Hendrik Voerman: de eerste stadsboer in Kampen uit de familie Voerman.

Het verhaal van de familie Voerman begint met een schilderij. Hoe kan het ook anders? Tijs Voerman, de broer van mijn opa Jan, noemt het in zijn opgeschreven herinneringen een ‘studietje.’ Hij kreeg het van zijn vader Jan Voerman sr. die het had geschilderd toen hij begin 20 was. Dat moet rond 1880 geweest zijn.

Wat je ziet is een kleine boerderij, gelegen op een verhoging in het landschap onder Kampen in de polder Kamperveen. Kamperveen is een laaggelegen en vruchtbaar gebied aan de rand van de Zuiderzee met boerderijen die op een terp stonden. De bevolking bestond voornamelijk uit streng gelovige boerenfamilies met hun dienstmeiden en knechten.

Het paneeltje van Jan Voerman Sr.

Op deze boerderij heeft de oudst bekende Voerman gewoond. Zijn naam was ook Tijs, geboren rond 1730. Hier liggen mijn wortels.

Tijs kreeg 2 zonen, Peter, de oudste en Reijnder (geboren 1764). Deze Rein Tijssen Voerman, zoals hij werd genoemd, was mijn voorouder van wie Jan Voerman senior en junior rechtstreeks afstammen. Rein liet een grote boerderij bouwen in de onmiddellijke nabijheid van de oude boerderij van zijn vader. Hij trouwde met Aaltje Schraat. Zij was zelf boerendochter en met haar ouders vanuit Duitsland hier terecht gekomen.

Wat we weten is dat Aaltje en haar familie rond 1800 vanuit het Rijnland met een schip naar ons land voeren. Het moet een vreemd gezicht zijn geweest, dat volgeladen schip. Vader, moeder, haar zusje, knechts en dienstmeiden. Alle bezittingen van de familie bevonden zich aan boord; huisraad, werktuigen, paarden, koeien en andere beesten. 

Ze voeren de Rijn af om in de buurt van Doesburg op de IJssel uit te komen. Vandaar gingen ze stroomafwaarts langs oude steden als Zutphen, Deventer en Zwolle om uiteindelijk in Kampen hun bestemming te vinden waar de IJssel uitmondde in de Zuiderzee. Verder konden ze niet.

Hun vertrek was een vlucht. Als welgestelde boer maakte boer Schraat moeilijke tijden mee, nu de Fransen daar onder aanvoering van Napoleon de baas waren. Zijn bezittingen waren niet veilig en hij zag geen toekomst meer in het Rijnland. Wellicht speelde mee dat de Fransen in 1807 een eind maakte aan de Erbuntertänigkeit van de boeren. Het is een vorm van horigheid die stamt uit de Middeleeuwen waarbij kleine boeren economisch en persoonlijk volkomen afhankelijk waren van de grillen van de grootgrondbezitters. Voor de kleine boeren was de maatregel van de Franse bezetters een bevrijding. Voor de rijke boeren zoals de familie Schraat betekende dat een einde aan hun bevoorrechte positie.

In een verre uithoek aan de kust van de Zuiderzee wilde hij een nieuw bestaan opbouwen. Op het Kampereiland kocht hij een hofstede. Waarschijnlijk hoopte hij hier minder last van de Fransen te hebben die weliswaar ons land in 1795 waren binnengevallen, maar toen nog minder zwaar hun stempel op het dagelijks leven drukten.

Rein kreeg verkering met de levenslustige Aaltje. Ze trouwden en kregen twee kinderen, een dochter Hendrikje en een zoon Hendrik die in 1811 is geboren. Enkele jaren later, in 1819, is Aaltje overleden. Op aandringen van Rein nam het dienstmeisje de zorg voor de kinderen op haar schouders.

Hendrik Voerman groeide op tot een sterke, energieke jongen die meehielp op de boerderij van zijn vader. De mensen in deze streek merkten niet veel van de armoede die vooral in de grote steden was ontstaan. Het leven op het platteland kabbelde voort, maar lang zou het niet duren.

In de nacht van 4 op 5 februari 1825 werd het land rond Kampen geteisterd door een enorme watersnoodramp die begon met een zware noordwesterstorm op 2 februari. Het water in de Noordzee werd opgestuwd en zocht een uitweg naar de Zuiderzee. Dijken, zoals die bij Zwartsluis, braken een paar dagen later door, zodat het water ongehinderd naar binnen kon stromen. Op oude kaarten is te zien hoe het water diep het land binnendrong, zelfs tot hoger gelegen gebieden rond Olst en Wijhe aan toe. Honderden mensen verdronken met hun vee en veel meer mensen raakten dakloos. Een enkele boer wist zijn vee te redden door ze naar de Bovenkerk en Buitenkerk van Kampen te drijven, maar in de buitengebieden was er geen redden meer aan. In Kampen is nog geprobeerd dammen op te werpen voor de stadspoorten, maar het water was niet meer te stuiten. Het duurde niet lang of het water stond zelfs tot aan de daken van de oude huizen.

