Als een prinsesje op de Borg van Wedde

Anna Henriette Gezina Verkade (die later zou trouwen met Jan Voerman Sr.) was de oudste dochter van  Ericus Verkade en Eduarda Thalia Koning. Ze werd geboren in Zaandam op 26 maart 1866. Uit een eerder huwelijk had Ericus al een dochter gekregen die naar Duitsland was verhuisd.

Anna werd als kind Annetje genoemd. Ik denk dat ze zich het meest verbonden voelde met haar moeder die afkomstig is uit een notarisgezin dat op een oude Groningse borg in Westerwolde woonde, niet ver van de Duitse grens. Voor iemand als ik die in Groningen is geboren en daar zijn eerste jeugdjaren heeft doorgebracht, was dat een waardevolle ontdekking. Mijn oma Hetty en haar familie kwamen ook uit Groningen.

Vlak voordat Anna 7 jaar werd, in de strenge winter van 1872 – 1873,  werd ze erg ziek. Haar moeder zat dagenlang aan haar bed en vertelde verhalen om haar af te leiden. Favoriet voor Anna waren de verhalen over de borg waar haar moeder was opgegroeid. Eduarda vertelde beeldend over de prachtige omgeving van de streek Westerwolde met de bossen en beken en over de borg die in Anna’s beleving uitgroeide tot een sprookjeskasteel. Haar moeder moest Anna plechtig beloven dat ze een keer naar dat sprookjeskasteel toe zouden gaan dat net buiten het dorpje Wedde was gelegen.

En zo gebeurde het. In de zomer, toen Anna was opgeknapt, begon de reis met haar moeder naar het voor Anna verre, onbekende Groningen. Het was in die tijd een hele onderneming. Ze reisden met de trein via Oldenzaal naar Duitsland. Deze omweg was noodzakelijk, omdat Westerwolde als een oase van bos en prachtige natuur, door het veen met zijn vele moerassen was omsloten en daardoor toen nog nauwelijks op een andere manier was te bereiken.

Toen ze op het kleine station in Duitsland uitstapten, werden ze opgewacht door opa Johannes Sixtus Koning. Voor Anna was hij een soort sprookjesfiguur, deze grote, deftige man met zilverwitte haren en een lange zilverwitte baard. Opa Johannes was burgemeester geweest van Vlagwedde en werkte nu als notaris in Oude Pekela. Dat beeld van een sprookjesfiguur werd nog versterkt door het rijtuig met twee paarden ervoor dat op Anna en haar moeder stond te wachten.

Historicus en rijksarchivaris A.J. Feith beschreef Johannes Sixtus na een bezoek aan de borg als volgt:

…Nooit zal ik den aanblik vergeten, welke ons daar wachtte. In het oude poortje van den toren, den ingang van het huis, waarboven zich het gebeeldhouwde en kleurig geschilderde wapen van Schenck van Tautenburg vertoont, stond een kloeke rijzige figuur met zilverwitte haren en langen zilverwitten baard. Het was als een beeld uit vroegere tijden, hetwelk voor ons oprees, die oude zeventiende eeuwsche omgeving en die nobele grijsaard, die het, ‘formosa facies muta commendatio est’ tot een volkomen waarheid maakte. Die een wetenschappelijke oase creërde in een uithoek van het land. Die man was Mr. Johannes Sixtus Gerardus Koning, de bewoner en eigenaar van het slot te Wedde…

De uitspraak formosa facies muta commendatio est  is een uitdrukking uit het Latijn dat zoveel betekent als een schoon gelaat is een stilzwijgende aanbeveling.

Er valt nog veel meer te vertellen over de boeiende figuur Johannes Sixtus en zijn voorouders, een eigen boek waard, maar ook hier moet ik me beperken.

In het rijtuig hobbelden Anna en haar moeder over de buitenwegen naar de borg in Wedde. Opa zat met wapperende haren op de bok en hield de teugels stevig vast. Anna voelde zich een echte prinses. Ze vroeg zich af of de kinderen in Zaandam haar avontuur zouden geloven.

Toen ze in de buurt van Wedde kwamen, kon Anna de toren van de borg al zien die hoog boven de bomen uitstak. De borg, die in 1360 werd gebouwd, was omringd door het water van de Westerwoldse Aa die als een heuse slotgracht bescherming bood. Over de lange oprijlaan en de ophaalbrug reden ze de borg binnen. Haar moeder had niets te veel verteld, de borg was een echt kasteel. Doodmoe van de lange reis en alle indrukken viel ze nog in het rijtuig in slaap.

