Stormvloed in de Westpolder 1877

Bedijking van de Westpolder begint in 1874 en werd voltooid in 1875. In 1875 werden veel landbouwgronden gesplitst en nieuwe boerderijen B.v. boerderij Midhuizen werd gesplitst in Nieuw Midhuizen en Manneplaats en Geughien Zijlma bouwde op nieuw verworven land zijn boerderij Nieuw Zeeburg. De nieuwe boerderijen werden gebouwd met cement gemengd met zoet water dat speciaal daartoe werd gehaald.  De goedkopere woningen voor de arbeiders werden gebouwd met cement gemengd met brak water uit de polder. Het cement werd daartoe minder sterk. Deze huizen waren daardoor bij overstromingen extra kwetsbaar.

Een jaar na aanvang van de werkzaamheden bleek al dat de dijk, die deels klaar was, niet bestand was tegen het water. In het voorjaar van 1874 sloeg het woeste water toe en verzwolg een groot deel van de dijk. En niet alleen de dijk verdween in de golven – ook dertien polderwerkers van wie de onderkomens niet voldoende versterkt waren. Vreemd genoeg is dit een redelijk onbekende ramp, zeker in tegenstelling tot die van drie jaar later.

In de nacht van 30 op 31 januari 1877 zorgen een combinatie van springtij en hoog water voor een dijkdoorbraak in de nog jonge zwakke dijk. De vloed bereikt een hoogte van 3.90meter boven volzee. Er waren 13 slachtoffers, op het kerkhof van Vierhuizen staat een klein monument. Veel boeren en knechten konden op tijd met wagens naar hoger land komen, anderen gebruikten boten.

Jochem Helprig Mansholt (de broer van mijn voorvader Derk Roelfs) die al in polder woonde op boerderij ‘Fletum’ vluchtte met zijn vrouw Rena Loots, en zoontje (de latere Ing. Dr. Rijpko Mansholt en de eerst geborene in de nieuwe polder) met paard en wagen, die al in  de schuur gereed stonden om het gezin naar de Middendijk te brengen. Buiten gekomen kreeg de noordwester storm echter de wagen te pakken, met het gevolg dat de disselboom uitschoot en zich in de grond boorde. Te voet werd de dijk bereikt, met het zoontje, in een deken gewikkeld, gedragen door de moeder, wier pantoffels in de modder waren achtergebleven. Jochem Mansholt was de enige boer die met zijn gezin kon vluchten en de Middendijk kon bereiken. De andere boeren vluchten naar hun zolder en werden de volgende dag gered.

Geuchien Zijlma, die juist een nieuwe boerderij ‘Klein Zeeburg’ in de polder had gebouwd, waar hij nog niet eens woonde, beschrijft zijn herinneringen.

En Oh, toen ik daar op de dijk kwam en het terrein overzag! Zulk een verwoesting had ik mij toch niet voorgesteld. Achter onze polder was van de nieuwe zeedijk bijna niets meer te zien. Men kon weer vrijuit het wad inkijken. De gehele polder, alles water. Achter mijn buren Mansholt en Dijkhuis was het nagenoeg eender.

Werkzaamheden indijking Westpolder

Foto Frank Straatemeier, Groninger Archieven

Het huwelijk van mijn grootouders

Mijn oma Femmy Uiterwijk heeft in 1917, tijdens haar dagelijkse treinreis naar de kweekschool in Meppel, een leuke knappe jongen ontmoet. Het is Jaap Rahder, de zoon van een vervener uit Noordscheschut. Hij reist ook naar zijn school, de Hogere Burgerschool. De HBS in Meppel is dan net een vijfjarige opleiding geworden en vanwege een groeiend aantal leerlingen breidt de school enorm uit. Jaaps moeder, Jentje Rahder-Thomas, waarschuwt haar zoon voor de relatie. Er is geen kostwinner in het gezin.  Ze is bang dat Jaap de zorg voor het gehele gezin Uiterwijk op zijn schouders krijgt. Zelf is ze ook uit een eenvoudig molenaarsgezin en huishoudster op ‘Huize Blokland’ ingetrouwd in de patriciërs familie van de Rahders. Ze heeft voor haan zoon andere plannen. Jaap weet wat hij wil. De verloving duurt lang maar uiteindelijk overwint de liefde.

