Oprichter Coen Rahder (1812-1872) draagt de leiding van zijn bedrijf in 1866 over aan zijn zonen

Op 1 januari 1866 droeg Johan Coenraad sr. de leiding van zijn bedrijf, dat toen bekend stond onder de naam Turfmaatschappij Valkenheim, over aan zijn tweede zoon Herbert. Johan Coenraad was toen nog relatief jong, 54 jaar. Waarom zijn oudste zoon, Oude Jan, toen niet in beeld was, blijft onduidelijk. Mijn overgrootvader Jonge Jan is dan 8 jaar.

Een paar dagen later al bracht Coen al het materieel en de turfvoorraden onder bij de ‘Commanditaire Vennootschap onder de firma J.C. Rahder’, kortweg de Firma Rahder genoemd. Hij benoemde zichzelf tot de eerste besturende vennoot. Had hij toen al te weinig vertrouwen in zijn zoon Herbert die in naam wel directeur bleef? Onderhuids moeten de spanningen in de familie en vooral met Herbert toen al voelbaar zijn geweest.

Na het overlijden van Coen in 1872, werd hij opgevolgd door zijn zonen Oude Jan en de pas vijfentwintigjarige Johannes Wygardus. De familie-aandelen van Coen bleven na zijn dood in handen van de gezamenlijke erfgenamen. Nadat Johannes Wygardus in 1877 onverwacht overleed, ontstond er verschil van mening binnen de familie over de voortzetting van de Firma Rahder als Commanditaire Vennootschap. Was hier sprake van een machtsstrijd of ging het om geld? In een Commanditaire Vennootschap heb je namelijk beherende vennoten die het voor het zeggen hebben en stille vennoten die alleen een financiële inbreng hebben. Hoe dan ook, ze kwamen er niet uit.

De vele bezittingen, veengronden, huizen van arbeiders en machines werden binnen de familie verdeeld, maar het bedrijf zelf bleef in tact. Pas in 1890 kwamen de familieleden tot een oplossing die voor de meerderheid aanvaardbaar was. Het bedrijf kreeg een herstart als Naamloze Vennootschap Machinale Rahder-Turffabriek. De eerste directeur van dit nieuwe bedrijf werd oudste zoon Oude Jan die al enige jaren had kunnen warm draaien. Oude Jan is nog in Amsterdam geboren. Het verhaal gaat dat hij met zijn vader Coen als jongen van een jaar of 15 in blauwe jas met zilveren knopen en hoge hoed meeging naar de beurs van Amsterdam. Zijn kleinzoon Jan Heil gaf aan dat opa Jan altijd de aristocratische stedeling is gebleven, hoewel hij in Drenthe volgens eigen zeggen zijn gelukkigste tijd heeft beleefd. Zijn kinderen, Coen, Mien en Dien, mochten geen Drents spreken, maar Jan Heil wist nog dat zijn tante Dien in plat Drents heel goed moppen kon vertellen.

Oude Jan was getrouwd met Elisabeth Roos. Zij woonde aan de voorname Keizersgracht in Amsterdam, in een chique en indrukwekkend pand dat het ‘Huis met de hoofden’ wordt genoemd. Hier was kunsthandel De Roos van haar vader gevestigd. Het is een rijk gedecoreerd huis van baksteen met trapgevels dat opvalt tussen de andere huizen in renaissancestijl. Later heeft het huis vele andere bestemmingen gekregen waaronder het conservatorium van Amsterdam. Het huis dankt zijn naam aan een legende. Op een avond toen de familie uit was, werd er op de deur geklopt. Voorzichtig als ze was deed de dienstmeid de deur op een kiertje open. Er stonden 6 mannen voor de deur. Voor de dienstmeid was het meteen duidelijk dat ze kwade bedoelingen hadden. In het nauw gebracht liet ze de mannen één voor éen binnen. Eenmaal binnen hakte ze de kop van de rover af, totdat ze alle zes waren onthoofd. Ter herinnering aan haar dappere optreden zijn de 6 hoofden in hardsteen ter hoogte van de beletage in de gevel aangebracht, waar ze nog steeds zijn te bewonderen.

Ondanks de eerdere meningsverschillen binnen de familie bloeide de onderneming als nooit tevoren. Vanaf 1872 werden de veengebieden rondom Emmen grootschalig ontgonnen. De Commissaris van de Koning in Drenthe liet de minister van Binnenlandse Zaken in 1873 weten dat met dank aan de toegenomen vraag naar turf de veenkoloniën een periode van welvaart doormaakten. De jaarlijkse turfproductie van de firma Rahder was gestegen tot 10 miljoen stuks van uitstekende kwaliteit. Er werkten toen bijna 200 arbeiders voor het bedrijf van de Rahders. In 1880 was het bedrijf een van de grootste van het land en de enige producent van machinale turf.