Op zich was het was niet opzienbarend dat in de winter een aantal keren water vanuit de Zuiderzee het Kampereiland en andere laaggelegen polders binnendrong. De dijken en kaden waren niet hoog genoeg om bij een flinke storm het opgezweepte water van de Zuiderzee te weerstaan. De bewoners van het Kampereiland waren dat gewend. De boerderijen waren niet voor niets op verhogingen, ‘belten’, gebouwd. Dat is ook in deze tijd nog goed in het landschap te zien.

Maar de overstroming van 1825 was van een geheel andere orde. Door deze enorme watersnoodramp werd ook de boerderij van Rein weggeslagen. Hij en de rest van zijn gezin wisten zich ternauwernood te redden door hun toevlucht te zoeken in de hooiberg. Door de verhalen van voorouder Tijs zie ik voor me wat er gebeurde. Hendrik, 13 jaar, was ooggetuige. Hij zou dit zijn leven lang niet vergeten. Ze waren zo hoog mogelijk in de hooiberg geklommen. In het flauwe licht van de maan, als een wolk wegtrok, zag Hendrik het water kolken. Zijn vader Rein had zijn zusje tegen zich aangetrokken. Haar schouders maakten schokbewegingen.

De blik van Hendrik ging naar de boerderij waar het water tegen de ramen aangolfde. Boven het loeien van de storm uit hoorde hij opeens geluiden. Het kwam uit de richting van de stal waarvan de deur door de kracht van het water was weggeslagen. Een paard dat hinnikte, het geloei van koeien, het klagelijk gemekker van de geiten. Beesten in doodsnood. Ze konden geen kant op. Hendrik kon het niet aanhoren. In een opwelling probeerde hij naar beneden te klimmen, maar zijn vader hield hem met een gestrekte arm tegen. Hendrik zou geen kans maken.

Er bewoog iets in het water, vlak voor de stal. Het kwam dichterbij. Nu zag Hendrik de grote angstogen van de merrie die wanhopig in de richting van de hooiberg zwom. Een touw dreef op het water achter haar aan. Ze heeft zich kunnen losrukken, dacht Hendrik. Eindelijk bereikte het dier de hooiberg dat op een verhoging was gebouwd. Het lukte haar uit het water te klauteren.

De andere dieren verdronken. Stel je voor, alles in één nacht weg; boerderij, vee, huisraad. Tijs, broer van mijn opa, geeft in zijn aantekeningen aan dat in zijn vaders jeugd, mijn overgrootvader, alleen de fundering en de waterput  als overblijfselen van de boerderij nog te zien waren. Een nieuwe behuizing is daar nooit meer opgebouwd. Dat gold voor de meeste boerderijen die door het water waren vernietigd. Ze moesten opnieuw beginnen. Hendrik verhuist naar de stad en gaat boeren als stadsboer op de Groenstraat 106. Hij is daarmee de eerste stadsboer uit het geslacht Voerman. Om 1840 koopt hij voor 100 gulden Grootburgerschap van de stad Kampen. In 1875 wordt zijn jongste zoon Jan Voerman geboren, de latere IJsselschilder.

Dit is een fragment uit het boek “Gevangen in een Paradijs” over de kunstschilders, vader en zoon Jan Voerman. Geschreven door Kees Opmeer. Het boek is hier te koop.

Ook in het boek “Vier eeuwen het geslacht Voerman-Boer” van Aalt Landman zijn deze gegevens terug te vinden. Het boek werd 16 september 2024 gepresenteerd en in ontvangst genomen door Sander de Rouwe, burgemeester van Kampen.

Een huwelijk in 1923 verbindt de families Voerman en Mansholt.

Mijn opa Jan Voerman Jr. en mijn oma Hetty Mansholt hadden ieder hun eigen ‘bewogen’ geschiedenis. Jan was als oudste zoon van kunstschilder Jan Voerman Sr. ‘verkozen’ om in zijn vaders voetsporen te treden. Hij kreeg privé lessen in zijn vaders atelier en mocht geen regulier onderwijs volgen. Pas 1912 ging hij naar de Academie der Kunsten in Amsterdam, waar hij voor het eerst op eigen benen kon staan. Hetty kwam uit het boerengeslacht Mansholt en verloor haar vader al toen ze 12 jaar was. Dit bracht het gezin in grote problemen mede omdat moeder Grietje veel depressies had. . Hetty voelde zich verlaten en was vaak somber. Ze vond maar moeilijk een eigen weg.  

In het boek “Gevangen in een paradijs” gebaseerd op het familiearchief en geschreven door Kees Opmeer staat het volgende fragment over hun huwelijk.

Hetty en Jan ontmoeten elkaar en waren verliefd en lang verloofd. Ze durfden de stap naar een verbintenis niet te maken.

Op 20 april 1923 was Hetty jarig. Jan feliciteerde haar in een brief vol woorden van liefde.

…Ik kom je niets beters wensen dan om rust te hebben en te wachten en heel veel schoons te zien waar het zich geeft om te zien. O, dat ik jou heb…

Ging het wel goed met Hetty? In de woorden zit ook zorg opgesloten. Haar antwoord zei genoeg.