Jaap is opgegroeid in een warm gezin met een oudere zus en twee jongere broertjes. Zijn vader is veenbaas zoals zijn klasgenoten spottend zeggen. Jaap deelt die liefde voor het veen en landschap met zijn vader die ‘jonge’ Jan wordt genoemd. Het vertrouwde ouderlijk huis aan de schut heeft een prachtige tuin. Veel van de fruitbomen waren erf al voordat huize Blokland werd gebouwd. Vader heeft naast de serre een kas laten bouwen waar hij planten en groenten in kweekt. Het zorgt voor wat afleiding van Jan Rahder’s dagelijkse zorgen. Het gaat niet goed met de verkoop van turf. Tijdens de eerste wereldoorlog heeft de vervening een laatste grote bloei meegemaakt vanwege de schaarste aan steenkool uit Zuid Nederland en België. De vennoten van de N.V. Machinale Rahder Turffabriek hebben in januari 1910 het kapitaal nog vergroot met de uitgifte van nieuwe aandelen. De oude vennoot Frederik ’s Jacobs is in 1902 gestorven maar zijn zoon F.B. ’s Jacobs blijft aandeelhouder en commissaris. Hij koopt ook nieuwe aandelen net als leden uit de familie Rahder waaronder de zoon van Mies Rahder Dhr. W.P.C. Zeeman. Ook hij is commissaris in de N.V.

Jonge Jan Rahder in zijn ruituig

Jonge Jan trekt er in deze periode veel op uit. Hij is vaak bij de veenputten en zijn werkers in het veld waar hij in zijn kleine rijtuig met paard naar toe rijdt.  Hij maakt praatjes met de bedieners van de machines en de vrouwen die de turven keren op de droogakkers. En Jan geniet van de bossen in het Kremboong en de jacht op patrijzen. Rondom ‘Huize Blokland’ en het schut is een levendig dorpje ontstaan. Uit een verslag in 1893 van dorpsverenging Noord valt te lezen:

“Als er al een nieuwe pomp  moet komen dan toch op het Noordscheschut. Daar liggen meermalen vele schepen, vooral des zaterdags en zondags, die op doorschutten wachten. Daar is een punt van samenkomst van sjouwerlieden, scheepsjongens en dergelijken. Ook ontmoeten en wachten daar op elkander hele ploegen van werklieden die van verschillende kanten komen en vanaf dat punt zich gezamenlijk naar hun werk begeven. Goed drinkwater zou op die plaats zeker een gewenschte zaak zijn”. En dan zijn er ook de beurtschippers met andere vracht dan turf en de melkvaarders met hun pulleboten die dagelijks twee keer door de sluis moesten. Wanneer die ’s ochtends in de sluis lagen kwam het winkelmeisje van café annex bakkerij en kruidenierswinkel Troost de boodschappenboekjes van de pullenvaarders halen voor de boodschappen die dan ’s middags weer klaar stonden”.  

De firma Rahder kent goede jaren maar sinds de vrede is de handel weer ingestort. Gelukkig hebben veel veenbazen de gedwongen winkelnering afgeschaft. Via die regeling moesten veenarbeiders hun dagelijkse boodschappen, met inhouding van veel loon, bij de winkels van de turffirma’s doen. De Rahders waren er nooit aan begonnen. Oude Jan leed zelf verlies op zijn winkel. De werkers in het veen hadden goed verdient en wat reserves kunnen opbouwen. En nu waren zelfs de vooraarden bonen en aardappels op. Er is honger. De economie van de gemeente Emmen waar twee-derde van de bevolking in het veen werkt stort in. De Burgemeester maakt bekent dat er zo’n 5000 mensen zijn die al drie maanden geen loon meer krijgen. Het gevolg is dat er felle stakingen uitbreken.  Zelfs het leger wordt ingezet om de orde terug te brengen. Onverkoopbare turf wordt in brand gestoken Op 10 april 1921 is er één grote vuurzee van Nieuw Weerdinge tot Emmer compascuum