Herbert, die in Huize Veen en Dal in Noordscheschut was gaan wonen, was toen al zelfstandig vervener in het Amsterdamscheveld geworden. Veel keuze had hij niet, nadat hij in botsing was gekomen met zijn vader. Samen met zijn broer Oude Jan kreeg hij na het overlijden van zijn vader wel het toezicht op het aangelegde bos Kremboong, met instemming van Frederik s’Jacob.

Uit een briefwisseling tussen de broers Oude Jan en Johannes Wygardus bleek dat s’Jacob op een gegeven moment de meeste aandelen bezat in de Machinale Turffabriek van Rahder. Spottend werd hij in de familie vaak ‘Zijne Excellentie’ genoemd. Het kwam erop neer dat er toen niets buiten hem kon gebeuren.

Dit is een fragment uit het boek “Hoe de Rahders Drenthe veranderden”. Het boek is geschreven door Kees Opmeer en is hier te koop.

“Oude” Jan Rahder (1834-1889)

Johannes, Wygardes Rahder (1847-1877)

Groot aandeelhouder Frederik ‘S Jacobs werd door de familie Rahder ook wel “Zijne excellentie” genoemd.

Theda Mansholt (1879-1956) grondlegster van het onderwijs voor meisjes uit boerengezinnen.

‘Scheppende geest en ziel’

Behalve zijn twee stiefdochters Hendrika en Wiepke had Derk Mansholt nog een dochter: Theda. Zij voelde zich nauw verbonden met het lot van boerenmeisjes die in de wereld van herenboeren over het algemeen een ondergeschikte rol speelden. Het was haar missie om door middel van goed onderwijs hun positie te verbeteren. Anders zouden ze in deze mannenwereld niet de kans krijgen zich verder te ontwikkelen. Ze sprak uit eigen ervaring:

…Niet zonder enige bitterheid ervoer ik, dat mijn broers, die géén boter hadden te maken, zoals ik, die geen kalveren hadden op te fokken, daarin te Wageningen wel onderwijs hadden gehad en enige minachting hadden voor de onsystematische, overgeleverde manier, waarop ik deze werkjes uitvoerde…

Ook in haar aderen stroomde het bloed van de familie, met dezelfde betrokkenheid en pioniersmentaliteit. We kunnen gerust zeggen dat zij aan de wieg stond van het Nederlandse Landbouwhuishoudonderwijs, zoals dat toen werd genoemd. In Delfzijl staat het Theda Mansholt College, een vmbo-school. Het geeft haar betekenis voor het onderwijs aan. Of zoals Hetty het noemde: de scheppende geest en ziel van het landbouwhuishoudonderwijs.

Ze begon als huishoudlerares. Daarnaast gaf ze zomercursussen en in de winter kookles aan plattelandsmeisjes op de Rijkslandbouw-winterschool in Veendam, een van de eerste scholen in zijn soort.

Haar inzet voor onderwijs aan deze meisjes trok de aandacht. In 1910 bracht ze in opdracht van de regering een werkbezoek aan België, Denemarken en Noord-Duitsland. Doel was te onderzoeken hoe het onderwijs aan boerendochters in die landen was vormgegeven. Haar bevindingen leidden ertoe dat drie jaar later de eerste Rijksschool voor Landbouwhuishoudonderwijs wordt gesticht. De school, Rollecate genaamd, wordt gevestigd op het landgoed Den Hulst in de buurt van Dedemsvaart. Baron Van Dedem, een zoon van de bekende vervener naar wie Dedemsvaart is vernoemd, stelt een deel van het grote huis op het landgoed met boomgaard en moestuin beschikbaar voor de nieuwe school. Het wekt geen verbazing dat Theda de eerste directrice wordt.

Door de afgelegen ligging was Rollecate een school zonder moderne voorzieningen, zoals waterleiding en elektriciteit, maar Theda benadrukte de voorbeeldfunctie die van deze nieuwe opleiding uitging. In de praktijk van alle dag moesten de docenten immers ook goed kunnen inspelen op de sobere omstandigheden waaronder de boerenmeisjes werkten en leefden. De docenten kregen zelf ook land- en tuinbouwonderwijs. Daar hoorde het werken in de tuin niet bij, vonden ze. Dat werd overgelaten aan de tuinman.

In 1930 verhuist de school naar Deventer en Theda verhuist als directrice mee. De naam wordt omgedoopt tot ‘Nieuw Rollecate.’ Een hoogtepunt voor Theda was het bezoek van koningin Juliana aan haar school in 1957.

