Briefwisselingen tussen leden van de Rahder familie in de 19e eeuw:

Coen Rahder (1812-1872), grondlegger van de NV Rahder Machinale turf, had met zijn vrouw Willemina, Petronella, Cornelia van Voorthuijsen (1813-1887) achttien kinderen. Jan de oude (1834-1889) was de oudste, Jan de jonge (1958-1921 mijn overgrootvader) de jongste. Herbert (1835-1912) was zijn tweede zoon en Lydius (1855-1916) de tiende. Er zijn veel brieven tussen al deze kinderen (en hun moeder) bewaard gebleven.

In een brief aan Herbert, gedateerd 17 november 1882 feliciteerde Lydius zijn broer met zijn verjaardag. Lydius was reislistig en onderweg naar Indië waar hij advocaat procureur was in Soerabaja.

Voor alles wensch ik je hartelijk geluk met je verjaardag en hoop dat je dien dag met allen die je dierbaar zijn nog dikwijls zult beleven.

Lydius verhaalde in dezelfde brief over zijn reis, via het pas geopende Suezkanaal.

…zondag vertrok ik van Marseille onder het mooiste weer dat men zich denken kan en was reeds den volgende dag ’s nachts om half twaalf te Napels. De aankomst daar was prachtig mooi. De stad die geheel tegen de bergenop ligt met hare duizenden lichten en geheel beschenen door de maan, was wel het verblijven waard… In Port Said lagen we een uur of 8 stil, daar er kolen ingenomen worden. Ik verlang om iets van dat Egypteland te zien…Wat hebben we prettige dagen te Amsterdam gehad beste H. en niet minder in Hoogeveen…

Herbert heeft ook een verslag gemaakt van een reis naar Parijs, dat bewaard is gebleven. In het gedetailleerde verslag lezen we hoe de reis van Herbert begon. Hij fietste in gezelschap van zijn broer Jonge Jan van zijn woonplaats Nieuweroord naar Hoogeveen waar ze afscheid van elkaar namen. Daar stapte hij op de trein naar Rotterdam om via een stop in Brussel in Parijs aan te komen. Onderweg voegden Johannes Zeeman en Lydius zich bij hem.

Het verslag liet zien hoe ze genoten van hun bezoek aan deze wereldstad. Ze verbleven in het grand Hotel de Malte en hadden zichzelf een druk programma opgelegd. Uitgebreid vertelden ze over hun dagelijkse uitstapjes. Ze vermaakten zich in een Schweitzer Bierhalle met ‘dames bediening’. Ze bezochten de Place des Victoires, waar Zeeman absinth en wij madeira gebruikten. Ze gingen naar de schouwburg, het Louvre, het graf van Napoleon, Fontainebleau en natuurlijk de Eiffeltoren, blikvanger en symbool van de wereldtentoonstelling. Ze dronken goede wijn op de terrasjes in het centrum en deden inkopen aan de roemruchte Boulevard Haussmann. De vele jeneverbesstruiken in het Forêt de l’Empereur, net buiten Parijs, deden Herbert denken aan zijn geliefde provincie Drenthe. Een bijzondere en nieuwe ervaring was de file waarin ze met hun rijtuig hebben gestaan. Uren achtereen stonden ze stil in een rij van meer dan honderd rijtuigen. In Drenthe hadden ze zoiets nog nooit meegemaakt.

Vanzelfsprekend bezochten ze ook de wereldtentoonstelling waar veel paviljoens nog in gereedheid moesten worden gebracht. Grote schrik kregen ze toen ze hoorden dat op het tentoonstellingsterrein een vreselijk ongeluk had plaatsgevonden. Door het instorten van een houten loopbrug waren 9 mensen omgekomen. Het stond in alle kranten. Vandaar dat wij ons haastten de onzen gerust te stellen.

De reis begon op zaterdag 21 april eindigde op woensdag 2 mei. Herbert besloot zijn verslag met de volgende woorden: Deze reis, die vol aangename verrassingen onder de gunstigste omstandigheden plaats had, zal een blijvende herinnering bij ons achter laten. Lydius dicteerde en Zeeman en ik schreven onze memoires.

Lees hier meer over de reis van de Rahders naar Parijs.

Dit is een fragment uit het boek “Hoe de Rahders Drenthe veranderden” van schrijver Kees Opmeer. Het boek is hier nog te koop.

Het grote gezin Rahder circa 1885. Coen Rahder was toen al overleden alsook een aantal kinderen.