Ze droomde dat ze een prinses was. Een prinses in een roze jurk die bijna de grond raakte met pofmouwtjes en strikjes. Ze woonde op een kasteel met een hoge uitkijktoren. Om het kasteel heen was water en verder alleen maar natuur, bossen en dieren. De koning was een lange man met witte haren en een witte baard die met een zware stem sprak, zoals het hoort bij een koning. En weet je wat het mooiste was? Ze hoefde niet naar school, maar kon de hele dag spelen. Glijden over de leuning van de lange trappen in het kasteel of verstoppertje spelen in het park bij de slotgracht. Elke dag mocht ze kiezen wat ze wilde eten . En later… later zou ze met een prins trouwen en heel veel kinderen krijgen, misschien wel vijf.

De volgende ochtend werd ze wakker in een nieuwe wereld, ver van het stadse leven in Zaandam. De familie op de borg ontfermde zich meteen over het lieftallige dochtertje van Eduarda. Tante Thalia en tante Dientje waren niet bij haar weg te slaan. De beide ongetrouwde dames woonden in het poorthuis net buiten de gracht. Tante Thalia was de oudste zus van Johannes Sixtus.

In Wedde had Anna de tijd van haar leven. Ze zou er nog veel aan terugdenken. Toen ze oud genoeg was, mocht ze op eigen houtje de lange reis naar Wedde maken. Ze heeft die reis vele malen gemaakt om daar ’s zomers van het leven op de borg te genieten.

Met beide ongetrouwde tantes ontstond een hechte vriendschap. Vaak maakten ze lange wandelingen in Westerwolde. Net als haar moeder is ze daar een echt buitenkind geworden. Ze bewonderde tante Thalia die prachtige tekeningen en schilderijen kon maken, net als haar vader en broers. Anna hield vooral van de afbeeldingen van de weelderige landschappen in de omgeving en de dieren en planten, zoals vlinders, kevers, bloemen en vruchten. Misschien dat ze daarom meteen dezelfde liefde voor de natuur herkende in de man op wie ze later verliefd werd, haar prins.

Sommige zaken worden steeds duidelijker voor mij. Het is niet alleen door mijn overgrootvader dat mijn opa een passie voor tekenen ontwikkelde. Het zat ook in het bloed van de familie van zijn moeder.

Een van de redenen dat ze zo graag naar de borg van Wedde reisde was de optimistische kijk die de beide tantes en de rest van de familie op het leven hadden. Het was altijd gezellig in Wedde. Er werd veel gelachen en het glas was altijd half vol. Die positieve ervaring heeft mijn overgrootmoeder meegenomen in haar leven met mijn overgrootvader die nogal eens aan de sombere kant kon zijn. Een passage in een brief aan haar moeder van 9 april 1910 laat zien hoe de familie Koning in het leven stond.

…In dit opzicht zijn we nu eenmaal anders moedertje. Het idealisme heeft u van de Konings – en al varieert uw kijk op zaken nogal eens – U ziet het liefst de dingen ‘mooi’. Dat is uw natuur hè, en als u daar gelukkig in is ben ik er blij om…

Een paar jaar voor haar overlijden heeft Anna de borg nog een keer terug mogen zien. …Het weerzien gaf haar een intense voldoening en was een gaaf slotaccoord van haar leven…

Dit is een fragment uit het boek “Gevangen in een Paradijs” over de kunstschilders Jan Voerman Sr, en zijn zoon Jr. en hun banden met de Families Verkade en Koning. Geschreven door Kees Opmeer. Het boek is hier te bestellen.

Annetje Verkade (1866-1939)

Borg van Wedde

Mr. Johannus, Sixtus Koning (1809-1888)

Derk Roelfs Mansholt (1842-1921)

‘Jonge jaren tussen graan en slik’

Derk Roelfs Mansholt heeft, ter ere van zijn vijftigste verjaardag, zijn jeugd in het Reiderland beschreven. Bineke Mansholt en Eliza Gussenhoven-Mansholt, twee van zijn achterkleinkinderen, hebben deze teksten vertaald en verwerkt in een boek onder de titel: ‘Jonge jaren tussen graan en slik.’ Het leert ons veel over de omgeving waarin Derk opgroeide en over zijn denkbeelden die van hem een Groninger boer maakte met een grote maatschappelijke betrokkenheid. Met zijn denkbeelden heeft Derk de kiem gelegd voor de loopbaan van zijn kleinzoon Sicco Mansholt die zich ontwikkelde tot een politicus van nationale en later zelfs internationale allure. Hieronder een fragment uit zijn lagere school tijd.