Groot hart

Wat Theda dreef bleek uit haar volgende woorden:

…De lerares dient haar leerlingen de ogen te openen voor het vele goede dat buiten wonen heeft en haar leren van dit goede zoveel mogelijk partij te trekken ook door haar produkten van eigen bedrijf en tuin beter dan veelal het geval is te gebruiken…

In het gedenkraam van Rollecate staat: ‘Die altijd geeft van het goede dat zij heeft.’ Het lijkt op het lijf van Theda geschreven.

Haar drijfveren kwamen voort uit een groot hart en inlevingsvermogen. Als jong meisje had ze gehuild toen haar vader Derk een oude afgeleefde arbeider die zestig jaar bij de familie in dienst was geweest, wegstuurde, zonder een cent mee te geven en zonder een dak boven zijn hoofd. Het excuus van Derk was dat hij de diaconie betaalde om in de levensbehoeften van uitgewerkte arbeiders te voorzien. Theda begreep het niet. Hoe kon haar vader zo gevoelloos zijn?

Al op relatief jonge leeftijd, toen ze nog volop in het werkzame leven stond, kreeg ze een tastbaar eerbewijs voor haar verdiensten. Ze werd benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Dit is een fragment uit het boek, “Uit Zeeklei gebakken” over de familie Mansholt. Het boek is geschreven door Kees Opmeer en is hier te koop. Het boek ligt ook in de museumwinkel van het landgoed Verhildersum in Leens.

Kijk ook hier: Theda Mansholt voorbeeld voor mijn oma Hetty Mansholt.

Theda Mansholt

Koningin Juliana bezoekt Rollecate en wordt ontvangen door Theda Mansholt

Wandelen in de wolken met IJssel-schilder Jan Voerman (podcast + wandeling)

Luister naar de podcast over de schilder Voerman. Bedacht door Wim Eikelboom van IJsselverhalen.

Verteller is Peter van Bruggen. Het lied ‘Kijk naar de rivier’ is van Tangarine. 

Frits spits draagt een gedicht voor van Jean Pierre Rawie en Mark Boog . 

Hier is de podcast te vinden

Het Voerman Struinpad in de uiterwaarden van Schelle en Oldeneel in Zwolle is een eerbetoon aan IJssel-schilder Jan Voerman (1857-1941).  

Voerman is beroemd geworden met het schilderen van fantastische wolkenluchten boven de rivier. Die wolkenluchten kun je vandaag de dag nog altijd ervaren langs de IJssel. 

Dit verhaal komt het best tot z’n recht als je het beluistert tijdens een wandeling over het Voerman Struinpad. Kijk hier voor een routebeschrijving. 

Zicht op de IJssel en Hattem van Jan Voerman Sr.

De familie Verkade uit de Zaanstreek bezoekt de schilder Jan Voerman Sr. in Hattem rond 1900

Jan Voerman sr. en zijn vrouw Eduarda Voerman-Verkade en de kinderen woonden nog niet zo lang in hun nieuwe huis toen opa Eric Verkade voor de eerste keer met  Eduarda mee kwam naar Hattem op het vaste tijdstip in september. Dat maakte indruk op de kinderen. Zoon Tijs wist het nog precies.

…Hij bracht voor ons allemaal een mooi cadeau mee, voor Jan en mij samen een kegelspel. Wij vonden hem erg deftig en ik was er bepaald grootsch op dat Opa er zoo uitzag. Wij wisten dat hij een brood- koek- en beschuitfabriek dreef, en stelden het ons voor dat hij boven in de beschuittoren (die op de koekcartons als plakplaat was afgebeeld) beschuitjes zat te bakken. In deze tijd had ik voor het eerst begrip van jaartallen en leeftijden, ik was toen zoowat 7 jaar en toen Oma mij eens kwam goedennacht zeggen, vroeg ik hoe oud zij eigenlijk wel was. Het antwoord luidde: ’57 jaar’, waarna ik haar op het hart drukte ’t volgend jaar toch heel voorzichtig te zijn, want dan was ze 58 en dat was op het ganzenbord de dood! Ze beloofde mij toen ook erg goed op te passen. Toen Opa dat jaar 63 werd, dacht ik dat hij dan wel steeds bij het ganzenbord spelen de pot zou winnen!…

Het moet mijn overgrootvader Jan Voerman Sr. goed hebben gedaan dat zijn schoonvader de stap had genomen om op bezoek te komen, ondanks zijn drukke werkzaamheden. Eindelijk leek hij volledig te worden geaccepteerd. Wat hielp was dat mijn overgrootvader steeds meer naam begon te maken als schilder, waardoor hij zich dit riante huis aan de Dijk kon veroorloven evenals personeel om Anna te ondersteunen bij de opvoeding van het grote gezin.