…Ik verlang naar je stille troost en rust. ’t Briefje van Joost (Hudig). Dat greep me zo aan. Dat troosteloze verloren zijn en zich niet terug te vinden. Dan blijft er niet anders over dan de Dood. De ‘Dood lief te hebben’ zoals Rilke predikt. Dan sta je zo absoluut voor de dood, dat je zacht glimlachend kunt genieten van het Leven…

Het zijn woorden waar ik van schrok. Voor het eerst werd me duidelijk hoe diep mijn oma in de put zat. Zelf schreef ze er openhartig over. …Mijn terugkerende depressies leerden me om te staan op de diepe grondtoon van het leven, van dood en armoede, waaruit mysterieus het Leven opbloeit…

Jan probeerde haar op te beuren met zijn verhalen. Met hem ging het beter. Hij was productief, verkocht regelmatig schilderijen, kalenders en litho’s en kreeg opdrachten. Hij schreef er enthousiast over in zijn  brieven.

Het was niet genoeg voor Hetty. Wie kon haar goede raad bieden? Op 9 mei 1923 ontving Jan een briefkaart van zijn verloofde waarin ze opgewonden schreef over een gesprek dat ze met professor Révèz had gehad, iemand van Duitse afkomst die ze via haar familie kende. Het betekende een ommekeer. Deze professor had haar onomwonden gevraagd:

…‘Weshalb heiraten Sie sich nicht?’ Hij ging op de man af en dat werkte als een schok, want alle andere mensen ontweken deze vraag uit fijngevoeligheid. ‘Wenn ein Mann nach seinem 30en Jahre sein Gehalt nicht Verdient, soll er heiraten. De verantwoordelijkheid maakt hem vindingrijk en sterker. Dan zal hij vanzelf de juiste uitvindingen doen, die maken dat hij zich ontplooit en de kost verdient. Ook verdient een man getrouwd, meer als ongetrouwd’…

Het was precies wat Hetty nodig had. De woorden gingen erin als zoete  koek. Volgens Hetty was de professor een man die uit een vreemd land was gekomen, zelf grote moeite had om vaste grond onder de voeten te krijgen, tussen al die vriendelijke maar gereserveerde Hollanders. Hij wist waar hij het over had.

Jan was opgelucht. Eindelijk meer duidelijkheid over hun toekomst. Ze werden gesterkt door de reacties van anderen die allang hadden gedacht dat het tijd was voor een huwelijk. Jan en Hetty begonnen plannen te maken.

Ze besloten na hun huwelijk in Amsterdam te gaan wonen. Het duurde niet lang of ze vonden een étage bij een bevriende familie. Het was vooral Hetty die zich daarvoor had ingezet. Ze maakte zich druk over hun financiële situatie. Jan verdiende best aardig, maar of het voldoende was? Ze werkte inmiddels zelf in een laboratorium in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam, maar dat was ook geen vetpot. Haar familie waarschuwde haar voor dreigende armoede. Ik moet weer denken aan de bezwaren die Ericus Verkade had tegen het huwelijk van zijn dochter met de arme schilder Voerman sr. Hetty had nog recht op een erfenis van haar grootvader. Deze zou een deel van haar zorgen kunnen wegnemen, maar tot haar schrik ging daar een derde aan successierechten vanaf. Ondanks zijn opdrachten was ook Jan niet vrij van zorgen. Ik las het terug in één van zijn brieven.

…Mijn hand beeft een beetje, omdat ik zojuist stenen geslepen heb. Ons trouwen zal niet zijn een uiteindelijk uitbarsten in feestvreugde. Vind me niet laks, ik kan niet tegelijk werken en huizen zoeken. Ik verstook ongeveer 10 H.L goede anthraciet per winter…

Groot was de blijdschap toen Hetty de huissleutel kreeg. Jan besloot alvast te verhuizen naar de Valeriusstraat 161.

Zijn laatste brief uit Vogelenzang:

…Je lieve brief wees me weer de weg naar de veilige ruimte, die in ieder mens is waar je je kunt terugtrekken.

We zullen veel doen en verder komen als we maar eenmaal bij elkaar mogen blijven. In ieder geval wordt het geen droom of liever: we zullen leren op de juiste wijze te droomen. Wat we krijgen wordt echt!!…

De zomer ging voorbij. Op Koninginnedag, 31 augustus 1923, de laatste dag van de vakantie in Hattem, gingen Jan en Hetty in ondertrouw. Ze trouwden op 6 oktober in Hattem. Twee gemankeerde  mensen die steun en begrip vonden bij elkaar.

Volgens Hetty was het wel feestelijk en héél echt. Over haar huwelijk schreef ze met de haar kenmerkende filosofische inslag:

Vrijheid is vrijheid van het verleden

Vrijheid wil niet binden

Ook de geliefde is geen bezit.

Ze verwees naar een gedicht van Boutens met als titel: ‘Bezit is als een bloem zo broos’.

De aanloop naar het huwelijk was een weg vol twijfels en zorgen, maar het bleek een goede keuze te zijn. Het werd een gelukkig huwelijk dat stand hield tot de dood.

Het boek Gevangen in een paradijs is hier te bestellen. Het verhaal van de Familie Mansholt “Uit Zeeklei gebakken” is ook beschreven door Kees Opmeer en is hier te bestellen.

Hetty Mansholt en Jan Voerman Jr.

Het bruidspaar met zittend links Grietje Mansholt-Louwes en zittend rechts Anna Voerman-Verkade. Staand links Jan Voerman Sr.