Zorgen voor Jonge Jan Rahder

In Zuidoost-Drenthe ontstaat een noodsituatie. De overheid organiseert hulpacties en zorgt voor projecten waar werkelozen aan het werk kunnen. De  brandstof turf wordt nu bijna volledig overgenomen door steenkool. Steenkool brand langer, geeft minder as, kost minder en goedkoper te vervoeren. Daar kan de turf niet tegenop. Er komt een steunregeling voor de fabrieksturf. De subsidie is bedoeld als eenmalige maatregel, maar zal tot 1930 verlengd worden. Mede hierdoor krabbelt de handel enigszins op. Jan Rahder is er niet gerust op. Hij rekent erop dat zijn oudste zoon Jaap het bedrijf wil overnemen. Jan is nog maar 20 jaar directeur maar hij vindt zijn werk steeds minder leuk. Er zijn eindeloze briefwisselingen met afnemers maar ook met de Rijksdienst kolendistributie, afdeling turf. De controleurs trekken hem vaak aan zijn jasje. De turf is te nat vervoerd, het schip “de Tweegebroeders” met een lading turf voor Sneek was niet goed geladen. Het kost hem boetes en geeft ergernis. En dan zijn er ook de vakbonden die steeds vaker overleg willen over de loonkosten van zijn arbeiders. Ook de commissarissen van het bedrijf s ‘Jacobs en Zeeman laten hem niet met rust. Ze willen meer rendement en bestoken hem met goedbedoelde ideeën. Jan mist de gesprekken met de werkers en geratel van de machines. Mede door de zorgen en zijn zwakke hart sterft hij in 1924 op 66 jarige leeftijd. Jaap is dan nog maar 24 jaar oud. De familie treurt en laat een groot portret van hem maken dat nog jaren in Blokland boven de schouw zal hangen. Jonge Jan met een grote snor, een kalend hoofd en een vriendelijke glimlach op zijn gezicht.

Op maandag 28 april 1924 is er een extra bijeenkomst van zowel het Bestuur als de Raad van Commissarissen van de Machinale Rahder turf N.V. in hotel ‘Krasnapolsky’ te Amsterdam. Aanwezig zijn de heren F.B. ’s Jacobs als president commissaris, Lodewijk Heil, commissaris, Jacob Rahder en H.C. Rahder, de zoon van Herbert, als secretaris. In de notulen is het sober genoteerd. “De voorzitter merkt op dat dat door het plotseling overlijden van Dhr. J. Rahder jr. directeur van de Rahder machinale turffabriek het op de weg ligt van het bestuur om maatregelen te vinden een geregelde voortgang van het bedrijf van de Vennootschap zoveel mogelijk te verzekeren. De heer Heil deelt mede dat de zoon van Jan Rahder, Dhr. Jacob Rahder te Nieuweroord, die reeds gedurende enige jaren in het bedrijf werkzaam is, vermoedelijk de meest aangewezen persoon is om de directeur te vervangen. De voorzitter stelt voor om met instemming van het bepaalde in art. 14 der statuten betrekking hebbende op de vervanging in der directie, aan Dhr. Jacob Rahder te verzoeken als plaatsvervangend directeur de belangen van de Vennootschap te behartigen. Voor zijn diensten wordt hem een salaris van 1200 gulden per jaar toegewezen. Aldus wordt besloten”. Ook wordt besloten om de toeslag voor de directeur over het afgelopen jaar toe te kennen aan diens weduwe. Het laatste jaar als directeur heeft Jan Rahder jr. een winst gemaakt van f 8.410,11 De commissarissen keren daarvan 7.920,– gulden uit te keren als winstedeling. De rest wordt toegevoegd aan de dividend reserve. Jacob krijgt het zijn eerste jaren een stuk lastiger. De prijs van steenkolen is laag en dat drukt ook de prijs van de turf. Met name in de nieuwe velden in het Barger Oostveld valt de opbrengst tegen. In 1925 blijkt de winst te zijn gedaald naar  f 1.555,23. Jacob wordt in deze vergadering definitief aangesteld als nieuwe directeur en zijn salaris wordt verhoogd naar f 1.600 per jaar.