In latere jaren verwierf mijn overgrootvader steeds meer respect van de familie Verkade. Ze vonden hem een ingetogen en wijs man die op een creatieve en originele manier naar zaken kon kijken. Als er problemen waren in het bedrijf zochten familieleden mijn overgrootvader vaak op om urenlang met hem over mogelijke oplossingen te praten; niet zelden met een verrassend en positief resultaat.

Ook broers en zussen van Eduarda kwamen regelmatig naar Hattem. Ze brachten vaak nieuwe artikelen mee: Tenten uit Engeland, waarmee de kinderen mochten kamperen in de uittrekwaarden van de IJssel. De eerste auto die aan de Gelderse dijk kwam was van Ericus Jr. en er waren de gloednieuwe, door Verkade ontwikkelde waxine lichtjes en ook kwamen er steeds volle dozen Verkadekoekjes en chocola mee.

Kamperen aan de IJssel

Geleidelijk aan kwamen in deze periode rond de eeuwwisseling meer mensen over de vloer. Het was een direct gevolg van zijn toenemende succes als schilder. Een van die mensen was Tessaro, de eigenaar van kunsthandel Buffa. Hij was van Italiaanse afkomst en als kleine jongen met nauwelijks bezittingen naar Nederland gekomen. De kinderen mochten hem graag en noemde het oom Tessaro.

Het gebeurde ook wel dat mijn overgrootvader, gestimuleerd door zijn echtgenote, zelf naar de kunsthandelaar moest reizen om zijn werk aan de man te kunnen brengen. Tijs vond het niet erg.

…Af en toe ging Vader zelf zijn aquarellen, ‘teekeningen’ noemde hij het zelf, naar Amsterdam brengen. Hij ging dan met een heel vroege trein en per rijtuig naar het Centraal Station, zoo heette toen nog het latere station Hattemerbroek. Het was voor Jan en mij een feest dat wij dan, voordat we moesten opstaan, nog een poosje in Vaders groote veeren bed met de wit-katoenen hemel en de beddenkwast mochten liggen of spelen…

Mijn overgrootvader had ook enkele leerlingen die het huis aan de Dijk bezochten. Veelal hadden ze een kamer of atelier in Hattem gehuurd. Een van hen was Jo Koster die het leuk vond om met de kinderen te spelen. Anna moest af en toe op de rem gaan staan, omdat ze de kinderen te druk maakte naar haar zin. Zij bracht veel gezelligheid in huis, vond Tijs.

…Zij was goedhartig en vroolijk en wij vonden haar een gezellig bezoek. In deze tijd was Moeder een tijdlang nog ziek – er had een ontijdige bevalling plaats gehad, ik denk dat het 1898 was. De stemming in huis was wat gedrukt – de dokter kwam over de vloer en zelfs is de bekende verloskundige Van der Wistel uit Amsterdam gekomen om Moeder te helpen. Als Jo Koster dan kwam, bracht die er weer een beetje vroolijkheid in…

Het deed mijn grootvader plezier dat in deze periode zijn oude vriend Bas Tholen weer regelmatig in Hattem opdook. Hij had een plezierjacht waarmee hij samen met zijn vrouw af en toe in zijn geboorteplaats verbleef. De kinderen noemden ze oom Tholen en tante Coba. Het was een uitje als ze mee mochten naar het plezierjacht en dan op zuurtjes of ander snoep werden getrakteerd. Willem, het broertje van Jan en Tijs, was naar oom Tholen, die zelf geen kinderen had, vernoemd. Voluit heette hij Willem Bastiaan Tholen.

Kunstvrienden van mijn overgrootvader waren ook welkom, vooral Frederik van Eeden  De kinderen verheugden zich erop als hij langs kwam. Hij las ze voor uit het boek ‘Grassprietjes’ van Cornelis Paradijs. Dan lagen de kinderen onder de tafel van het lachen. Later kwamen ze er achter dat Frederik van Eeden deze verhalen zelf had geschreven.

‘Grassprietjes’ is een bundel gedichten waarin Van Eeden de spot drijft met de vrome en zoetsappige gedichten uit die tijd. Een voorbeeld daarvan is het lange Predikanten-lied door Hetty het ‘Dominee’s-Lied’ genoemd.