De banden tussen Derk Roelfs Mansholt (1824-1921) en Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919)

‘Us Ferlosser’

Maar Multatuli was niet de enige die Derk inspireerde. In 1879 leerde hij de eerder genoemde Ferdinand Domela Nieuwenhuis kennen, voorman van de Sociaal-Democratische Bond, de eerste socialistische partij van ons land. Dat jaar was een keerpunt in het leven van Domela Nieuwenhuis. Hij richtte samen met een paar geestverwanten het blad ‘Recht voor Allen’ op, waarop de sociëteit in Meeden zich door een handigheidje van Derk had geabonneerd. Het jaar van hun kennismaking was het jaar waarin Domela Nieuwenhuis niet langer predikant wilde zijn. Hij was het bijna tien jaar geweest, begonnen in Harlingen, maar hij kon het niet langer verenigen met al het onrecht dat hij om zich heen zag. Maar het was niet alleen dat. In zijn persoonlijk leven had hij veel verdriet ondervonden, zoals het vroegtijdig overlijden van meerdere echtgenoten. Hij is vier keer getrouwd geweest. Hierdoor kon hij niet langer geloven dat er een God van liefde bestond.

Domela Nieuwenhuis hield niet op met prediken; niet langer over God, maar nu over het geloof in een betere samenleving. In zijn thuisbasis Friesland en in Groningen trok hij van dorp naar dorp en van stad naar stad om zijn geloof te verkondigen. Later breidde hij zijn werkgebied tot de rest van het land uit. Hij was meer spreker dan schrijver, geen wonder met een achtergrond als predikant. Door zijn gloedvolle, inspirerende, verhalen, zijn religieuze achtergrond en zijn markante kop met woeste baard en lange haren, lag een vergelijking met Jezus voor de hand. In Friesland werd hij liefkozend door de arbeiders ‘Us Ferlosser,’ genoemd. Het was een eretitel die later alleen Johan Cruyff nog ten deel viel, maar dat was om een geheel andere reden.

In de loop der tijd radicaliseerde hij steeds verder. In 1887 werd hij zelfs veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf, omdat hij zich schuldig had gemaakt aan majesteitschennis. Domela Nieuwenhuis werd anarchist.

Schrijven en lezen

Derk voelde zich zo aangesproken door zijn denkbeelden en charisma dat hij in 1888 in het Noorden campagne voor hem ging voeren. Het leidde tot een innige vriendschap tussen de herenboer en de gesjeesde dominee.

Derk leerde ook andere mensen rond Domela Nieuwenhuis kennen, zoals de journalist Joan Nieuwenhuis, voor zover bekend geen familie van Ferdinand. Joan Nieuwenhuis stond aan de wieg van de Hazewinkel Pers en het Nieuwsblad van het Noorden. Hij, die zichzelf ook tevergeefs kandidaat had gesteld voor de Tweede Kamer, drukte en publiceerde een vurig artikel van Derk met als titel Aan de Nederlandse boerenarbeiders. Dezelfde Nieuwenhuis gaf het Groninger Weekblad uit, een landelijk weekblad met een signatuur die Derk op het lijf geschreven was. Derk ging zelf ook stukken schrijven voor dit blad. Toen het Groninger Weekblad in de schulden raakte, sprong hij bij.

Het moet zo rond 1878 zijn geweest dat Derk Das Kapital van Marx ging lezen. Avond na avond zat hij over dit boek van ruim achthonderd pagina’s gebogen, af en toe stoppend om een aantekening te maken. Naast de vriendschap met Multatuli en Domela Nieuwenhuis heeft dit boek grote invloed op zijn denkbeelden gehad. Met zijn Duitse achtergrond kon hij het boek in de oorspronkelijke taal lezen. Dat hielp hem om de vaak complexe teksten goed te begrijpen. Zijn enthousiasme was zo groot dat hij een toegankelijke samenvatting wilde maken voor de Nederlandse lezers. Na een aantal pogingen gaf hij het op. Het lukt hem niet om de diepgravende theorieën in verkorte vorm duidelijk te maken.

Van scheurtjes tot breuk

Door zijn koppigheid lagen conflicten voortdurend op de loer. Het zou leiden tot een breuk met Domela Nieuwenhuis. Het eerste scheurtje zien we als Derk zich sterk maakt voor de verkiezingscampagne van Joan Nieuwenhuis in Friesland en Groningen. Deze campagne is niet echt een succes. De kroegen en zaaltjes blijven leeg als Nieuwenhuis daar komt spreken. Volgens Domela Nieuwenhuis is dat voor een deel de schuld van Derk. In al zijn wijsheid had hij bedacht om entreegeld te heffen van vijftig cent. Het was bedoeld om verkeerd volk, dat alleen maar geïnteresseerd was in roken en drinken, buiten de deur te houden. Net als Multatuli haatte Derk dat soort bijeenkomsten.

Een paar jaar later, in 1891 leidden de scheurtjes tot een definitieve breuk. In het blad ‘Recht voor Allen’ viel een geloofsgenoot van Domela Nieuwenhuis Derk aan op het feit dat hij grootgrondbezitter was en baas van flink wat landarbeiders. Aan zijn integriteit als socialist werd openlijk getwijfeld. Een rijke herenboer die pleitte voor herverdeling van bezit. Waarom had hij het goede voorbeeld dan niet gegeven? Was hij wel oprecht in zijn standpunten?