Het portret van Jonge Jan Rahder 1922

Jaap is veel met zijn vader op pad geweest in het veen en voelt zich er thuis. Door het huren van veenputten van zijn vader heeft hij al vroeg vak in de vingers gekregen. De huurovereenkomsten zitten in het Rahder archief: “Eenige putten bovenveen ter vergraving gelegen in het Barger Oostveen. Veenplaats 40 een put lang 400 meter breed 5 meter, veenplaats 122 een put lang 620 meter breed 5 meter en hierbij een huis. En zo nog een aantal meer. De overeenkomst stelt verder dat de vervening en afvoer voor 1 november 1922 gereed moeten zijn. Jaap houdt van de uitgestrekte velden die langzaam worden afgegraven. Wijk voor wijk. Elke dag in de buitenlucht. Vanuit Noordscheschut rijdt hij op zijn motor naar de velden rond Emmen. Jaap is de eerste van de familie met een rijbewijs. Men is in Drenthe nog niet gewend aan motoren en automobielen. Op een dag krijgt Jaap een ongeluk omdat hij een aanrijding krijgt met een loslopend varken. Moeder Jentje Rahder-Thomas helpt hem op weg in de bedrijfsvoering. Uit de vele aktes blijkt dat tot haar dood in 1953 ze in feite eigenaar is van het bedrijf. Jaap voelt zich sterk. Hij is verliefd op een leuk meisje dat hij onlangs heeft ontmoet.

In 1928 breken voor Femmy en Jaap gelukkiger tijden aan. Ze trouwen vanuit huize Blokland. De huwelijksacte is getekend door de beide moeders en de twee zusters Gré en Mien. 

Jaap’s start als veenbaas is lastig. Het uitbreken van de wereldcrisis in 1929 betekent een nieuwe klap voor het veenderijbedrijf. De turfproductie zakt diep weg. Bovendien is het hoogveen in de wijde omtrek van Hoogveen afgegraven en moet Jaap veel reizen naar de laatste gebieden waar nog veen kan worden gewonnen, het Amsterdamse veld bij Nieuw-Amsterdam. Opa Coen en vader Jan hebben daar jaren geleden al gronden aangekocht. Het veld is een strook veen van 2.256 hectare, dat zich uitstrekt langs de gehele zuidgrens van de gemeente Emmen, van de grens met Sleen in het westen tot aan de grens met het koninkrijk Hannover in het oosten. Aan de zuidzijde liggen de venen van Schoonebeek. Jaap en Femmy nemen de beslissing om te verhuizen naar Nieuw Amsterdam. Het dorp waar veel veenwerkers en veenbazen wonen. Het is ontstaan rond 1860 toen de Hoogveenschevaart werd doorgetrokken. Ze laten er een huis bouwen aan de vaart, “De Tippe” genaamd. In 1929 verhuizen ze en een jaar daarna wordt hun eerste dochter geboren. Jentje Rahder, vernoemt naar haar oma. Jaap’s broer Jan jr. blijft in Blokland wonen en start er een kwekerij. Hij trouwt met Margot Broekhoff, dochter van de bevlogen huisarts uit Hollandscheveld. Dokter Broekhoff woonde aan een wiek, een zijtak van de vaart, en bezocht zijn patiënten vaak met een punter. Tijdens strenge winters ging hij per slede waar een soort hutje op was geplaatst. Hij werd dan voortgetrokken door een bediende op schaatsen. In Hollandscheveld is een straat vernoemd naar de geliefde huisarts Broekhoff.

Jaap en Femmie krijgen nog twee mooie dochters. Elisabeth (Liesje) en Margaretha (Mieneke). Jaap vraagt zich steeds vaker af of de meisjes het bedrijf willen overnemen en of er nog wel een boterham mee te verdienen valt.

Verlovingsfoto van Femmy Uiterwijk en Jaap Rahder

Dit verhaal staat in het boek Hoe de Rahders Drenthe veranderden en het is hier te bestellen

Misbruik van gastvrijheid

Mijn voorvader Derk Roelfs Mansholt (1842-1921) heeft drie pogingen ondernomen om vanuit zijn kiesdistrict (Winschoten)  een gooi te doen naar het lidmaatschap van de 2e kamer. In 1888 was hij voor het laatst kandidaat, dit keer voor de ‘radicale’ partij. Zijn tegenstander was Dhr. Zijlker en de verkiezingsstrijd was zeer fel. Derk Mansholt had altijd veel aanhang bij zijn mede boeren maar zijn ideeën om het grondbezit eerlijker te verdelen stuitte op onbegrip. Bovendien werd hij in de kranten (in advertenties en in ingezonden stukken, zeg maar de sociale media van die tijd) aangevallen op zijn Duitse afkomst. Onder het kopje “Misbruik van gastvrijheid” in de Winschoter Courant is hier een dergelijk stukje te lezen.