Skûtsjesilen in 1917 en 2024

Midden in de Eerste Wereldoorlog ging mijn opa Jan Voerman Jr. (1890-1976) op pad om plaatjes te maken voor het Verkadealbum Friesland (dat in 1918 verscheen).

Hij maakte daarbij ook een plaatje van wedstrijdzeilen op het Sneekermeer. Anno 2024 is dat nog steeds te zien: Skûtsjesilen in Woudsend.

Wedstrijdzeilen op het Sneekermeer in 1917 Jan Voerman Jr.

Wandelen in Amsterdam in 1912

Mijn oma, beschrijft het leven van haar man, de kunstschilder Jan Voerman Jr. in zijn studietijd aan de Akademie der Kunsten in Amsterdam in de jaren 1912-1914.

Als hij schildermateriaal moest kopen, b.v. kwasten en doek, dan liep Jan van de Marnixstraat, waar hij met Tijs woonde, naar de Rozengracht, waar van der Linde zijn zaak had. Zijn vader had in zijn laatste studiejaar daar gewoond, boven een oud bedrijf van zilversmeden. Jozef Israëls had eens in dit zelfde atelier gewerkt; Van der Linde was dus toen al een oude relatie en is ook altijd Jan’s leverancier gebleven. Van de Rozengracht nam hij de Raadhuisstraat met de winkelgalerij waar het “Binnenhuis ” altijd alle kunstnijverheid tentoonstelde.

Vanuit de Raadhuisstraat liep hij vanzelf langs het Paleis op de Dam. Even verder lopen en stilstaan. Langs het Damrak kan je het Centraal station zien. Op een zachte nevelige herfstdag met lage zon, lag het C.S. heel in de verte. niet massief en toch sterk aanwezig, in volle breedte het Damrak afsluitend. Voor ons is het niet meer voor te stellen hoe weinig verkeer er was. Mensen wandelden graag door de stad, om een eindje “om te stappen ” zoals ook Jan deed. Er reden lawaaiige sleperskarren en fijne koetsjes en een enkele kleine paardentram. Het verkeer dat in die tijd nog niet strak rechts moest houden, maakte dat iedereen, door elkaar heen, de weg moest zoeken. Het was rommelig en levendig. Het was wel jammer, dat het open havenfront verdwenen was met de bouw van het Centraal Station in 1881, en dat je geen schepen, masten en hoge stoompijpen in de verte zag, die je lokten om er te gaan kijken. Des te meer omdat ook het einde van het Damrak, van de Amstel onzichtbaar was geworden door de tot stand komen van het nieuwe Beursgebouw, gebouwd met zware blok baksteen, ontworpen door Berlage.

Jan liep altijd de Kalverstraat in om bij kunsthandelaar “Buffa” te te kijken en dan liep hij door de steeg naar het Rokin. Daar lagen meer kunst en antiekzaken en boekwinkels naast elkaar: Wisseling, Scheltema, Holkema, Eijsselöffel, later Benneker. Hoe vaak liep Jan niet even binnen bij Scheltema om een nieuwe uitgave van de kalender van Theo van Hoytema te bekijken. Als er iets nieuws van Wenckenbach lag, was zijn dag goed. Hij zou nooit vergeten, hoeveel híj aan het werk van Wenkenbach te danken had voor zijn eigen werken aan de Verkade albums. “In dat opzicht heb ik meer geleerd van Wenckenbach dan van mijn vader”.

Lees hier meer over de studietijd van Jan Voerman Jr. in Amsterdam

Jan Voerman in Amsterdam circa 1912 (midden-links met pet)

Amsterdam 1912: Zicht op het Damrak met de Beurs van Berlage (rechts met toren) en helemaal achteraan het Centraal Station

Logo kunsthandel Frans Buffa en zonen uit de Kalverstraat

Jeugdvrienden Jan Voerman en Bastiaan Tholen vertrekken in 1876 vanuit Kampen naar de Akademie der kunsten in Amsterdam

Op 26 september 1876 deden Jan Voerman en Bas Tholen, naast 15 anderen, toelatingsexamen voor de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam aan de Stadhouderskade 86. ‘Rijksakademie’ werd toen nog met een k geschreven. Het markante gebouw, aan de rand van het oude centrum, bestond net 2 jaar en is mede door koning Willem III opgericht.

De helft van de studenten die toelatingsexamen deed, werd aangenomen, waaronder Jan en Bas. Voor de gemeenschap in Kampen was dat zo bijzonder dat hierover al twee dagen daarna een berichtje verscheen in de Kamper Courant. Voor mijn overgrootvader was dat iets om trots op te zijn. Normaal gesproken kwam een eenvoudige boerenjongen van 19 jaar niet in de krant. Aandacht in de krant ging ook uit naar Belmer die werd geprezen, omdat hij het talent van deze twee veelbelovende studenten had herkend en ze zo goed had voorbereid op deze belangrijke stap in hun carrière.

Dat was tegen het zere been van hun vroegere tekenleraren Hein en Buijtendijk. In de krant van 1 oktober werd een ingezonden brief van beide heren geplaatst. Ze voelden zich behoorlijk miskend. Jan had immers 5 jaar lang les van deze heren gehad op de stadstekenschool. Daar was de kiem gelegd voor zijn verdere ontwikkeling, vonden zij. Natuurlijk had Belmer ook een bijdrage geleverd, maar alle eer voor hem was te veel van het goede; aldus beide heren.