Dat hij in 1889 medeoprichter en bestuurslid was geworden van de Nederlandse Bond voor Landnationalisatie telde blijkbaar niet mee. Artikel 1 van het statuut zegt alles: De grond moet eigendom van de staat of de gemeente worden en de huidige eigenaren moeten schadeloos worden gesteld.

Het artikel in ‘Recht voor Allen’ leidde tot giftige ingezonden stukken. Die Mansholt was niet te vertrouwen. Hij zorgde slecht voor zijn medewerkers. Hij betaalde ze te weinig. De ene ingezonden brief werd overtroffen door de andere. De ene beschuldiging stapelde zich op de andere, gevoed door vooroordelen en valse emoties. Het nieuws verspreidde zich zo snel als tegenwoordig nieuws op sociale media zich verspreidt. Arme Derk, het klopte volgens hem van geen kanten, maar herenboer en socialist kon in de ogen van velen niet samengaan. Ferdinand Domela Nieuwenhuis liet hem vallen.

Maar toch. Zat er niet een kern van waarheid in? Voor onderbetaling was geen bewijs, maar vrijgevig en ruimhartig was hij ook niet voor zijn arbeiders. Het was bekend dat zijn broer Jochum zijn medewerkers beter betaalde.

‘Mijn zelfverdediging’

Derk had veel vijanden, onverzettelijk als hij was in zijn opvattingen. Dat speelde ongetwijfeld mee op de achtergrond van deze vuilspuiterij. Hij nam steeds meer afstand van de scherper wordende standpunten van Domela Nieuwenhuis. Het socialisme ontwikkelde zich in een richting waar Derk niet achter kon staan. Hij was een man die, ondanks zijn opvliegende karakter, meer heil zag in overleg en geleidelijke veranderingen. Dat stak hij ook niet onder stoelen of banken.

Hij schreef een artikel met als titel Mijn zelfverdediging waarin hij alle beschuldigingen ontkrachtte met feiten en voorbeelden. Het werd een verklaring, in de vorm van een brochure,  van maar liefst 48 bladzijden. Maar andersgelovigen kun je moeilijk overtuigen. Teleurgesteld moest hij constateren dat het allemaal niet veel uitmaakte. Derk kreeg genoeg van de politieke strijd, het behalen van het eigen gelijk en het gekonkel.

Dit is een fragment uit het boek “Uit Zeeklei Gebakken” over de geschiedenis van de families Mansholt, Louwes, Zijlma en Dijkhuis). Het boek is geschreven door Kees Opmeer en is hier te koop

Ferdinand Domela Nieuwenhuis

Derk Roelfs Mansholt

‘Voerman verwondert’ nieuwe tentoonstelling van Jan Voerman Sr.

De nieuwe expositie ‘Voerman verwondert’ in het Voerman Stadsmuseum Hattem is vrijdag 6 juni jl. geopend. Een beeld wat de afgelopen tijd al diverse keren in de publiciteit is gekomen is het affiche van deze tentoonstelling. Dit affiche is ontleend aan het schilderij ‘Koeien aan de oever van de IJssel’, een prachtig werk van Jan Voerman senior dat ons museum in bruikleen heeft mogen ontvangen. En dat natuurlijk ook tijdens deze expositie te zien is. Voerman verwondert presenteert diverse werken van Jan Voerman senior die nog niet eerder te zien zijn geweest. De expositie is tot 31 december 2025 te bekijken.

Kijk hier naar een item van RTV Hattem

Jaap Rahder krijgt op zijn 24e plotseling de leiding over de Rahder Turf Maatschappij

‘Jonge’ Jan Rahder (1858-1924) was een zachtaardige, intelligente man die het liefst een rustig en zorgeloos leven had geleid, maar die zich verplicht voelde het familiebedrijf te leiden toen andere familieleden afhaakten. Tragisch genoeg lijkt het erop dat zijn zwakke hart en zijn verantwoordelijkheidsgevoel in combinatie met de zorgen over het bedrijf en zijn werknemers hem fataal werden. In zekere zin heeft hij naar mijn overtuiging zijn leven voor het familiebedrijf gegeven.

Het onverwachte overlijden van Jonge Jan op 27 april 1924 hakte er stevig in. Op maandag 28 april vond er spoedoverleg plaats van zowel het bestuur als de Raad van Commissarissen in hotel Krasnapolski in Amsterdam. Aanwezig waren de heren F.B. s’Jacob als president-commissaris, Lodewijk Heil, commissaris, Jaap (Jacob) Rahder, de zoon van Jonge Jan en Herbert als secretaris.

In de notulen las ik het volgende.