Bij de eerste stemronde had Derk Roelfs nipt meer stemmen dan zijn opponent. Maar bij een tweede stemronde won Zijlker. Het was de laatste poging van Mansholt om in de 2e kamer te komen. Na de 2e Wereld oorlog werd zijn kleinzoon Sicco minister van landbouw in het kabinet van Drees en later Eurocommissaris.

Dit verhaal komt in het 3e deel van mijn familiegeschiedenis over de Familie Mansholt. Het verschijnt in september 2022.

Het verhaal over de familie Mansholt, boeren met een missie uit Noord Groningen:

Na de plotselinge dood van mijn vader kwamen we als gezin bijeen om hem te gedenken, afscheid te nemen en de begrafenis te regelen. Mijn moeder vertelde dat hij in het kleine dorpje Vierhuizen in Noordwest Groningen begraven wilde worden. Op een kerkhofje met familieleden uit de Mansholt familie die daar in grote boerderijen in de ‘Westpolder’ hadden gewoond. Ik was verrast door die keuze. Ik wist dat de moeder van mijn vader uit die Mansholt familie kwam en dat hij dezelfde voornamen had als zijn opa die hij nooit had gekend, Ubbo Johan. Het bleek dat mijn vader zich in zijn laatste jaren in de Mansholt familie had verdiept. De ‘rode’ boeren uit Groningen. Een neef van mijn oma, Sicco Mansholt, was na de tweede wereldoorlog jarenlang minister van landbouw voor de PvdA geweest. En daarna was hij een nog bekender Eurocommissaris geworden in de toen net opgerichte Europese Gemeenschap. Maar ook de opa, ‘opa Derk’, van mijn oma en van Sicco was een strijdbaar socialist geweest die contacten had met de schrijver Multatuli en de socialist Domela Nieuwenhuis en lezer was van Marx. Opa Derk was met zijn ouders in 1866 vanuit Oost Duitsland naar Groningen verhuist. Ik begreep opeens dat de naam Ubbo, die ik altijd wat vreemd had gevonden, uit  het Ost-Friesische taalgebied kwam.

Mijn moeder had er wat moeite mee dat ‘haar Ubbo’ zou worden begraven op een klein kerkhofje in de Groningse klei, maar natuurlijk had ze ingestemd met het plan. De dag voor de begrafenis gingen we er kijken. De lange wegen door de polder met de kale vlakten met zeeklei waarop zomers het graan zou groeien. We reden langs dijk van de Westpolder bij de Waddenzee. De eerste boeren die hier gingen wonen hadden die zelf in 1875 opgeworpen maar in de eerste jaren vaak was die nog geregeld doorbroken door de zee. We maakten een korte stop bij ‘Fletum’, één van de boerderijen die de Mansholten daar vanaf de 19e eeuw hadden bewoond. Ook nu woonde er nog familie. We kregen er een boek over de geschiedenis van de Westpolder. En op het door bomen omzoomde kerkhof bekeken we de graven. Er was een mooie plek gevonden voor mijn vader, langs de rand en vlak achter zijn grootvader en naamgenoot en ‘opa Derk’ en diens vrouw Aaltje Mansholt – Dijkhuis. Er lagen nog veel andere grote familiegraven met namen Louwes, Zijlma en Tonkens. Ik wilde meer weten van deze families, pioniers in dit gebied. Hier begon mijn zoektocht naar de familie Mansholt. Op de ochtend van Ubbo’s begrafenis lag mijn moeder Jenny dood in  haar bed. Ze had er enorm tegenop gezien om haar man te begraven. Het boek over de Westpolder nog in haar hand.

Bij het opruimen van het ouderlijk huis van vonden we drie grote hutkoffers op zolder. Daar bleken archiefstukken in te zitten van de familie van mijn moeder, de Rahders die ruim 100 jaar hadden verveend aan de Hoogeveensche vaart, de familie Voerman met de kunstschilders, vader en zoon, Jan Voerman en de familie Mansholt. Samen met schrijver Kees Opmeer, uitgever en ontwerper Albert Smit en mijn zoon Tijs, student Geschiedenis, hebben we vanuit deze drie familiearchieven drie prachtige boeken samengesteld. Ieder met een uniek verhaal met veel nog niet eerder getoonde beelden. De eerste twee delen over de families Rahder en Voerman zijn al uitgegeven. Het verhaal over de familie Mansholt verschijnt in september 2022.

