dat de steenbakkerij nog niet aan de verwachtingen voldoet. Herbert verkoopt de zaak datzelfde jaar aan Janse en Boogerd. In 1889 gaat de steenbakkerij failliet.

Marinus trouwt met de welgestelde vervenersdochter Johanna Cornelia van der Lely. Ze gaan in 1887 wonen in het huis Veenendal in de Hoofdstraat in Hoogeveen. Het huis is daar in 1653 gebouwd door jonkheer Johan van Echten, zoon van de stichter van Hoogeveen Roelof van Echten. Johan zag in dat niet Echten, zoals zijn vader had gehoopt, maar Hoogeveen het centrum van de turfhandel zou worden. Marinus verbouwt het huis grondig en wordt boom- en rozenkweker. Hij noemt de firma die hij samen met partner Post bestiert “De Lelie”. Hij verwerft bekendheid en wint prijzen met zijn rozen. Vanaf 1887 klust hij bij als hoofdagent voor een maatschappij die handelt in levensverzekeringen en is hij correspondent bij de Nieuwe Drentse Volksalmanak. 

Op 5 september 1895 verzorgt Marinus de bloemen bij het bezoek van de koninginnen Emma en Wilhelmina aan Hoogeveen. Bij zijn huis, waar de oranjevlag en de vlag van Waldeck Pyrmont zijn opgehangen, bieden zijn vrouw en dochter Miesje de koninginnen nog een boeket bloemen aan.

Maar in het zakendoen is Marinus toch minder gelukkig. In de Hoogeveensche Courant van 26 november 1896 staat een advertentie van Mr. F.L. Tonckens.

“Bij vonnis der Arrondissements Rechtbank te Assen van 24 November 1896 is de Heer Marinus Rahder Rozenkweker te Hoogeveen verklaard te zijn in staat van faillissement”.

Hij is ook gedwongen persoonlijk bezit te verkopen. Is Marinus in de problemen geraakt omdat hij in 1890, net als zijn andere familieleden, nog 6 aandelen van de Rahder N.V. heeft gekocht voor een bedrag van 2.700 guldens? Marinus verkoopt het huis Veenendal in 1898 en leeft nog een paar jaar tot hij, net als zijn meeste familieleden, vrij jong sterft in 1904. Hij is dan 53 jaar oud. Zijn vrouw Johanna overleeft hem vele jaren.

Herinneringen aan Torum

Interieur

Mijn oma Hetty Voerman-Mansholt (1898-1987) heeft het interieur van de boerderij van haar opa en oma Mansholt ‘Torum’ nauwkeurig beschreven.

Je kwam binnen door een brede gang met zachte biezen matten en vele tussendeuren. Een van de deuren gaf toegang tot een ‘alkoofachtige’ kamer waar een enorm hemelbed met groene gordijnen stond. Dubbele glazen deuren kwamen uit op het balkon. Aan de andere kant van de gang bevond zich een lange smalle kamer waar oom Bert sliep. Daarnaast lag een grotere kamer met grote kasten en twee bedsteden. Dit was de logeerkamer voor de kleinkinderen. Achter die kamer was nog een kleine slaapkamer voor ‘Teeke’ zoals tante Theda werd genoemd.

De voorkamer was de pronkkamer, zoals in veel statige boerderijen, en verboden terrein voor de kinderen. Ze mochten er alleen komen als er volwassenen bij waren. Hetty had de neiging om op haar tenen te gaan lopen, zo deftig vond ze deze pronkkamer. In het midden stond een grote tafel van mahonie met rondom zware stoelen die versierd waren met prachtig houtsnijwerk. Tegen de muur stond een sofa die kenmerkend was voor de negentiende eeuw; weelderig bekleed en voorzien van ietwat protserige ornamenten. Hetty durfde er niet op te zitten. Aan de muur met het kleurrijke behang vol bloemen hingen de familieportretten. Voor een van de vier met blinden gesloten ramen stond een piano. Wat de meeste indruk maakte was de grote klok met het beeld van Adam die de wereld torst, omgeven door engelen, de zon en de maan.

Sommige beelden van opa zijn haar altijd bij gebleven.

…Opa zat in de huiskamer aan zijn bureau te schrijven. Hij had een barometer en boeken en papieren om zich heen verspreid, want hij was erg knap en kon het weer voorspellen. Hij schreef in de krant en hij schreef ook boeken. Oom Bertus had de leiding over het werk op de boerderij. Tante Theda deed de huishouding. Beide waren ongetrouwd.

Al gauw werd de tafel gedekt voor het middageten. Opa zat in zijn armstoel en Oma zat op een stoel die een erg hoge en rechte rug had. Zelfs als er thee werd gedronken zaten de anderen mensen op ‘gewone’ stoelen om de tafel. Voor kinderen werd een laag voetenbankje op een stoel gezet en dat wiebelde. Boven de tafel hing de petroleumlamp met de wit porceleinen kap en drie gietijzeren krularmen. En in de hoek stond de mand voor Nellie, Oom’s hond…

‘Een machtige persoonlijkheid’

Wat Hetty zich als klein meisje nog goed herinnerde was de rol die muziek in Torum speelde. Vanuit zijn jeugd in Duitsland had opa Derk zijn smaak voor goede muziek meegebracht. Componisten als Beethoven en Brahms waren favoriet bij hem. Maar muziek maken deed je niet alleen, vond hij. Hij nodigde graag andere mensen bij hem thuis uit om samen te zingen of een instrument te bespelen. In de weinige vrije tijd die hij had leidde hij zelfs een tijd een koor in het nabijgelegen Ulrum.

Muziek werd de kinderen met paplepel ingegoten. Ze zongen duetten of kwartetten en genoten van de liederen van Schubert en Schumann.

…Een door de hele schaar jongelui uit volle borst aangeheven Duits ‘Wändervögel’-lied was niet zelden een aanleiding om eens uitbundig pret te maken…

Torum was in de uitgestrekte Westpolder een oase van cultuur en wetenschap. Overal kwam je boeken tegen, schilderijen hingen aan de muur en in alle kamers vond je wel een muziekinstrument. De schrijver Multatuli kwam er regelmatig en ook nog voor langere tijd logeren. Iedereen in  huis nam deel aan de levendige discussies over cultuur en politiek die niet zelden in een chaos van armgebaren en stemverheffing uitmonden, maar nooit in echte ruzie. En dat allemaal gestimuleerd door Derk die mensen met zijn uitgesproken en gedurfde standpunten wist te inspireren. Geen gemakkelijk man, weerbarstig soms, maar altijd boeiend.

… Een meisje van zeven jaar weet dit nog niet zo allemaal, maar zij voelt in die grootvader met zijn hangsnor en onderzoekende lichte ogen een machtige persoonlijkheid…

Dit is een fragment uit het boek “Uit Zeeklei gebakken” van Kees Opmeer. Het boek is hier te koop. Ook bij de boekwinkel te bestellen of bij de museumwinkel van Landgoed Verhildersum te Leens.

Hetty Mansholt (2e van links) met haar zus Ada (geheel links) en een neef en nichtje bij Torum

Interieur van Torum