Het was wat voor Jan. Vanuit het kleine, behoudende Kampen kwam hij, een jonge boerenzoon die gewend was aan ruimte en dieren om zich heen, in het drukke en wereldse Amsterdam terecht. Een grotere cultuurschok was bijna niet denkbaar. Toch leek hij er niet onder gebukt te gaan. Het scheelde dat zijn boezemvriend Bas ook aan dezelfde academie ging studeren. Bovendien trof hij daar een geweldige leermeester en pedagoog, August Allebé, directeur van de academie en zelf een schilder van naam. Hij wijdde zich met hart en ziel aan zijn taak als directeur en docent. Ruimte voor de persoonlijke ontwikkeling van zijn studenten stond bij hem voorop, precies wat Jan  nodig had. Ze moesten leren zelf keuzes te maken. Het gevolg van zijn toewijding was dat de gedreven Allebé voor zijn eigen schilderwerk nauwelijks meer tijd over hield. Wat dat betreft heeft mijn overgrootvader veel geluk gehad met zijn leermeesters. Zij hebben een grote rol gespeeld in zijn ontwikkeling.

In Amsterdam wierp Jan alle schroom van zich af, alsof hij zich bevrijd voelde van het milieu waarin hij was opgegroeid. Hij liet zijn impulsieve karakter de vrije loop en zei wat er in hem op kwam; koppig, grillig, wars ook van romantische invloeden op de schilderkunst. Dat maakte hem niet tot de gemakkelijkste jongeman om mee om te gaan. Het kon hem weinig schelen. Schilderen was alles voor hem. Hij moest en zou slagen en werkte hard, gemotiveerd als hij was om het beste uit zichzelf te halen. Hij viel op bij zijn studiegenoten en vooral bij zijn docenten.

Over zijn Amsterdams tijd vertelde hij later:

…Op de Academie leefde ik bijna van niets. Soms at ik dagen niet. Maar je kon heel wat verdragen in die tijd. Eigenlijk heb ik ’t nooit moeilijk gehad. Je zou me een Zondagskind kunnen noemen, maar dat doe ik niet…

Mijn overgrootvader ontwikkelde zich tot een van de betere leerlingen van Allebé. Aan het eind van zijn studietijd kreeg hij zelfs een loge in de academie. Dat kun je zien als een soort masterclass voor uitblinkende studenten. Hij kreeg individuele begeleiding om zijn talenten optimaal te leren benutten, met veel vrijheid voor zijn eigen ontwikkeling.

Uit zijn studententijd stamt ook het oudst bekende portret van mijn overgrootvader, getekend door de vader van Bas. Zijn verworven zelfvertrouwen en ambitie stralen van hem af.

Dat betekende niet dat hij afscheid had genomen van zijn geliefde Kampen. Amsterdam was een nieuwe ervaring voor hem, maar zijn geboortestad met het omringende platteland kon hij niet loslaten en die binding met het boerenleven zou zijn hele leven zo blijven, ondanks de nieuwe vrijheid die hij voelde.

Het was ook om die reden dat hij zijn vakanties doorbracht in het ouderlijk huis in Kampen. Vandaar trok hij de omgeving in en tekende en schilderde hij het landschap met de koeien en paarden, de rivier en de polders.

In zijn eerste Amsterdamse jaren woonde hij op verschillende adressen. Hij trok niet alleen veel op met Bas, maar ook met andere jaargenoten van de Academie, zoals Piet Meiners, Anthon van Rappard, Willem Witsen en Wijsmuller. Bas en Jan raakten nauw bevriend met Piet Meiners uit Oosterbeek die tegelijk met Jan en Bas toelatingsexamen had gedaan. Na de lessen gingen ze er met z’n drieën veel samen op uit. Ze zwierven door Amsterdam, niet om de bloemetjes buiten te zetten, maar op zoek naar bijzondere plekjes of mensen die ze konden schilderen.  

Het doet me denken aan Van Gogh en Breitner die in dezelfde periode door de Haagse arbeidersbuurten trokken om het leven van alledag vast te kunnen leggen. ‘Ik zal de mensch schilderen op de straat en in de huizen,’ aldus Breitner. ‘Le peintre du peuple zal ik trachten te worden.’ Later kwamen mijn overgrootvader en Breitner met elkaar in contact en schreven elkaar regelmatig brieven. Ik zie voor me hoe mijn overgrootvader met zijn twee vrienden door de Jordaan slenterde, door de smalle straten, langs de vervallen huizen. Kinderen met smoezelige gezichten en tot de draad versleten kleren. Mannen met lege blikken in hun ogen, kijvende vrouwen, wankelende dronkaards. Alles in de Jordaan ademde ellende en verval in deze armoedige tijd.

Dit is een fragment uit het boek “Gevangen in een paradijs” over kunstschilders, vader en zoon, Jan Voerman. Het boek is gebaseerd op het familiearchief en is geschreven door Kees Opmeer en rijk geïllustreerd . Het boek is hier te koop. Ook te verkrijgen bij het Voerman Stadsmuseum Hattem.