…Toen spitsten de toehoorders de oren. Dominees waren de dankbare mikpunten van de kunstenaarsspot en geen enkele Zeer Eerwaarde Heer werd overgeslagen in het schone lied…

Frederik van Eeden had veel gevoel voor humor. Ook mijn overgrootvader was daarvan wel eens het slachtoffer. Hij nam Frederik een keer mee naar zijn atelier om hem zijn ‘Grote luchten schilderij’ te laten zien. Van Eeden bleef een tijdje voor het doek staan kijken, deed een paar passen achteruit en zei toen op ernstige toon: Zou je daar bij die grote wolk niet eens een klein engeltje om de hoek kunnen laten kijken?.

Voerman sr. kon de humor van zijn vriend wel waarderen. Hij antwoordde op dezelfde ernstige toon: Nou je het zegt, daar zal ik de volgende keer eens aan denken.

In zijn dagboek schreef Frederik van Eeden vol warmte en interesse over zijn bezoeken aan Hattem. Dit dagboek bestaat in totaal uit 9 delen waarvan 4 delen tijdens zijn leven zijn uitgegeven. De overige delen zijn postuum verschenen. Een fragment uit het zevende deel:

…Den volgenden dag naar Hattem, als gast van den heer v. H., die getrouwd is met een dochter van B, een jonge man met fijn, goedhartig uiterlijk. Bevriend met Voerman, om wien ik voornamelijk naar Hattem ging. Voerman liep door de besneeuwde weiden, in zijn cape, hij had dat land pas gekocht. Hij is een boerezoon, en houdt nog koeien en heeft een vrij groote boerderij.

Hij is een korte, stevige man, met lichte ogen en een blonde kinbaard. Hij spreekt in den trant van de echte artiesten, rustig, eenvoudig en raak. Kijkt je dan recht aan over zijn bril. De vrouw vol geestdrift voor het werk van haar man. En daarbij met fijner cultuur dan hij. De man een rusteloos, forsch werker. Voerman was in geen vier jaar één dag uit Hattem weg geweest. ‘Er mocht dan eens juist een mooie lucht boven de IJssel zijn,’ zei hij. We zagen een stuk of tien mooie doeken, met heerlijk uitgewerkte wolkexpressie. Heele wolk-choralen. De dier-figuren meestal wat te klein, en ook de stadsgezichten en scheepjes te peuterig, te veel miniatuur. Maar alles prachtig, zuiver werk. Twee uren vlogen om. Het oude kleine stadje aan de rivier was mooi in de sneeuw. We deden nog een ritje door ’t wijde land met de lage heuvels, bezochten een schilderes, juffrouw K., in een smaakvol klein huisje…

Dit zijn fragmenten uit het boek “Gevangen in een paradijs”, over kunstschilders vader en zoon Jan Voerman en hun banden met Verkade. Het boek is gebaseerd op stukken uit het familiearchief en is geschreven door Kees Opmeer. Het boek is hier te koop en ook bij het Voerman Stadsmuseum Hattem.

Frederik van Eeden

Van schets naar schilderij

Op de nieuwe tentoonstelling van Jan Voerman Sr. ter ere van 75 jaar Stadsmuseum Hattem is een mooi voorbeeld te zien van hoe een schets uiteindelijk leidt naar een schilderij.

De verkoopster:

Hieronder nog een aantal voorbeelden:

Zelfportret in historisch kostuum (1880-1881) Collectie Voermanmuseum Hattem

De Zieke (Joods historisch Museum)

Schets (detail) van de Zieke

Deze twee figuren, een oude man en een jonge vrouw zijn te zien op twee schilderijen waaronder “De Schoenlappers” circa 1883

Herinneringen aan grootmoeder Henderika Dijkhuis – Beukema (1810-1876)

De echtgenote van Derk Roelfs Mansholt, Aaltje Dijkhuis (1837-1915) , komt uit een bekend geslacht van Groninger herenboeren die in de voorspoedige jaren 1760-1770 welvarend waren geworden. Aaltjes vader is Willem Lammerts Dijkhuis (1804-1893). Hij werd geboren op  de boerderij ”Menneweer’ in de Westpolder vlak onder Vierhuizen. Op 18-jarige leeftijd wordt hij bedrijfsleider op deze boerderij die dan in bezit is van zijn moeder, zijn vader is vroeg overleden. Willem is een goede ondernemer en een landbouwer met visie. Het bedrijf groeit en hij koopt een tweede boerderij die hij geheel opnieuw laat opbouwen, “Midhuizen”. Hij behoort dan tot de vijf grootste boeren in de Marne.