Lepel in zijn knoopsgat

Derk bezocht een plattelandsschool waar kinderen vanuit de hele regio naar toe gingen. Het was ongeveer een kwartier lopen naar deze school in het gehucht Aaltukerei, halverwege de dijkweg naar Ditzum. Hygiëne was ver te zoeken in dit bedompte gebouw met maar één ruimte waar alle kinderen les kregen, tachtig leerlingen, jong en oud bij elkaar. Dat was niet de ideale plek om goed te leren. Het was wel de ideale plek om kattenkwaad uit te halen met zijn vrienden. De arme leerkracht kwam ogen en oren te kort om de orde te handhaven. Voldoende aandacht voor iedere leerling was er lang niet altijd bij. Over die arme leerkracht die zoveel kinderen in toom moest houden, schreef Derk:

…De onderwijzer die zo karig werd betaald dat hij iedere avond bij één van de ouders aan moest schuiven voor zijn maaltijd, had de lepel in zijn knoopsgat…

Het was een zwaar en uitzichtloos leven voor deze onderwijzer, een leven waarin eenzaamheid en armoede de boventoon voerden. Van zijn salaris kon hij niet rondkomen. Hij bewoonde een kamer in een naast de school gelegen woning. Als een bedelaar ging hij ’s avonds bij de gezinnen van zijn leerlingen langs om zijn kostje bij elkaar te scharrelen. Dat waren de secundaire arbeidsvoorwaarden van die tijd. Er waren weken bij dat hij iedere dag hetzelfde te eten kreeg, vooral in de winter, zoals stamppot of wortels met spek.

De onderwijzer kreeg steeds meer last van sombere buien. Wat had hij voor toekomst? Uiteindelijk zag hij geen uitweg meer. Op een ochtend werd hij in zijn kamer gevonden, hangend aan een touw.

 … De arme man was zo vermagerd dat hij het niet nodig vond een behoorlijk stuk touw te nemen, maar een stuk pakte waarmee destijds de ganzenveren werden samengebonden…  

Deze tragische gebeurtenis heeft diepe indruk op de jonge Derk gemaakt. Maar ondanks de slechte omstandigheden op school heeft hij toch het nodige opgestoken, met dank aan de inzet van de onderwijzers. Het was zijn nieuwsgierigheid die hem verleidde om daarnaast veel aan zelfstudie te doen waardoor hij al met al  behoorlijk wat kennis heeft opgedaan. Terecht was hij daar trots op.

Dit is een fragment uit het boek Uit Zeeklei gebakken geschreven door Kees Opmeer. Het is hier te bestellen of te koop via de boekwinkel of bij de museumwinkel van Landgoed Verhildersum

In de pers over de familieboeken

Mansholt

Verhaal over Uit Zeeklei gebakken in het Dagblad van het Noorden

Rahder

Verhaal en Podcast over de familie Rahder van RTV Drenthe

Verhaal over de Familie Rahder in het Dagblad van Het Noorden

Stukje in het Dagblad van het Noorden over de audiotour

Voerman

Verhaal over het boek Gevangen in een paradijs RTVHattem

Bericht over de opening van de Voerman tentoonstelling in de Hattemer

Drie nieuwe boeken met beelden vanuit onze familie

Deze maanden verschenen er drie mooie boeken met beelden en verhalen waarin onze familie wordt genoemd.

Het boek van Dirk Kome gaat over snelfotografie en bevat een foto van Derk Roelfs Mansholt en zijn kleinzoon Dirk. Wim Eikelboom schreef een boek met verhalen over de IJssel en bevat twee verhalen met foto over de kunstschilders Voerman. En Ed Buijsman maakte een boek over de Verkadelabums de Grootte rivieren en Waar wij wonen. Hij laat daarin zien hoe de plaatsen eruitzien die ooit door Jan Voerman Jr. en Jan van Oort werden geschilderd.