Schilderij uit de studietijd tafereel uit de Jordaan

Rapport Jan Voerman van de Akademie der Kunsten te Amsterdam

Wandelen in de wolken met IJssel-schilder Jan Voerman (podcast + wandeling)

Luister naar de podcast over de schilder Voerman. Bedacht door Wim Eikelboom van IJsselverhalen.

Verteller is Peter van Bruggen. Het lied ‘Kijk naar de rivier’ is van Tangarine. 

Frits spits draagt een gedicht voor van Jean Pierre Rawie en Mark Boog . 

Hier is de podcast te vinden

Het Voerman Struinpad in de uiterwaarden van Schelle en Oldeneel in Zwolle is een eerbetoon aan IJssel-schilder Jan Voerman (1857-1941).  

Voerman is beroemd geworden met het schilderen van fantastische wolkenluchten boven de rivier. Die wolkenluchten kun je vandaag de dag nog altijd ervaren langs de IJssel. 

Dit verhaal komt het best tot z’n recht als je het beluistert tijdens een wandeling over het Voerman Struinpad. Kijk hier voor een routebeschrijving. 

Zicht op de IJssel en Hattem van Jan Voerman Sr.

De familie Verkade uit de Zaanstreek bezoekt de schilder Jan Voerman Sr. in Hattem rond 1900

Jan Voerman sr. en zijn vrouw Eduarda Voerman-Verkade en de kinderen woonden nog niet zo lang in hun nieuwe huis toen opa Eric Verkade voor de eerste keer met  Eduarda mee kwam naar Hattem op het vaste tijdstip in september. Dat maakte indruk op de kinderen. Zoon Tijs wist het nog precies.

…Hij bracht voor ons allemaal een mooi cadeau mee, voor Jan en mij samen een kegelspel. Wij vonden hem erg deftig en ik was er bepaald grootsch op dat Opa er zoo uitzag. Wij wisten dat hij een brood- koek- en beschuitfabriek dreef, en stelden het ons voor dat hij boven in de beschuittoren (die op de koekcartons als plakplaat was afgebeeld) beschuitjes zat te bakken. In deze tijd had ik voor het eerst begrip van jaartallen en leeftijden, ik was toen zoowat 7 jaar en toen Oma mij eens kwam goedennacht zeggen, vroeg ik hoe oud zij eigenlijk wel was. Het antwoord luidde: ’57 jaar’, waarna ik haar op het hart drukte ’t volgend jaar toch heel voorzichtig te zijn, want dan was ze 58 en dat was op het ganzenbord de dood! Ze beloofde mij toen ook erg goed op te passen. Toen Opa dat jaar 63 werd, dacht ik dat hij dan wel steeds bij het ganzenbord spelen de pot zou winnen!…

Het moet mijn overgrootvader Jan Voerman Sr. goed hebben gedaan dat zijn schoonvader de stap had genomen om op bezoek te komen, ondanks zijn drukke werkzaamheden. Eindelijk leek hij volledig te worden geaccepteerd. Wat hielp was dat mijn overgrootvader steeds meer naam begon te maken als schilder, waardoor hij zich dit riante huis aan de Dijk kon veroorloven evenals personeel om Anna te ondersteunen bij de opvoeding van het grote gezin.

In latere jaren verwierf mijn overgrootvader steeds meer respect van de familie Verkade. Ze vonden hem een ingetogen en wijs man die op een creatieve en originele manier naar zaken kon kijken. Als er problemen waren in het bedrijf zochten familieleden mijn overgrootvader vaak op om urenlang met hem over mogelijke oplossingen te praten; niet zelden met een verrassend en positief resultaat.

Ook broers en zussen van Eduarda kwamen regelmatig naar Hattem. Ze brachten vaak nieuwe artikelen mee: Tenten uit Engeland, waarmee de kinderen mochten kamperen in de uittrekwaarden van de IJssel. De eerste auto die aan de Gelderse dijk kwam was van Ericus Jr. en er waren de gloednieuwe, door Verkade ontwikkelde waxine lichtjes en ook kwamen er steeds volle dozen Verkadekoekjes en chocola mee.

Kamperen aan de IJssel

Geleidelijk aan kwamen in deze periode rond de eeuwwisseling meer mensen over de vloer. Het was een direct gevolg van zijn toenemende succes als schilder. Een van die mensen was Tessaro, de eigenaar van kunsthandel Buffa. Hij was van Italiaanse afkomst en als kleine jongen met nauwelijks bezittingen naar Nederland gekomen. De kinderen mochten hem graag en noemde het oom Tessaro.

Het gebeurde ook wel dat mijn overgrootvader, gestimuleerd door zijn echtgenote, zelf naar de kunsthandelaar moest reizen om zijn werk aan de man te kunnen brengen. Tijs vond het niet erg.

…Af en toe ging Vader zelf zijn aquarellen, ‘teekeningen’ noemde hij het zelf, naar Amsterdam brengen. Hij ging dan met een heel vroege trein en per rijtuig naar het Centraal Station, zoo heette toen nog het latere station Hattemerbroek. Het was voor Jan en mij een feest dat wij dan, voordat we moesten opstaan, nog een poosje in Vaders groote veeren bed met de wit-katoenen hemel en de beddenkwast mochten liggen of spelen…

Mijn overgrootvader had ook enkele leerlingen die het huis aan de Dijk bezochten. Veelal hadden ze een kamer of atelier in Hattem gehuurd. Een van hen was Jo Koster die het leuk vond om met de kinderen te spelen. Anna moest af en toe op de rem gaan staan, omdat ze de kinderen te druk maakte naar haar zin. Zij bracht veel gezelligheid in huis, vond Tijs.