Dijkhuis gaat zich ook als bestuurder hard maken voor de belangen van de boeren. Hij is ouderling en kerkvoogd, volop betrokken bij de inpoldering van de Westpolder. Samen met de families Torringa, Zijlma, Beukema en Sijpkens is hij de grondlegger van de nieuwe polder. In de nieuwe polder bouwt hij boerderij “Nieuw Midhuizen” voor zijn zoon. Daarnaast is hij een bekwaam bestuurder. Van 1849 tot 1868 is hij lid van Provinciale Staten van Groningen en van 1870 tot 1891 burgemeester van Ulrum. Later is hij Gedeputeerde des Konings en verblijft daartoe geregeld in de stad Groningen. Ook bezoekt hij de vergaderingen met Koning Willen III in Den Haag.

Zijn vrouw Hendrika Dijkhuis Beukema is een ontwikkelde vrouw die geregeld boeken leest. Zodra de meiden en knechten om vier uur in de ochtend gaan melken gaat ze zitten lezen in de kamer van de boerderij. Ze las vooral over de kerkelijke kwesties die toen in de protestantse kerk speelden met Hofstede de Groot en Meijboom (circa 1870).

Dit beeld is in 1942 beschreven door haar oudste kleindochter Hendrika Tonkes:

Als kinderen sliepen Wiepke en ik in een alkoof van de huiskamer. ’s Morgens scheen daar de zon, de kamer lag op het oosten. Blijkbaar ben ik door dat sterke licht vroeg wakker geweest en dan zag ik de lieve vrouw aan tafel zitten lezen. ‘t Was dan zo rustig en alles baadde in de zon”.

Hendrika beschrijft hoe ze als klein meisje de tocht maakt van Meeden (waar ze op een boerderij woont met haar vader Harmannus Tonkes en moeder en later met haar stiefvader Derk Roelfs Mansholt) naar de Westpolder.  Eerst met Barge vanuit Zuidbroek naar de stad Groningen. Ze kwamen binnen vanaf het Winschoterdiep naar het Schuitendiep door het Kleine Poortje.

“Het was zo knus in de kajuit, af en toe het trapje op naar boven, waar ook altijd wat te beleven was”.

De stad maakte grote indruk op het meisje. Ze ging er met moeder boodschappen doen en af en toe gingen ze naar “Het blauwe Peerd” waar opa verbleef als hij in de stad was voor de vergaderingen van Gedeputeerde Staten. Dan met paard en wagen de Boteringepoort uit via de mouskertoenen het vrije land in. Via Adorp, Sauwert, Winsum, Wehe en Leens naar de grote, witte staldeuren van ‘Midhuizen’.

“Grootmoe was de ideale gastvrouw. Ze lette op al haar gasten, richtte zich ernaar, maar zo dat niemand dat merkte. Dat gold ook voor ons. Ze wist dat we graag poffertjes lusten en die mochten wij dan bakken op een komfoor met gloeiende kolen. Een feest!”

Hieronder het schilderij van Albert Jurardus van Prooijen (Groninger Museum) met daarop het Klein Poortje waar de zussen Henderika en Klazien meermalen zijn langsgekomen met de Barge. Het Klein Poortje werd samen met de kazematten en de portierswoning ernaast in 1875 afgebroken bij het slechten van de stadswallen in het kader van de Vestigingswet.

Henderika Dijkhuis – Beukema

Een paradijs met hoge muren

Jan Voerman jr., oudste zoon van IJssel schilder Jan Voerman Sr, staat met zijn jongere zusje Edu op het lege perron. Station Hattem ligt er weer verlaten bij. De trein naar Zwolle, met broer Tijs en vele andere kinderen op weg naar hun scholen, is net vertrokken. Tijs gaat naar de ambachtsschool. Eigenlijk wil Tijs architect of ingenieur worden, maar vader vindt dat hij eerst met zijn handen moet leren werken. Zagen en timmeren. Teruglopend naar het grote huis aan de Gelderse dijk mijmert Jan over zijn leven. Hij zou maar wat graag met Tijs willen ruilen en meegaan naar Zwolle. Naar welke school dan ook. Jan is voorbestemd om in zijn vaders voetsporen te treden en schilder te worden. Hij tekent dagenlang insecten en bloemen, in de koepel naast het huis. Hij heeft er zijn eigen atelier. Zijn ouders vinden hem emotioneel en lichamelijk te kwetsbaar om naar school te gaan met andere kinderen. Hij krijgt thuis les van moeder Anna of een van de kindermeisjes.

Die middag moet Jan weer naar heilgymnastiek om zijn spieren te versterken. Hij hoorde dr. Hage, de huisarts, tegen zijn moeder zeggen dat hij nog nooit zo’n lange en slappe jongen had gezien. Vanaf dat bezoek moet hij elke dag extra maaltijden eten, wandeling maken en krijgt hij oefeningen. En dan om half negen naar bed terwijl hij al 16 jaar is!