De voorzitter merkt op dat door het plotseling overlijden van dhr J. Rahder jr. directeur van de Rahder machinale turffabriek het op de weg ligt van het bestuur om maatregelen te vinden om een geregelde voortgang van het bedrijf van de Vennootschap zoveel mogelijk te verzekeren. De heer Heil deelt mede dat de zoon van Jan Rahder, dhr. Jacob Rahder, die reeds gedurende enige jaren in het bedrijf werkzaam is, vermoedelijk de meest aangewezen persoon is om de directeur te vervangen. De voorzitter stelt voor om met instemming van het bepaalde in art. 14 der statuten betrekking hebbende op de vervanging in de directie, aan dhr. Jacob Rahder te verzoeken als plaatsvervangend directeur de belangen van de Vennootschap te behartigen. Voor zijn diensten wordt hem een salaris van 1200 gulden per jaar toegewezen. Aldus wordt besloten.

Ook werd besloten om de toeslag voor de directeur over het afgelopen jaar toe te kennen aan diens weduwe, Jentje. In zijn laatste jaar als directeur had Jonge Jan nog een bescheiden winst gemaakt van ruim 8000 gulden. Hiervan werd 7.920 gulden uitgekeerd als winstdeling.

In 1925 bleek de winst te zijn gedaald naar 1.555,23 gulden. Jaap Rahder (1900-1965) werd in dat jaar definitief aangesteld als directeur. Zijn salaris werd verhoogd naar 1.600 gulden per jaar.

Mijn opa Jaap was overmand door verdriet nu zijn geliefde vader er niet meer was. De dag na zijn dood stond hij als jongeman al voor zo’n ingrijpende beslissing. Maar wat moest hij anders als oudste zoon?

Dit is een fragment uit “Hoe de Rahders Drenthe veranderden”. Het boek is geschreven door Kees Opmeer en gebaseerd op het familiearchief. Het boek is hier te bestellen.

Schilderij van Jonge Jan Rahder

Jacob (Jaap) Rahder

Hoe verging het Jan Voerman op de Amsterdamse Akademie der Beeldende Kunsten 1876-1880)

Hier is te lezen hoe Jan Voerman Sr. en zijn jeugdvriend Bastiaan Tholen vanuit Kampen naar de Akademie der Beeldende kunsten in Amsterdam trokken. Hoe ging het verder met ze?

Opvallend was dat het clubje jaargenoten van mijn overgrootvader zonder uitzondering telgen waren van notabelen en welgestelde families. Ze ontwikkelden zich tot min of meer bekende kunstenaars. Mijn overgrootvader was als eenvoudige boerenzoon in dat opzicht een vreemde eend in de bijt. Zonder zijn afkomst te verloochenen heeft hij veel van zijn vrienden en tijdgenoten als schilder voorbij gestreefd. Dat moet veel voor hem hebben betekend.

Het groepje vrienden en studiegenoten rond mijn overgrootvader stond op de Academie bekend als een ijverige en talentvolle lichting, wat lang niet voor alle studenten gold. Dit blijkt uit de beoordeling van de docenten.

Over Jan Voerman sr.: …Jan, schoonen aanleg en uitmuntende vlijt, steeds vol ijver en helder van geest. Hij kan een sieraad der schilderschool worden… Aanleg en ijver zeer goed, zelden verzuimd… En later: …Schildert zelfstandig op eene loge, met vrij goed vervolg. Aanleg zeer goed, de wil niet altijd…

Over Bas Tholen: …Een buitengewoon vlug jong mensch, in vele zaken goed onderwezen. Hij deed in 1877 examen voor het middelbaar onderwijs te Delft. En ging aan de polytechnische school over voor de architectuur…

Over Piet Meiners: …Van de beste gezindheid, zeer leerzaam en vrij goed ontwikkeld, geeft goede verwachtingen… Schilder- en tekenklassen: aanleg en ijver goed, nooit verzuimd…

Over Anthon van Rappard: …Belooft door zijn aanhoudende ijver en wilskracht goed vooruit te komen. Hij werd aanvankelijk een knap tekenaar… Aanleg en ijver zeer goed, klassen goed bijgewoond…

Over Willem Witsen: …Kwam aanvankelijk voor vier of meermalen lessen per week. Met den cursus 78/79 ging hij over voor alle lessen en onderscheidt zich door ijver en goeden geest… Schildert afzonderlijk met vrij goed gevolg… Schildert loffelijk, is echter onbestemd in zijn streven…

Het deed Jan pijn dat Bas al na een jaar de academie verliet. Hij deed in november 1877 examen voor de acte middelbaar handtekenen, zoals hiervoor al aangegeven, en werd tekenleraar op een school in Gouda. Hij was toen pas 18 jaar. Twee jaar later werd hij tekenleraar in Kampen. Bas ging zijn eigen weg, maar het contact met mijn grootvader bleef in stand.

In 1894 bezocht Bas Tholen nog een expositie van mijn overgrootvader en schrijft hem daarover een brief: Je bent prachtig vooruit gegaan in mijn oogen, de bloemen van den laatsten tijd ook nog zooveel mooier als die van vroeger, zonder toeval en zuiver van teekening en kleur. Ik was met geziene zoo ingenomen, dat ik nog eens naar Tessora was gegaan om je dit te zeggen, tot mijn spijt was je er echter niet.”