De ruzie tussen Derk Roelfs Mansholt en Ferdinand Domela Nieuwenhuis

 ‘Us Ferlosser’

In 1879 leerde Derk Roelfs Mansholt (1842-1921) Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) kennen, voorman van de Sociaal-Democratische Bond, de eerste socialistische partij van ons land. Dat jaar was een keerpunt in het leven van Domela Nieuwenhuis. Hij richtte samen met een paar geestverwanten het blad ‘Recht voor Allen’ op, waarop de sociëteit in Meeden zich door een handigheidje van Derk had geabonneerd. Het was hetzelfde jaar waarin Domela Nieuwenhuis niet langer predikant wilde zijn. Hij was het bijna 10 jaar geweest, begonnen in Harlingen, maar hij kon het niet langer verenigen met alle onrecht dat hij om zich heen zag. Maar het was niet alleen dat. In zijn persoonlijk leven had hij veel verdriet ondervonden, zoals het vroegtijdig overlijden van meerdere echtgenoten. Hij is 4 keer getrouwd geweest. Hierdoor kon hij niet langer geloven dat er een God van liefde bestond.

Domela Nieuwenhuis hield niet op met prediken; niet langer over God, maar over het geloof in een betere samenleving. In zijn thuisbasis Friesland en in Groningen trok hij van dorp naar dorp en van stad naar stad om zijn geloof te verkondigen. Later breidde hij zijn werkgebied tot de rest van het land uit. Hij was meer spreker dan schrijver, geen wonder met een achtergrond als predikant. Door zijn gloedvolle, inspirerende, verhalen, zijn religieuze achtergrond en zijn markante kop met woeste baard en lange haren, lag een vergelijking met Jezus voor de hand. In Friesland werd hij liefkozend door de arbeiders ‘Us Ferlosser,’ genoemd. Het was een eretitel die later alleen Johan Cruyff nog ten deel viel, maar dat was om een geheel andere reden.

In de loop der tijd radicaliseerde hij steeds verder. In 1887 werd hij zelfs veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf, omdat hij zich schuldig had gemaakt aan majesteitschennis. Domela Nieuwenhuis werd anarchist.

Schrijven en lezen

Derk voelde zich zo aangesproken door zijn denkbeelden en charisma dat hij in 1888 in het Noorden campagne voor hem ging voeren. Het leidde tot een innige vriendschap tussen de herenboer en de gesjeesde dominee.

Derk leerde ook andere mensen rond Domela Nieuwenhuis kennen, zoals de journalist Joan Nieuwenhuis, voor zover bekend geen familie van Ferdinand. Joan Nieuwenhuis stond aan de wieg van de Hazewinkel Pers en het Nieuwsblad van het Noorden. Hij, die zichzelf ook tevergeefs kandidaat had gesteld voor de Tweede Kamer, drukte en publiceerde een vurig artikel van Derk met als titel Aan de Nederlandse boerenarbeiders. Dezelfde Nieuwenhuis gaf het Groninger Weekblad uit, een landelijk weekblad met een signatuur die Derk op het lijf geschreven was. Derk ging zelf ook stukken schrijven voor dit blad. Toen het Groninger Weekblad in de schulden raakte, sprong hij bij.

Het moet zo rond 1878 zijn geweest dat Derk Das Kapital van Marx ging lezen. Avond na avond zat hij over dit boek van ruim 800 pagina’s gebogen, af en toe stoppend om een aantekening te maken. Naast de vriendschap met Multatuli en Domela Nieuwenhuis heeft dit boek grote invloed op zijn denkbeelden gehad. Met zijn Duitse achtergrond kon hij het boek in de oorspronkelijke taal lezen. Dat hielp hem om de vaak complexe teksten goed te begrijpen. Zijn enthousiasme was zo groot dat hij een toegankelijke samenvatting wilde maken voor de Nederlandse lezers. Na een aantal pogingen gaf hij het op. Het lukt hem niet om de diepgravende theorieën in verkorte vorm duidelijk te maken.