Jan hoorde zijn ouders laatst zeggen dat ze in een paradijs leven. Een groot huis aan de dijk met veel ateliers die een prachtig uitzicht hebben op het oude stadje. En dan aan de andere kant de uiterwaarden van de IJssel waar zijn vader dagelijks schildert. Een moestuin met fruitbomen en groentes in overvloed. Een waar paradijs beaamt Jan, maar wel een paradijs met hoge muren waaruit hij toch een keer moet zien te ontsnappen.

Een tekenkist als opdracht

In haar persoonlijke biografie “Neuriën” over echtgenoot Jan Voerman jr. vertelt Hetty Voerman – Mansholt over de dag dat kleine Jan 6 jaar wordt. Het is 23 januari 1896. Het nieuwe huis aan de Gelderse dijk is bijna klaar. Alleen de trappen naar de voordeur moeten nog worden gelegd. Jan klimt een laddertje op, naar het huis waar zijn vader hem heeft ontboden. Er is een persoonlijk cadeau van zijn vader. Een echte tekenkist, zoals zijn vader ook zijn schilderkist heeft. Jan ziet het, hoe klein hij ook is, als een opdracht. Hij zal ook schilder zijn. Hij is trots, maar ook bang. Bang voor de verwachting. Hij tekent dan al veel in zijn schoolschriften, vooral dingen uit de natuur zoals bloemen, vogels en insecten. Prachtige bruine atalantavlinders. Hij tekent kalenders voor zijn opa Eric Verkade, rijk versierd met bloemen. Broer Tijs tekent de nummers van de dagen. Dat kan hij beter. Vanaf 1902 maakt Jan ieder jaar een kalender voor zijn opa. Tot aan Erics dood in 1907. Jonge Jan verwerft aanzien in de Verkade-familie. Het komt hem van pas als hij vanaf zijn 15e meewerkt aan het tekenen van de plaatjes voor de Verkade-albums.

Jeugdwerk Jan Voerman Jr.

Expositie – Voerman senior

Het Voerman Stadsmuseum Hattem pakt voor haar 75ste verjaardag uit met een grote jubileumexpositie!

Van 26 april 2024 t/m 31 oktober 2024

Wandelen door het leven en langs het werk van Jan Voerman senior.

Voor het Voerman Stadsmuseum Hattem is 2024 een gedenkwaardig jaar. Het museum viert namelijk het 75 jarig bestaan.

Om dat jubileum te onderstrepen presenteert het jarige museum een speciale expositie, een grote overzichtstentoonstelling rond Jan Voerman senior. Deze jubileumexpositie ‘Voerman senior’ brengt het leven èn werk van de schilder in beeld, die met zijn zoon Jan Voerman junior naamgever van dit museum is. De expositie biedt een veelzijdige kijk op Voerman senior en toont diverse werken die nog niet eerder in het museum te zien zijn geweest. Het museum heeft hiervoor geput uit de eigen collectie, maar daarnaast zijn er ‘Voermannen’ te zien van de familie Van den Noort uit Den Haag, evenals kunstwerken die Wietse van den Noort heeft gemaakt. 

Het unieke werk dat Jan Voerman en zijn jeugdvriend Bas Tholen maakten

De families Verkade en Rahder en hun buitenplaats aan de Vecht (en Angstel)

Voor veel gefortuneerde Amsterdammers was de Vechtstreek populair: het was dicht bij Amsterdam en bood veel rust, ruimte en frisse lucht. Ook was het gebied interessant omdat ondernemers en kooplui er geld konden verdienen. Boerderijen met veel land en baksteen- en dakpanfabriekjes vormden een goede investering. De aanleg van een jaagpad in 1628 en het afsnijden van een paar Vechtbochten maakte de reis korter en aantrekkelijker: In 4 uur kon men vanuit de stad bij de buitenplaats zijn. De reis ging van de Amstel via binnenwateren als de Holendrecht en de Angstel naar de Nieuwe Wetering. Hier, bij Nieuwersluis, kwam men op de Vecht.

Twee keer per jaar vond een grote verhuizing plaats, want veel meubels, linnengoed, servies en schilderijen werden in mei van uit het grachtenpand meegenomen naar de buitenplaats, en in de herfst weer terug.

De buitenplaatsen zorgden er met hun nutstuinen, karpervijvers en boomgaarden voor dat de eigenaren in de stad het hele jaar gezond voedsel hadden.