…Zij was goedhartig en vroolijk en wij vonden haar een gezellig bezoek. In deze tijd was Moeder een tijdlang nog ziek – er had een ontijdige bevalling plaats gehad, ik denk dat het 1898 was. De stemming in huis was wat gedrukt – de dokter kwam over de vloer en zelfs is de bekende verloskundige Van der Wistel uit Amsterdam gekomen om Moeder te helpen. Als Jo Koster dan kwam, bracht die er weer een beetje vroolijkheid in…

Het deed mijn grootvader plezier dat in deze periode zijn oude vriend Bas Tholen weer regelmatig in Hattem opdook. Hij had een plezierjacht waarmee hij samen met zijn vrouw af en toe in zijn geboorteplaats verbleef. De kinderen noemden ze oom Tholen en tante Coba. Het was een uitje als ze mee mochten naar het plezierjacht en dan op zuurtjes of ander snoep werden getrakteerd. Willem, het broertje van Jan en Tijs, was naar oom Tholen, die zelf geen kinderen had, vernoemd. Voluit heette hij Willem Bastiaan Tholen.

Kunstvrienden van mijn overgrootvader waren ook welkom, vooral Frederik van Eeden  De kinderen verheugden zich erop als hij langs kwam. Hij las ze voor uit het boek ‘Grassprietjes’ van Cornelis Paradijs. Dan lagen de kinderen onder de tafel van het lachen. Later kwamen ze er achter dat Frederik van Eeden deze verhalen zelf had geschreven.

‘Grassprietjes’ is een bundel gedichten waarin Van Eeden de spot drijft met de vrome en zoetsappige gedichten uit die tijd. Een voorbeeld daarvan is het lange Predikanten-lied door Hetty het ‘Dominee’s-Lied’ genoemd.

…Toen spitsten de toehoorders de oren. Dominees waren de dankbare mikpunten van de kunstenaarsspot en geen enkele Zeer Eerwaarde Heer werd overgeslagen in het schone lied…

Frederik van Eeden had veel gevoel voor humor. Ook mijn overgrootvader was daarvan wel eens het slachtoffer. Hij nam Frederik een keer mee naar zijn atelier om hem zijn ‘Grote luchten schilderij’ te laten zien. Van Eeden bleef een tijdje voor het doek staan kijken, deed een paar passen achteruit en zei toen op ernstige toon: Zou je daar bij die grote wolk niet eens een klein engeltje om de hoek kunnen laten kijken?.

Voerman sr. kon de humor van zijn vriend wel waarderen. Hij antwoordde op dezelfde ernstige toon: Nou je het zegt, daar zal ik de volgende keer eens aan denken.

In zijn dagboek schreef Frederik van Eeden vol warmte en interesse over zijn bezoeken aan Hattem. Dit dagboek bestaat in totaal uit 9 delen waarvan 4 delen tijdens zijn leven zijn uitgegeven. De overige delen zijn postuum verschenen. Een fragment uit het zevende deel:

…Den volgenden dag naar Hattem, als gast van den heer v. H., die getrouwd is met een dochter van B, een jonge man met fijn, goedhartig uiterlijk. Bevriend met Voerman, om wien ik voornamelijk naar Hattem ging. Voerman liep door de besneeuwde weiden, in zijn cape, hij had dat land pas gekocht. Hij is een boerezoon, en houdt nog koeien en heeft een vrij groote boerderij.

Hij is een korte, stevige man, met lichte ogen en een blonde kinbaard. Hij spreekt in den trant van de echte artiesten, rustig, eenvoudig en raak. Kijkt je dan recht aan over zijn bril. De vrouw vol geestdrift voor het werk van haar man. En daarbij met fijner cultuur dan hij. De man een rusteloos, forsch werker. Voerman was in geen vier jaar één dag uit Hattem weg geweest. ‘Er mocht dan eens juist een mooie lucht boven de IJssel zijn,’ zei hij. We zagen een stuk of tien mooie doeken, met heerlijk uitgewerkte wolkexpressie. Heele wolk-choralen. De dier-figuren meestal wat te klein, en ook de stadsgezichten en scheepjes te peuterig, te veel miniatuur. Maar alles prachtig, zuiver werk. Twee uren vlogen om. Het oude kleine stadje aan de rivier was mooi in de sneeuw. We deden nog een ritje door ’t wijde land met de lage heuvels, bezochten een schilderes, juffrouw K., in een smaakvol klein huisje…

Dit zijn fragmenten uit het boek “Gevangen in een paradijs”, over kunstschilders vader en zoon Jan Voerman en hun banden met Verkade. Het boek is gebaseerd op stukken uit het familiearchief en is geschreven door Kees Opmeer. Het boek is hier te koop en ook bij het Voerman Stadsmuseum Hattem.

Frederik van Eeden

Van schets naar schilderij

Op de nieuwe tentoonstelling van Jan Voerman Sr. ter ere van 75 jaar Stadsmuseum Hattem is een mooi voorbeeld te zien van hoe een schets uiteindelijk leidt naar een schilderij.