Van scheurtjes tot breuk

Derk was een koppig man, overtuigd als hij was van zijn eigen gelijk. Conflicten lagen voortdurend op de loer. Het zou leiden tot een breuk met Domela Nieuwenhuis. Het eerste scheurtje zien we als Derk zich sterk maakt voor de verkiezingscampagne van Joan Nieuwenhuis in Friesland en Groningen. Deze campagne is niet echt een succes. De kroegen en zaaltjes blijven leeg als Nieuwenhuis daar komt spreken. Volgens Domela Nieuwenhuis is dat voor een deel de schuld van Derk. In al zijn wijsheid had hij bedacht om entreegeld te heffen van 50 cent. Het was bedoeld om verkeerd volk buiten de deur te houden dat alleen maar geïnteresseerd was in roken en drinken. Net als Multatuli haatte hij dat soort bijeenkomsten.

Een paar jaar later, in 1891 leidden de scheurtjes tot een definitieve breuk. In het blad Recht voor Allen viel een geloofsgenoot van Domela Nieuwenhuis Derk aan op het feit dat hij grootgrondbezitter was en baas van flink wat landarbeiders. Aan zijn integriteit als socialist werd openlijk getwijfeld. Een rijke herenboer die pleitte voor herverdeling van bezit. Waarom had hij het goede voorbeeld dan niet gegeven? Was hij wel oprecht in zijn standpunten?

Dat hij in 1889 medeoprichter en bestuurslid was geworden van de Nederlandse Bond voor Landnationalisatie telde blijkbaar  niet mee. Artikel 1 van het statuut was veelzeggend: De grond moet eigendom van de staat of de gemeente worden en de huidige eigenaren moeten schadeloos worden gesteld.

Het artikel in Recht voor Allen leidde tot giftige ingezonden stukken. Die Mansholt was niet te vertrouwen. Hij zorgde slecht voor zijn medewerkers. Hij betaalde ze te weinig. De ene ingezonden brief werd overtroffen door de andere. Onzin stapelde zich op onzin, gevoed door vooroordelen en valse emoties. Het nieuws verspreidde zich snel als tegenwoordig nepnieuws op social media. Arme Derk, het klopte van geen kanten, maar herenboer en socialist kon in de ogen van velen niet samengaan. Ferdinand Domela Nieuwenhuis liet hem vallen.

‘Mijn zelfverdediging’

Derk had voorstanders en medestanders, uitgesproken als hij was in zijn opvattingen. Dat speelde ongetwijfeld mee op de achtergrond van deze vuilspuiterij. Hij nam steeds meer afstand van de scherper wordende standpunten van Domela Nieuwenhuis. Het socialisme ontwikkelde zich in een richting waar Derk niet achter kon staan. Hij was een man die meer heil zag in overleg en geleidelijke veranderingen. Dat stak hij ook niet onder stoelen of banken, hoe fel hij ook kon zijn in zijn uitlatingen.

Hij schreef een artikel met als titel Mijn zelfverdediging waarin hij alle beschuldigingen ontkrachtte met feiten en voorbeelden. Het werd een verklaring, in de vorm van een brochure,  van maar liefst 48 bladzijden. Maar andersgelovigen kun je moeilijk overtuigen. Teleurgesteld moest hij constateren dat het allemaal niet veel uitmaakte. Derk kreeg genoeg van de politieke strijd, het behalen van het eigen gelijk en het gekonkel.

Dit is een fragment uit het boek over de Familie Mansholt, geschreven door Kees Opmeer. Het boek met de titel Uit Zeeklei gebakken is hier te bestellen. Het is ook te koop via de boekhandel en in de museumwinkel van landgoed Verhildersum in Leens.

Ferdinand Domela Nieuwenhuis

Coen Rahder verhuist in 1850 met zijn gezin van Amsterdam naar Nieuweroord

Coen Rahder en zijn zakenpartner Andries De Wilde gingen op zoek naar veengrond ten oosten en noordoosten van Hoogeveen. De belangrijkste reden was dat daar nu een goede afvaart van turf mogelijk was door de recente verbreding van de Hoogeveensche Vaart. Zo kon de afgegraven turf zonder problemen worden vervoerd naar Meppel. Vandaar gingen de schepen over de Zuiderzee naar grote steden als Amsterdam en Utrecht en naar de vele steenbakkerijen in Gelderland. Vervoer over de weg was geen optie. In 1850 bezat Drenthe niet meer dan zo’n 80 kilometer aan verharde wegen. De eerste spoorlijn, Zwolle-Meppel, werd pas in 1867 in gebruik genomen.