Het ging Bas goed. Hij werd een leerling van de ruim 30 jaar oudere schilder Paul Gabriël en raakte met hem bevriend. Regelmatig bezocht hij Paul in de zomer die toen in Brussel woonde. Toen Bas 22 jaar was schilderde hij een portret van zijn leermeester. Dat portret bevindt zich in het Rotterdamse museum Boijmans Van Beuningen. Gabriël kwam ook regelmatig naar Kampen. Samen trokken ze door de omgeving, zoals rond Giethoorn, waar ze landschapsschilderingen maakten. Opvallend vond ik dat Bas een kinderportret schilderde dat in de jaren 50 van de 20e eeuw op een postzegel van 6 cent werd afgebeeld. Hij trouwde met de 17 jaar oudere Coba Muller en vestigde zich na verloop van tijd in Den Haag waar inmiddels ook Paul Gabriël was gaan wonen.

Na 4 jaar verliet mijn overgrootvader Amsterdam om zich in 1880 in te schrijven voor de gerenommeerde en eeuwenoude Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. 

Schets Jan Voerman Sr. uit de Akademietijd

De politieke ambities van Derk Roelfs Mansholt (1842-1921)

Verruiming kiesrecht

Vanaf 1848 kende ons land de grondwet van Thorbecke die de macht van de koning vergaand inperkte. Het was de start van onze parlementaire democratie, een belangrijke, eerste stap. Dat neemt niet weg dat het kiesrecht nog steeds erg beperkt was. Je kon alleen stemmen als je man was. Je moest 23 jaar of ouder zijn en je moest een bepaald bedrag aan belasting betalen. In de praktijk kwam het er op neer dat nog geen elf procent van de mannen mocht stemmen. Het was een democratie voor rijke, oudere mannen.

De mogelijkheden om te kiezen en gekozen te worden, werden wat groter door de grondwetsherziening van 1887. De verruiming had vooral betrekking op aanpassing van de kiesdistricten waardoor iets meer mannen stemrecht kregen, veertien procent. Van algemeen kiesrecht was nog geen sprake. Het duurde tot 1917 voordat alle mannen mochten stemmen en tot 1919 voordat ook vrouwen mochten stemmen. Toen pas was het algemeen kiesrecht een feit.

Derk deed in 1888 voor een tweede keer mee aan de verkiezingen. Ditmaal dacht hij meer kans te hebben. Vooraanstaande liberale inwoners van Meeden hadden hem als kandidaat naar voren geschoven. Het streelde zijn eergevoel, maar hij was onvoldoende voorbereid om een succesvolle campagne te kunnen voeren. Bovendien schoot zijn kennis van het kiesstelsel tekort waardoor er veel mis ging. Het liep op niets uit.

Stoot onder de gordel

Derk ondervond al snel dat je een dikke huid moest hebben als je op de barricade klom. Het was een tijd van scherpe tegenstellingen. De heersende elite voelde zich bedreigd door de verruiming van het kiesrecht en nog meer door de opkomst van een nieuwe politieke beweging. Het traditionele Haagse bolwerk kwam onder druk te staan.

Drie dagen voor de verkiezingen van 1888 verschijnt er een artikel in de Haagsche Courant dat de woede wekt van Derk. Hij vindt het een stoot onder de gordel. Na lezing smijt hij de krant woedend op de keukentafel. Aaltje kijkt hem verbaasd aan. Wat nu weer?

De kop luidt: Misbruik van gastvrijheid. In het stuk komt een politieke tegenstander van Derk aan het woord, H. Frima uit Groningen. Dit artikel was eerder verschenen in de Provinciale Groninger Courant.

…Bij wet van 17 juni 1873 is Derk Roelfs Mansholt, geboren in het dorpje Ditzumerhamrich, op zijn verlangen, Nederlander geworden. Sinds dien tijd heeft hij zich beijverd over onzen staatkundigen toestand te pruttelen, dien hij bij voorkeur de naam ‘verrot’ bestempelt. Ik wil hem wel nu in de verste verte niet toevoegen, waarom zijt ge niet in Duitschland gebleven? Wie heeft u geroepen op onze staatkundige instellingen te smalen. Ik ontzeg u daartoe alle recht? Zoo wensch ik hem niet toe te spreken. Maar ik moet hem toch in gemoede vragen: Is dat smalen bij uw kortstondig Nederlanderschap wel betamelijk?…

Derk is van slag. Waar heeft hij dit aan verdiend? Wat bezielt de Haagsche Courant om zo’n flutverhaal uit een provinciaal krantje over te nemen? Hij strijdt al jaren voor de belangen van boeren en arbeiders in Groningen. Nu proberen ze hem weg te zetten als een buitenlander die het waagt kritiek te hebben op de Nederlandse politiek. Zo werkt het dus. Met gebalde vuisten staart hij uit het raam naar de kale akkers. Zijn nagels drukken in het vel van zijn gebalde vuist zonder dat hij de pijn voelt. Het kost Aaltje moeite hem tot bedaren te brengen.