Kerkhofje in Vierhuizen met de grafsteen van mijn vader met erachter de Mansholt graven

Mijn voormoeder Hilje Hopma uit Ellerhuizertil

Hilje Hopma (1800 – 1878) is de jongste dochter van Geugien Roelfs (Hopma) in 1791 gehuwd met Hindertje Claesens (Wijk).

Hindertje wordt in 1771 geboren als dochter van Claes Harms en Anje Jans. Geboorteplaats is de Wijk, een buurtschapje in Ellerhuizen van een paar naast elkaar gelegen boerderijen. Alle broers en zussen zullen later de achternaam Wijk aannemen.

Geugien brengt bij huwelijk een ‘boerenplaatze’ (te Ellerhuizertil) in ter waarde van 5000 gulden, Hindertje brengt in de ‘eigendom en beklemming van achtien graazen Landt, geleegen onder Bedum bij de Oude Ae’ ter waarde van 1400 gulden. Het huwelijkscontract legt nauwkeurige verervingsregels vast. 

Gedenksteen Hopma – Wijk bij de boerderij in Ellerhuizertil.

Geughien en Hindertje krijgen vier kinderen, Alle kinderen, Anje, Jan, Roelf en Hilje staan vermeld op een gevelsteen die in 1821 in de boerderij is ingemetseld. Beide ouders werden in dat jaar 50, ze waren toen ook 30 jaar getrouwd en bovendien werden nieuwe schuren gebouwd.

De tekst luidt:

De veeteeld is onze bezigheid

Naast ’t eerlijk akkerploegen

Weldoen gepaard met matigheid

Geeft rust en vergenoegen

De gedenksteen

Geugien Hopma overlijdt in 1843.  Hindertje Wijk overlijdt in 1859. De graven bestaan nog op het erf van het huidige Ellerhuizen.

Hilje Hopma trouwt in 1823 met Hendrik Jan Zijlma en gaat wonen op boerderij Het Gansehuis te Zuurdijk.

Graven van Geughien en Hindertje bij de boerderij in Ellerhuizertil

Dit verhaal komt in het boek over de familie Mansholt. Het boek verschijnt circa september 2022.

Schenking uniek werk aan Voerman Stadsmuseum Hattem

29 oktober 2021

Peter Voerman, kleinzoon van Jan Voerman jr. en achterkleinzoon van Jan Voerman sr., schenkt nooit eerder vertoond werk aan het Voerman Stadsmuseum Hattem. Het gaat met name om jeugdwerk van zijn opa.

Voerman sr. is landelijk bekend geworden als de IJsselschilder. Voerman jr. is niet alleen een veelgeprezen lithograaf geworden, maar kennen we vooral als illustrator van de Verkade-albums.

Familiearchief

Het jeugdwerk bevindt zich in het uitgebreide familiearchief dat Peter Voerman beheert. Dit archief vormt de basis van het boek Gevangen in een paradijs dat Peter Voerman samen met auteur Kees Opmeer onlangs heeft geschreven. Het boek beschrijft het bijzondere leven van beide schilders met uniek beeldmateriaal en nooit eerder vertelde verhalen. Het boek wordt uitgegeven door Stichting Cultuurfilms Drenthe.

Jeugdwerk Jan Voerman Jr.

Tentoonstelling

Publicatie van het boek was voor het museum aanleiding een tentoonstelling over beide beroemde schilders  te organiseren, onder de gelijknamige titel ‘Gevangen in een paradijs’. Deze tentoonstelling is nog tot en met 30 november in het Voerman Stadsmuseum Hattem te bekijken. De tentoonstelling en het boek blijken zoveel belangstelling te trekken dat Peter Voerman heeft besloten een deel van zijn tot nu toe besloten archief aan het museum te schenken.

Tekenschriften, kalenderbladen

De schenking bestaat onder meer uit de eerste tekenschriften van Jan Voerman jr. Schetsen voor de Verkadealbums die hij vanaf zijn 15e maakte, persoonlijke documenten zoals brieven aan zijn opa Ericus Verkade en kalenderbladen die hij voor zijn opa Verkade maakte. Goed te zien is met welke aandacht en finesse de jonge Jan Voerman al kon tekenen en aquarelleren.