De verkoopster:

Hieronder nog een aantal voorbeelden:

Zelfportret in historisch kostuum (1880-1881) Collectie Voermanmuseum Hattem

De Zieke (Joods historisch Museum)

Schets (detail) van de Zieke

Deze twee figuren, een oude man en een jonge vrouw zijn te zien op twee schilderijen waaronder “De Schoenlappers” circa 1883

Een paradijs met hoge muren

Jan Voerman jr., oudste zoon van IJssel schilder Jan Voerman Sr, staat met zijn jongere zusje Edu op het lege perron. Station Hattem ligt er weer verlaten bij. De trein naar Zwolle, met broer Tijs en vele andere kinderen op weg naar hun scholen, is net vertrokken. Tijs gaat naar de ambachtsschool. Eigenlijk wil Tijs architect of ingenieur worden, maar vader vindt dat hij eerst met zijn handen moet leren werken. Zagen en timmeren. Teruglopend naar het grote huis aan de Gelderse dijk mijmert Jan over zijn leven. Hij zou maar wat graag met Tijs willen ruilen en meegaan naar Zwolle. Naar welke school dan ook. Jan is voorbestemd om in zijn vaders voetsporen te treden en schilder te worden. Hij tekent dagenlang insecten en bloemen, in de koepel naast het huis. Hij heeft er zijn eigen atelier. Zijn ouders vinden hem emotioneel en lichamelijk te kwetsbaar om naar school te gaan met andere kinderen. Hij krijgt thuis les van moeder Anna of een van de kindermeisjes.

Die middag moet Jan weer naar heilgymnastiek om zijn spieren te versterken. Hij hoorde dr. Hage, de huisarts, tegen zijn moeder zeggen dat hij nog nooit zo’n lange en slappe jongen had gezien. Vanaf dat bezoek moet hij elke dag extra maaltijden eten, wandeling maken en krijgt hij oefeningen. En dan om half negen naar bed terwijl hij al 16 jaar is!

Jan hoorde zijn ouders laatst zeggen dat ze in een paradijs leven. Een groot huis aan de dijk met veel ateliers die een prachtig uitzicht hebben op het oude stadje. En dan aan de andere kant de uiterwaarden van de IJssel waar zijn vader dagelijks schildert. Een moestuin met fruitbomen en groentes in overvloed. Een waar paradijs beaamt Jan, maar wel een paradijs met hoge muren waaruit hij toch een keer moet zien te ontsnappen.

Een tekenkist als opdracht

In haar persoonlijke biografie “Neuriën” over echtgenoot Jan Voerman jr. vertelt Hetty Voerman – Mansholt over de dag dat kleine Jan 6 jaar wordt. Het is 23 januari 1896. Het nieuwe huis aan de Gelderse dijk is bijna klaar. Alleen de trappen naar de voordeur moeten nog worden gelegd. Jan klimt een laddertje op, naar het huis waar zijn vader hem heeft ontboden. Er is een persoonlijk cadeau van zijn vader. Een echte tekenkist, zoals zijn vader ook zijn schilderkist heeft. Jan ziet het, hoe klein hij ook is, als een opdracht. Hij zal ook schilder zijn. Hij is trots, maar ook bang. Bang voor de verwachting. Hij tekent dan al veel in zijn schoolschriften, vooral dingen uit de natuur zoals bloemen, vogels en insecten. Prachtige bruine atalantavlinders. Hij tekent kalenders voor zijn opa Eric Verkade, rijk versierd met bloemen. Broer Tijs tekent de nummers van de dagen. Dat kan hij beter. Vanaf 1902 maakt Jan ieder jaar een kalender voor zijn opa. Tot aan Erics dood in 1907. Jonge Jan verwerft aanzien in de Verkade-familie. Het komt hem van pas als hij vanaf zijn 15e meewerkt aan het tekenen van de plaatjes voor de Verkade-albums.

Jeugdwerk Jan Voerman Jr.

Expositie – Voerman senior

Het Voerman Stadsmuseum Hattem pakt voor haar 75ste verjaardag uit met een grote jubileumexpositie!

Van 26 april 2024 t/m 31 oktober 2024

Wandelen door het leven en langs het werk van Jan Voerman senior.

Voor het Voerman Stadsmuseum Hattem is 2024 een gedenkwaardig jaar. Het museum viert namelijk het 75 jarig bestaan.

Om dat jubileum te onderstrepen presenteert het jarige museum een speciale expositie, een grote overzichtstentoonstelling rond Jan Voerman senior. Deze jubileumexpositie ‘Voerman senior’ brengt het leven èn werk van de schilder in beeld, die met zijn zoon Jan Voerman junior naamgever van dit museum is. De expositie biedt een veelzijdige kijk op Voerman senior en toont diverse werken die nog niet eerder in het museum te zien zijn geweest. Het museum heeft hiervoor geput uit de eigen collectie, maar daarnaast zijn er ‘Voermannen’ te zien van de familie Van den Noort uit Den Haag, evenals kunstwerken die Wietse van den Noort heeft gemaakt. 

Het unieke werk dat Jan Voerman en zijn jeugdvriend Bas Tholen maakten