Misschien zijn ze wel bang voor mij en mijn partij, bedenkt hij zich als de ergste woede is gezakt. Hij begrijpt het wel. Zijn standpunten zijn in hun ogen ongehoord radicaal, zoals zijn ideeën voor de invoering voor een progressief belastingstelsel waarin de rijken meer gaan betalen en de laagste inkomens vrijstelling krijgen. ‘Ik moet eerlijk zijn,’ zegt hij tegen Aaltje. ‘Mijn kansen zijn er niet groter op geworden.’

Hij krijgt gelijk. Het artikel was dodelijk. Derk wordt niet gekozen, al deed hij het niet slecht. In zijn kiesdistrict Winschoten haalde hij bijna duizend stemmen waardoor hij de tweede ronde bereikte. Maar daar bleef het bij.

Dit is een fragment uit het boek “Uit Zeeklei Gebakken”, over de familie Mansholt. Boeren met een missie uit het westen van Groningen. Het boek is geschreven door Kees Opmeer en is hier te koop.

Opvoeding rond 1900

Rond 1900 draaide in het gezin Voerman alles om kunst. Er werd veel geluisterd naar muziek. Georges Bizet was populair met zijn ‘Jeux d’enfants’.

Lezen was minstens net zo belangrijk in huize Voerman. Anna Voerman-Verkade maakte zich daar sterk voor. Het begon met prentenboeken, vooral Engelse die toen populair waren, met tekeningen van Walter Crave en Coldecott. Op schoot bij Anna vertaalde ze de tekst voor de kinderen ter plekke in het Nederlands. Dat gebeurde zo vaak dat de kinderen de woorden na enige tijd uit het hoofd kenden. Vooral op mijn opa maakten de prentenboeken grote indruk. Ze werden zijn liefste bezit, omdat ze een wereld verbeeldden waarin hij zich gelukkig voelde.

Later kwam er ander, moeilijker, leesvoer bij, zoals de Camera Obscura van Hildebrand, pseudoniem voor Nicolaas Beets. Hoewel de kinderen niet alles begrepen vonden ze het toch prachtig om te lezen. Veel plezier beleefden ze aan allerlei tijdschriften als De Aarde en haar Volken waarvan ze een aantal jaargangen van opa en oma Verkade hadden kregen. Het was een blad met reisverslagen en mooie illustraties waarbij Jan en Tijs heerlijk konden wegdromen.

Een speciale herinnering had Tijs Voerman aan een ander blad dat ze van Mona Rambonnet hadden gekregen, een van de jonge vrouwen die thuis les kwam geven.

…Dan had Mona Rambonnet ons eens een aantal ingebonden jaargangen van ‘Voor ‘t jonge Volkje’ meegebracht, vol prachtige verhalen, die mij zeer boeiden en op mijn gevoel voor romantiek werkten. Een heette er: ‘Vertrouw op God en doe zelf ook wat’, een prachtgeschiedenis vol geheimzinnigheden en echte 19e eeuwsche romantiek en toch voor jonge kinderen bevattelijk.

Anna las ook mijn grootvader ’s avonds vaak voor. Het waren vooral Franse en Engelse boeken die ze tijdens het voorlezen ook meteen in het Nederlands vertaalde. Op die manier wilde ze hem kennis laten nemen van de nieuwste literatuur. In die tijd werden nieuwe, goede boeken uit het buitenland nog niet meteen in het Nederlands vertaald. Hieruit bleek hoe goed mijn overgrootmoeder deze talen beheerste.

Mijn overgrootvader Voerman Sr. las zelf ook graag, meestal tot 12 uur ’s nachts bij het licht van een olielampje, nieuwsgierig naar de schrijvers waarover hij zoveel had gehoord. En dan om 6 uur weer opstaan om te werken. Hij had een vast ritme en weinig slaap nodig.

Voor Jan jr. had het werk van Jan sr. iets magisch. Dat was wat hij ook wilde. Beelden in je hoofd omzetten naar beelden op papier of schilderdoek; van niets naar iets. Later vertelde mijn opa over die tijd:

…Vader vroeg mij eens: ‘Wil je eens wat zien op ’t atelier?’ Graag natuurlijk. Hij ging weg en vroeg om een kwartier later te komen kijken. Het was theetijd geweest, we dronken meestal de thee om half vier in de huiskamer, die uitzag over de dijk en de uiterwaarden. In de verte lag Zwolle, je zag de ‘Peperbus,’ maar de rivier zag je niet, wel de schepen. In de wei liepen de koeien, vaders koeien, het roodbruine IJssel-slag. Aan het eind van het land was de steenoven. In de lauwwarme lucht hoorde je iets van de wagentjes met de klei ratelen. Soms klonk een stoot op een hoorn van een schip, dat door de brug moest. Tussen de twee hoge 18e eeuwse ramen stond altijd een prachtig veldboeket. Het was een huis met een sfeer om altijd heimwee naar te houden.