De zakenfamilies Verkade en Rahder hebben beide tijdelijk in  een buitenplaats in de Vechtstreek gewoond. Ericus Verkade 1835-1907) oprichter van de Verkade fabrieken ging er in 1881 wonen omdat zijn vrouw Eduarda Verkade – Koning zo verlangde naar een huis in de natuur. Ze was geboren op de Burcht te Wedde en voelde zich niet thuis in Amsterdam. Ericus huurde derhalve de buitenplaats Klein Boom & Bosch bij Breukelen. Er is later door Wenckenbach ook nog een Verkadeplaatje gemaakt van dit buiten voor het album de Vecht. In 1883 vertrok het gezin alweer naar de Zaanstreek alwaar ook de Verkadefabrieken stonden.

Verkadeplaatje van Huize Boom en Bosch

J.C. (Coen) Rahder (1812-1872) was wijnkoper te Amsterdam. Met zijn familie woonde hij daar aan de Buitenkant in een groot pakhuis. Ook de echtgenoot van Coen, Willemina Petronella Cornelia Van Voorthuijsen wilde niet meer in de stad wonen vanwege de stank in de grachten en de vele ziektes. Coen kocht in 1843 de buitenplaats Valck en Heining aan de Angstel. Tegenover dit buiten woonden aan de noordzijde op ‘Geinwensch’  zijn schoonouders reder Jan van Voorthuijsen en jonkvrouw Anna Maria de Villeneuve

Drie kinderen werden er geboren. In 1849 vertrok het gezin alweer omdat Coen veengebieden had aangekocht in Drenthe, ten oosten van Hoogeveen. Na een kort verblijf bij Dedemsvaart liet Coen een huis bouwen dat hij ‘Nieuweroord’ liet noemen. Coen kreeg echter ruzie met zijn zakenpartner Andries de Wilde en moest uit Nieuweroord vetrekken. Hij liet in 1860 bij Noordscheschut een nieuw huis bouwen. Hij noemde dat Valkenheim ter herinnering aan het buiten Valck en Heining.

Buitenplaats Klein Boom en Bosch

Buitenplaats Valck en Heining te Baambrugge

De zussen Fem en Gre Uiterwijk

In dit verhaal is te lezen hoe Hendrik Uiterwijk, kapper uit Hoogeveen, een partij opricht die het opneemt voor de zwakkeren. Daarmee haalt hij in 1919 ineens 3 zetels in de gemeenteraad. Hendrik sterft op jonge leeftijd.

Het gezin Uiterwijk met 2 dochters en een jonge zoon krijg het moeilijk in die jaren na zijn dood. oudste dochter Fem (mijn oma) is diep bedroeft dat haar vader zo plots uit haar leven verdwijnt. Ze is 22 jaar en studeert nog op de kweekschool in Meppel. Ze zal snel zelf haar geld moeten verdienen. Fem is teleurgesteld dat Hendriks vele vrienden na zijn dood niet meer naar zijn gezin omkijken. Hendrik laat zijn gezin berooid achter. Hendrik was nooit met geld. Hij heeft niet gespaard. De les is dat je er uiteindelijk alleen voor staat. Zus Margreet kan verpleging studeren in het verre Groningen met een beurs van de Remonstrantse kerk. Haar uitzet met verpleegsters uniformeren wordt door moeder Uiterwijk en Fem zelf genaaid. Het gezin leeft in armoede, maar de dochters zorgen voor wat inkomen. Ondanks alle strijd van vader Hendrik voor betere regelingen voor de armen is er nog steeds geen sociaal vangnet. Geen staatspensioen. In 1939 sterft zoon Hendrik Jr. op zijn 18e jaar aan een blindedarm ontsteking. Weduwe Elisabeth Uiterwijk-Haarsma hoort het bericht op haar ziekbed en ze sterft in hetzelfde jaar op 59 jarige leeftijd. Het overlijdensbericht komt van de gemeente Groningen en is ingeschreven in Hoogeveen. Ze is in haar laatste maanden verpleegd door dochter Gré.

Fem trouwt met Jaap Rahder . Lees hier meer over het huwelijk van mijn grootouders.

Gre zal in december 1936 trouwen met Jan van Oven. Na een aantal omzwervingen, Jan werkt in verschillende stationsrestaurants, gaan ze wonen in Beetsterzwaag. Jan wordt kok op kinder-revalidatiecentrum Lyndensteijn waar ook mijn vader werkt. Na de vroege dood van mijn grootouders is het erg leuk dat een oud-tante en oud-oom vlakbij wonen. Als Jan overlijdt gaat Gre het hofje van de remonstrantse gemeenschap in de stad Groningen wonen.

Tante Gre van Oven – Uiterwijk als leerlingverpleegster

Jan van Oven, later kok