Jan Voerman Jr.

De Groninger boer

De periode 1775 – 1875 was de bloeitijd van de Groninger boer. De gemeente ‘De Marne’ was toen de rijkste gemeente van Nederland. Mede door hun ondernemingszin in de succesvolle handel in graan verkregen de boeren steeds meer rijkdom en later ook politieke macht. De grondwet van Thorbecke uit 1848 gaf de Groningse boeren meer kansen in het bestuur ze hadden oog voor vernieuwende politieke ideeën. Binnen het toen opkomende gedachtegoed van de Verlichting werd gestreefd naar ontwikkeling onder anderen door bete onderwijs voor een groetere groep inwoners. Onder deze boerenfamilies waren mijn voorouders Dijkhuis, Zijlma en Mansholt. Ze zetten zich in voor de strijd tegen overstromingen die nog geregelde de akkers onderspoelde met zout zeewater en het verbeteren van de landbouw door betere bemesting en het versterken en veredelen van landbouwproducten. Er ontstond geleidelijk een nieuwe stand van gegoede boeren. Er werd ook vaak getrouwd binnen deze nieuwe elite. Onderstaande bruidsjapon is van mijn voormoeder Henriette Zijlma toen ze in 1852  trouwde met Stephanus Louwes (collectie Verhildersum)

De bosjes van Voerman Sr. en het Velthuys in Hattem

In 1927 werd mijn overgrootvader Jan Voerman sr. zeventig jaar. Nog steeds was hij de eenzelvige man die uit de schijnwerpers wilde blijven. Er was een krant die aandacht aan zijn verjaardag wilde schenken, maar mijn overgrootvader hield met grote stelligheid de boot af. De krant berichtte toen hierover dat zijn zeventigste verjaardag een aangelegenheid was die hij het liefst onopgemerkt voorbij zag gaan, een verlangen dat wij ten volle eerbiedigen. 

De jaren begonnen te tellen, maar dat weerhield Voerman sr. er niet van om voortdurend op zoek te gaan naar andere wegen en nieuwe invalshoeken. Zo begon hij in 1929 met een nieuwe serie studies van bosgezichten. Waar hij vaak naar toe ging was het ‘Bosje van juffrouw Jonker’, met de koets ongeveer een half uur rijden vanaf zijn huis, in gezelschap van zijn trouwe knecht Ten Have. In dit bos, lag aan de Veldweg, een wit gepleisterd landhuis, ’t Velthuys, dat Maria Jonker, een schoolvriendin  van Anna Voerman – Verkade,  in 1903 had laten bouwen.

Mijn overgrootvader kwam daar graag. Niet alleen aangetrokken door de mysterieuze schoonheid van dat bos, maar ook door de aanwezigheid van het landhuis. Maria Jonker

hield daar een soort pension voor wat oudere kunstenaars die een plek zochten om tot rust te komen. Onder de gasten bevonden zich ook vrienden en kennissen van Voerman sr., die van de gelegenheid gebruikt maakten om bij hem aan de Gelderse Dijk op bezoek te komen. Mijn overgrootvader genoot van deze bezoekjes. Het gaf aan dat hij geen hekel had aan mensen, maar dat hij niets moest hebben van het onvoorspelbare ‘gedoe’ van de buitenwereld.

Mijn overgrootvader wilde het in die jaren anders doen dan de bosgezichten die hij eerder had geschilderd. Hij zei daarover:

…Als je eerst met bosch begint, dan zoek je naar mooie bomen, vooral héél mooie stammen. Je wilt de stammetjes héél uitvoerig teekenen met mos erop en zoo – en zo moet je ook beginnen, maar later is de kleur in het bos alles, en hoofdzaak is de grote harmonie. Als je zo in ‘t bos alleen bent en in Gods zon staat, ja dan kun je daar zoo staan, je kunt niet meer; je kunt niet meer in je opnemen, het is overweldigend…je moet stuk… En dan moet je naar huis, omdat je niet meer kunt en je zoudt zoo graag nog blijven…

Het was een eeuwige zoektocht, met steeds de terugkeer naar zijn geliefde IJssellandschap met de karakteristieke wolkenluchten, die hem een eigen plaats binnen de Nederlandse landschapsschilderkunst hebben bezorgd.  