Dan gingen we over het bordesje de trap af naar de tuin, die tweeëneenhalve meter lager lag dan de dijk. Langzaam liepen we over het stenen paadje onder de appelbomen door langs vakken met rozen, met frambozen en bessen en langs het hele pad een smalle rand met zomerbloemen. Dan rechtsaf langs de tuin van de dokter en weer rechtsaf. In een hoek lagen de stallen, de hooiberg, er was een klein atelier voor een leerling en de tuinman woonde er.

Nu weer verder langs de kassen met blauwe druiven, met tomaten, met potten azalea’s en wat er meer overzomeren moest. En aldoor was er de ijle schaduw van de vruchtbomen boven je. Ook de tuin was om nooit te vergeten…

Dit is een fragment uit het boek “Gevangen in een paradijs” door Kees Opmeer. Het boek gaat over de kunstenaars, vader en zoon Jan Voerman en hun banden met de IJssel en Verkade. Het boek is hier nog te koop.

Jeugdboek in de Franse taal rond 1900

Een nieuw perspectief wenkt voor Grietje Louwes (1867-1946)

Als mijn overgrootmoeder Grietje Louwes rond 1890 Ubbo Mansholt en de rest van de familie Mansholt leert kennen, wenkt een nieuwe perspectief. Het biedt haar een kans om de sombere boerderij met haar autoritaire vader en afwezige moeder te ontvluchten. Ubbo hoort de verhalen van zijn verloofde met toenemende ergernis aan. In een brief aan zijn ouders Derk en Aaltje klinkt de boosheid door over het gedrag van Grietjes vader.

…Ze moesten de boerderij niet meer aanhouden. Als er onweer komt, laat het maar afbranden, dan ben je er af. Griet kan niet van huis langer dan een nacht. Ze heeft acht kalver, die ze moet voeren. ’t Werk en de last komen op Griet neer. De oude heer doet niets meer dan kippen voeren…

Door haar huwelijk met Ubbo krijgt ze volop uitnodigingen om de bij de familie Mansholt zo geliefde muziekavonden bij te wonen. Dat komt goed uit. Grietjes is gek op muziek. Ze kan mooi zingen met haar zuivere sopraan. 

Zo nu en dan geven ze een uitvoering in Ulrum, samen met een koor uit Groningen. Een van deze koorleden is diep onder de indruk van de jonge sopraan. Aan het eind van een uitvoering zingt hij speciaal voor haar een lied: ‘Du bist wie eine Blume’, een lied van Schumann. Volgens Hetty gaf deze gebeurtenis glans aan de jonge jaren van haar moeder.

Ubbo en Grietje verloofden zich in 1894 toen Grietje 27 was. Ze trouwden op dertien mei 1897. Kort daarna gaat Ubbo in Wageningen studeren, op kosten van Grietje die een aardig bedrag van haar grootmoeder heeft geërfd. Na een verblijf van een paar jaar in Dordrecht waar Hetty en haar zus Ada worden geboren, verhuizen ze uiteindelijk naar de stad Groningen, naar de nieuwe villawijk.

‘Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt’

Grietje leest rond de eeuwwisseling een boek van Claus Heinrich Baas waarin ze haar eigen leed weerspiegeld zag. Daar zijn boeken ook voor, schrijft Hetty later. Vrouwen met ambitie die zich daarin belemmerd voelen, worden in die tijd vaak bestempeld als ‘ontevreden’.

Grietje voelt zich verwant met de vrouwenbeweging. In 1898 is de Nationale Tentoonstelling voor Vrouwenarbeid in Amsterdam. Freule Jeltje de Bosch Kemper schrijft bij die gelegenheid: De vrouw is veelal nog een slavin en slavernij kweekt heersers. Vrouwen en kinderen zijn dan nog onbeschermd tegenover overmatige arbeid en hebben nauwelijks politieke invloed.

De strijd van vrouwen wordt echter wat ondergesneeuwd door de bredere strijd van socialisten voor het Algemeen Kiesrecht. Hetty en Ada krijgen van Grietje te horen hoe ze aan geboortebeperking kunnen doen. Grietje is er, net als in die tijd dr. Aletta Jacobs en de Nieuw Mathusiaanse bond, waar ze zich bij aansluit, van overtuigd dat het hebben van minder kinderen vrouwen betere kansen op ontplooiing biedt. Daarbij was armoedebestrijding, door vermindering van het aantal kinderen, bij de nieuw-malthusianen een belangrijk thema. Door het verspreiden van informatie over voorbehoedmiddelen zouden vooral arbeidersgezinnen leren hun gezin klein te houden en zo zelf hun welvaartsniveau te verhogen. Er werden spreekuren georganiseerd, waar minder vermogende vrouwen terecht konden voor gratis seksueel advies en voor voorbehoedmiddelen. Van de medici die op dit terrein pionierswerk verrichtten zijn Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijk arts van Nederland, en Johannes Rutgers, arts en lange tijd secretaris van de Nieuw-Malthusiaanse Bond, het bekendst. Daarnaast was Grietje, net als Wabien, lid van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Het is geen toeval dat eind negentiende eeuw en begin twintigste eeuw zoveel vrouwen uit Groningen zich bezighielden met het versterken van de rechten en de positie van vrouwen. Het noorden stond in deze periode al bekend als een radicale regio met veel vrijdenkers.  De provincie Groningen was welvarend en veel inwoners hadden tijd en middelen om boeken te lezen, naar bijeenkomsten te gaan en goed onderwijs te volgen.