Rahder was een man van vernieuwing en grote ambities. Hij had grootse plannen om voor het turfsteken gebruik te gaan maken van de laatste, nieuwe ontwikkelingen. Daarvoor had hij zijn blik gericht op Frankrijk. Eind 1850 werd hij benoemd tot directeur-administrateur van de ‘Maatschappij tot Exploitatie van de Westerborker en Broekvenen.’ Daarvoor, in 1849, kochten Coen en Andries de Wilde, samen met nog een drietal andere ondernemers, het Broekveen en Mekelmeerscheveen voor een bedrag van 103.500 gulden. Ook kochten ze grond in de zogenaamde Tiende- en Drievenen, een veengebied in de buurt van Nieuw-Balinge, ten noordoosten van Hoogeveen.

Niet ver van Hoogeveen mocht hij in opdracht van de ‘Maatschappij’ een huis laten bouwen dat hij ‘Nieuweroord’ noemde. Het werd niet zijn eigen bezit, maar kwam in eigendom van Andries de Wilde. Wilhelmina had deze plek met zorg uitgezocht. Ze had ontdekt dat er in de omgeving een goede arts woonde. Hiermee kon Coen een van zijn beloften aan zijn vrouw nakomen. Tijdens de bouw van ‘Nieuweroord’ woonden ze tijdelijk in Dedemsvaart.

Het was niet zonder reden dat Wilhelmina met haar grote gezin en de zwakke gezondheid van haar man hier zoveel waarde aan hechtte. In dit deel van Drenthe waren nog maar weinig artsen beschikbaar en goede medicijnen waren spaarzaam. De weinige apothekers die hier waren, hadden lang niet allemaal een goede scholing achter de rug. In de omgeving was ook geen ziekenhuis aanwezig. Later zou Coen zich als lid van de gemeenteraadnog inzetten voor de bouw van een ziekenhuis in Hoogeveen. Hij werd raadslid in 1865 met steun van de vereniging dorpsbelangen Noordscheschut die toen net was opricht. Uit de verslagen van de gemeenteraad bleek dat ook het onderwijs hem aan het hart ging. Hij maakte zich bijvoorbeeld hard voor een verhoging van de jaarwedde van onderwijzers. Ondanks protesten van het college werd de wedde verhoogd van 300 naar 400 gulden. Coen wilde goede onderwijzers in de gemeente en daarvoor moest je een goed salaris betalen, vond hij. Bekend was ook dat hij zich sterk maakte voor de bouw van nieuwe scholen en het verbeteren van bestaande schoolgebouwen. Hij bleef raadslid tot zijn dood. Zijn zoon Herbert werd later ook raadslid.

Samengevat kwam het erop neer dat de medische zorg in Drenthe op een laag pitje stond en dat het slecht was gesteld met de hygiëne onder de plaatselijke bevolking. Het was dan ook niet verwonderlijk dat in 1853 en 1866 cholera-epidemieën in Drenthe uitbraken met honderden doden tot gevolg.

Dit is een fragment uit het boek van Kees Opmeer “Hoe De Rahders Drenthe veranderden”, het is hier te koop

Presentatie audioroute Rahder te Nieuweroord

Op dinsdag 16 mei 2023 vindt in dorpshuis De Vuurkorf in Nieuweroord de presentatie plaats van de audioroute Rahder. Deze wandeltocht van ruim een uur voert langs plaatsen die in het leven van de invloedrijke vervenersfamilie een belangrijke rol hebben gespeeld. 

Burgemeester Karel Loohuis van de gemeente Hoogeveen verricht om 19.00 uur de aftrap door het bord voor de route te onthullen. 

 De familie Rahder heeft veel voor Drenthe betekend en zichtbare sporen in de omgeving nagelaten. Ze waren veenbazen met een grote maatschappelijke betrokkenheid. Dankzij de inspanningen van het familiebedrijf, de eerste Drentse multinational, is het dorp Nieuweroord ontstaan. Ze hebben een school gesticht. Door het aanleggen van kanalen en wijken voor de turfwinning en de aanleg van het bos Kremboong hebben ze het landschap voor altijd veranderd.

De wandelroute is gebaseerd op het boek ‘Hoe de Rahders Drenthe veranderden,’ geschreven door Kees Opmeer en gebaseerd op het familiearchief van Peter Voerman, kleinzoon van de laatste vervener Jacob Rahder. Onderweg komt u langs elf belevingspunten met geluidsfragmenten. Dat maakt deze route tot een ontdekkingstocht.