Een gezelschap met Maria Jonker en Anna Voerman – Verkade bij het Velthuys

Uit de serie Bosjes van Jan Voerman sr.

Frederik van Eeden bezoekt zijn kunstvriend Jan Voerman Sr.

Frederik van Eeden kwam regelmatig bij het gezin van zijn kunstvriend Jan Voerman Sr. over de vloer. De kinderen verheugden zich erop als hij langs kwam. Hij las hen voor uit het boek ‘Grassprietjes’ van Cornelis Paradijs. Dan lagen de kinderen onder de tafel van het lachen. Later kwamen ze erachter dat Frederik van Eeden deze verhalen zelf had geschreven. ‘Grassprietjes’ is een bundel gedichten, waarin Van Eeden de spot drijft met de vrome en zoetsappige gedichten uit die tijd.

Frederik van Eeden had veel gevoel voor humor. Ook mijn overgrootvader was daarvan wel eens het slachtoffer. Hij nam Frederik een keer mee naar zijn atelier om hem zijn ‘Grote luchten schilderij’ te laten zien. Van Eeden bleef een tijdje voor het doek staan kijken, deed een paar passen achteruit en zei toen op ernstige toon: Zou je daar bij die grote wolk niet eens een klein engeltje om de hoek kunnen laten kijken?.

Voerman sr. kon de humor van zijn vriend wel waarderen. Hij antwoordde op dezelfde ernstige toon: Nou je het zegt, daar zal ik de volgende keer eens aan denken.

Frederik, behalve schrijver ook psychiater, stichtte in 1898 een vreedzame leefgemeenschap in Bussum: Walden, genoemd naar een Amerikaans boek dat hij had gelezen. Het idee voor deze utopische kolonie werd mede gevormd door zijn ervaring met de ‘kolonie’ van Voerman sr. aan de Gelderse Dijk. Helaas was Walden geen lang leven beschoren. Vooral financiële problemen waren er de oorzaak van dat de kolonie in 1907 failliet ging.

Portret van Frederik van Eeden
Het Grijze atelier waar Voerman Van Eeden ontving

De lessen van Jiddu Krishnamurti in de sterkampen te Ommen

Jan Voerman Jr. hoopt in 1919, na zijn  academietijd, veel te kunnen schilderen in zijn nieuwe kamer in Den Haag, maar er is veel afleiding. Gesprekken tot diep in de nacht over oorlog en vrede en een nieuw begin. Er is een nieuwe held waarover gesproken wordt. Een jonge Hindoestaanse man uit India, Jiddu Krishnamurti genaamd. Een aantal leden van de vriendengroep waarbij ook broer Wim Voerman worden trouw volger en zijn medeoprichters van “The Order of the Star of the East”.

Jan houdt wat afstand. De volgelingen zien elkaar op het landgoed “Eerde” bij Ommen. In 1925 maakt Krishnamurti zijn volgelingen duidelijk dat “hij die een ander volgt ophoudt de waarheid te volgen”. Hij neemt daarmee afstand nam van zijn wereldleraarschap. Later ontbindt hij in Ommen de Orde van de Ster in het Oosten, die op dat moment over de hele wereld zo‘n 40.000 leden telt. Vooral voor Wim is het een grote teleurstelling. Hij maakt veel wandelingen met Krishnamurti en maakt foto’s die hij aan de volgelingen verkoopt. 

Jiddu Krishnamurti (1895-1986) heeft bijna 65 jaar lang gesproken voor en met mensen in alle werelddelen. Hoewel hij sprak over inzicht en meditatie, bracht hij geen nieuw geloof, geen nieuwe filosofie. Wat hij deed was samen met zijn toehoorders nagaan wat de oorzaken zijn van de problemen waarmee de mens sinds jaar en dag te kampen heeft.

Krishnamurti in Ommen, foto Willem Voerman
Herdenkingssteen voor de Sterrenkampen in Ommen
Groepsfoto van bezoekers aan het laatste bijeenkomst van het “Ster“ kamp te Ommen met aanhangers van Krishnamurti. Met bij de pijlen v.l.n.r.: Jons Viruly, Wim Voerman, Jan Voerman Jr. en Professor van Rees.