Grietje verzucht in die tijd dat ze zich voelt als Clärchen uit ‘Egmont’ van Goethe, ‘Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt’. Het blijft lange tijd een gevleugelde uitdrukking in de familie.

Grietje en Ubbo

Koning Willem III bezoekt in mei 1873 de veengebieden van de Firma Rahder in Drenthe

Op 3 november 1872 overleed Coen Rahder, een half jaar voordat Koning Willem III een bezoek bracht aan zijn bedrijf. De koning, die een eerder bezoek nog had afgezegd, werd nu ontvangen door zijn zonen. Het was voor Coen een erkenning achteraf voor zijn vernieuwende aanpak en gewaagde investeringen. Helaas heeft hij dit niet zelf mogen meemaken.

De kranten berichtten uitgebreid over dit eervolle bezoek.

Hedenmorgen, 6 mei 1973 vertrok Z.M. per extra trein naar Meppel. ’s Avonds zat hij aan bij het diner aangeboden door Konings Commissaris. Omtrent het bezoek aan de veenderij van den heer Rahder verneemt men nog het volgende: “Alles getuigde van smaakvolle versieringen voor den woningen van het Noordsche schut, prachtige erebogen met Konings naamletter en kroon. Talloze vlaggen, nationale en oranje, en bij de Wilhelminabrug twee piramiden, de een van machinale en daartegenover van gewone turf. Ter zijden van het huis van den heer J. Rahder een van gebakken steen opgerichte piramide, prijkende met de gekroonde W. Op het machineveld van wijlen de heer J.C. Rahder in de grote turfschuur een smaakvolle tunnel van groen en bloemen met een allée van machinale turf die naar een van de machines leidde waar Z.M. ontvangen zou worden.”

De koning werd in een gemakkelijke stoel in een punter door het veen gevaren. Deze stoel kreeg een bijzondere betekenis in de familie Rahder en werd met een mengeling van milde spot en eerbied nog lang de ‘koningsstoel’ genoemd.

Ik zie het helemaal voor me. De deftige koning met zijn hoge zwarte hoed onderuit gezakt in de luie stoel, varend door de wijken met uitzicht op het uitgestrekte veengebied. De zonen van Coen staan druk gebarend naast hem en vertellen honderduit, trots op wat ze hebben bereikt met hun innovatieve investeringen, met dank vooral aan hun eigenzinnige vader zoals ze zich nu zullen realiseren. Op hun gezichten zie ik ook het verdriet om hun vader die dit moment zo graag mee had willen beleven. Hij had het ongetwijfeld als de kroon op zijn werk gezien.

Dit is een fragment uit het boek “Hoe de Rahders Drenthe veranderden” van Kees Opmeer. Het boek is hier te koop

Koning Willem III der Nederlanden

Krantenbericht uit 1873 over het bezoek

NIEUWEROORD – bestaat 175 jaar 1850-2025

Nieuweroord, een schilderachtig dorp in de provincie Drenthe, Nederland, viert dit jaar zijn 175-jarig bestaan. Dit charmante dorp, gelegen in de gemeente Hoogeveen, heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot de 19e eeuw. Het dorp ontstond rond ‘Huize Nieuweroord’ dat in 1850 door vervener J.C. Rahder werd gebouwd. Rahder, die wijnkoper was in Amsterdam, verhuisde met zijn gezin naar Drenthe. Samen met zakenpartners Andries de Wilde en Hendrik Adriaan Wall Bake had hij gronden aangekocht ten noorden van Nieuweroord die ze wilden vervenen. Rahder was de eerste vervener in Drenthe die ging werken met op stoom aangedreven machines (malaxeurs).

Zaterdag 18 januari 2025 werd het jubileumjaar feestelijk geopend tijdens de nieuwjaarsreceptie in Dorpshuis De Vuurkorf. De Historische Kring Nieuweroord had een nazaat weten te vinden van Jan Coenraad Rahder: Peter Voerman, die via zijn moeders kant verbonden is met de familie Rahder, voerde de officiële openingshandeling uit voor het 175-jarig bestaan van Nieuweroord. Onder grote publieke belangstelling werd een speciale vlag met de tekst “175-jaar Nieuweroord” onthuld. Die aan de voorgevel van het dorpshuis is geplaatst.

Maquette van Huize Nieuweroord, gebouwd in 1850 door J.C. Rahder

J.C. Rahder en zijn vrouw kwamen in 1850 in huize Nieuweroord wonen.