 Na de aftrap door de burgemeester vertelt historicus Albert Metselaar kort iets over de ontwikkelingen in het veen rond Nieuweroord en Hoogeveen. Peter Voerman geeft een inkijkje in zijn familie en Kees Opmeer legt uit hoe het boek tot stand is gekomen. Om 20.00 uur wordt afgesloten met een uitleg over de route.

 Alleen tijdens deze presentatie kunt u het boek voor de gereduceerde prijs van (€ 20,00) na afloop aanschaffen (winkelprijs is € 29,95). U kunt alleen contant afrekenen. Peter Voerman en Kees Opmeer zijn beschikbaar om het boek te signeren. Toegang is gratis.

De familie Dijkhuis, herenboeren uit de Westpolder

Willem, Lammerts Dijkhuis (1804-1893), gehuwd met Henderica, Rijpkes Beukema (1810-1876) kan worden gezien als  een typische Groninger herenboer. Hij werkte vanaf 1822 op boerderij ‘Midhuizen’ toen in bezit van de Familie Beukema in de Westpolder. Hij huwde Henderica Beukema, dochter van de eigenaar, en nam het bedrijf in 1830 over. Hij had voldoende geld verdiend met de akkerbouw en kon daardoor actief zijn als gedeputeerde des Konings in het Provinciaal bestuur. Ook was hij actief betrokken bij de indijking van de Westpolder. Na de inpoldering van de Westpolder werden boerderijen ‘Nieuw Midhuizen’ en ‘Manneplaats’ van het bedrijf afgesplitst.

Binnen de familie wordt nog altijd het vertaal verteld dat Willem Lammerts Dijkhuis ooit op een gala met Koning Willem III een glaasje cognac dronk dat op een dienblad stond. Dat was niet de bedoeling want dat glaasje werd gebruikt om de sigaren in te dopen voordat ze werden aangestoken.

Henderica Dijkhuis – Beukema was een onderlegde vrouw die lid was van een boekenleesclub en ook was ze actief volger van de vele kerkelijke kwesties die in de 19e eeuw in Groningen speelden.

Dochter Aaltje Willems trouwde met boer Harmannus Tonkens (1827-1864) en ging op zijn bedrijf in Meeden wonen. Na de dood van Harmannus hertrouwde Aaltje met Derk Roelfs Mansholt en in 1882 verhuist het gezin naar De Westpolder. Aaltje Dijkhuis-Mansholt was de grootmoeder van zowel Sicco Mansholt als van Herman en Stefanus Louwes, belangrijke spelers in het Nederlandse landbouwbeleid van na de tweede Wereldoorlog. Er werd toen wel gezegd dat het Nederlandse, en zelfs Europese, landbouwbeleid vanuit de Westpolder werd vormgeven.

Meer verhalen en beelden over de boerenfamilies Dijkhuis, Zijlma, Louwes en Mansholt in het boek “Uit Zeeklei gebakken”. Het boek is hier te koop

Willem Lammerts Dijkhuis in zijn galakostuum van de Gedeputeerde des konings in Gr0ningen.

Aaltje, Willems Mansholt-Dijkhuis dochter van Willem Lammerts.

Veenbranden

Veenbranden kwamen regelmatig voor, een nachtmerrie voor iedereen die van de turfwinning afhankelijk was. Op 21 mei 1917 ontstond een enorme veenbrand in Valthermond. Daarbij vielen 16 doden waaronder een gezin op een turfschip dat zich daar veilig waande. Bijna honderd jaar later, in 2015, is ter nagedachtenis aan deze ramp een monument in Valthermond onthuld. Een veenbrand was de nachtmerrie van elke vervener. Moeilijk te bestrijden, omdat het vuur van een veenbrand ondergronds voortwoekert. Bij een brand kwam iedereen kwam helpen; dorpsbewoners, veenarbeiders, vrouwen, kinderen en ook opa Jaap met zijn kunstbeen. Zij aan zij sloegen ze met takken op het brandende veen. Dit was de manier om het vuur te bestrijden.

Dit is een fragment uit het boek: ‘Hoe de Rahders Drenthe veranderen’. Het boek is hier te bestellen

Veenbrand bij Valthe (foto uit archief Sam Dice)