De Verkadeplaatjes, een eigen opdracht voor Jan Voerman jr.

In 1897 komt de firma Verkade op het idee om plaatjes toe te voegen aan de verpakte beschuiten en koek. Er zijn plaatjes voor kinderen en ook bouwtekeningen voor modellen van molens, torens en koetsen. Het was een succes, de verkoop gaat flink omhoog.

De Verkades kopen begin 1900 een groot aantal plaatjes met sprookjesfiguren uit Duitsland om bij hun producten te voegen. Er wordt een album bijgemaakt waar ze ingeplakt kunnen worden. De actie is een volkomen onverwacht succes. Vooral kinderen zijn verrukt van de plaatjes en de albums. De familie besluit om nu zelf in eigen land plaatjes te gaan maken met bijhorende albums. Het moet een hoogstaande serie worden. Als schrijver wordt Jac P. Thijsse gevraagd, een bekend liefhebber en kenner van de natuur. En als tekenaars worden bevriende kunstenaars als Wenkenbach en Jan van Oort gevraagd. Ook zwager Jan Voerman krijgt een verzoek om mee te werken. Jan senior heeft daar echter geen zin in en geeft de opdracht door aan zoon Jan, ook al is die nog maar 15 jaar. De opdracht voor de Verkadeplaatjes is een kans, maar ook een gevaar. Jan Jr. heeft dan nog geen eigen stijl ontwikkeld en moet zich al vroeg aanpassen aan de wensen van zijn opdrachtgever.

Thijsse ontwerpt een eerste serie boeken over de jaargetijden. ‘Lente’ is het eerste boek dat in 1906 uitkomt. Jan maakt een serie van 6 proefplaatjes, op het voorgeschreven formaat van 45 x 84 millimeter, die worden gekeurd door zijn ooms Verkade en door Thijsse. ‘Atalanta op klein hoefblad’ is de allereerste schets die wordt goedgekeurd en Jan jr. krijgt zijn eerste grote opdracht.

Voor het volgende album ‘Zomer’ maakt Jan in totaal 8 bladen met zes plaatjes. Hij krijgt er 360 gulden voor. Het geld komt in de familiekas en pas na zijn 18e jaar mag hij het geld zelf houden. Jan jr. leert snel. Al voor het 3e boek Herfst mag hij ook het omslagontwerp maken. Tot aan de Tweede Wereldoorlog oorlog heeft Jan een vaste bron van inkomsten gehad met zijn werk voor Verkade. Naast de Verkadeplaatjes wordt hij ook gevraagd  voor ander reclamewerk zoals schetsen voor de bekende waxinelichtjes. Die eerste opdracht betekent ook dat hij definitief kiest voor een loopbaan als schilder.  Er is geen ander pad meer denkbaar. De ontwerper van de albums voegt jr. toe aan Jans naam. Vanaf nu is hij officieel Jan Voerman jr. Jan krijgt veel bewonderaars in het land. Een ervan is de kleine Hetty Mansholt uit Groningen. Haar neef Henny Werkman drukt de plaatjes en de albums en Hetty vindt vooral de plaatjes van Jan Voerman mooi.

Meer lezen over de schilders Voerman en hun band met de firma Verkade? In juni 2021 verschijnt het boek.

Genemuiden uit het album de Zuiderzee, door Jan Voerman Jr.
De schets die Jan Voerman Jr. ter plekke maakte en later met waterverf uitwerkte naar het plaatje voor het boek

Kastanjes zoeken

Het regent en het is mistig. Herfst! Maar er zijn kastanjes en paddenstoelen en dat maakt bijna alles goed. Ik kan geen kastanje voorbij lopen zonder er uitgebreid naar te kijken. De mooiste neem ik mee maar helaas worden ze binnen op een schaal al snel dof. In de herfst van 1963 zocht ik kastanjes met mijn opa Jan Voerman Jr. Ook hij had oog voor de mooie dingen in de natuur. Maar hij kon ze ook vastleggen. Zijn kastanjes bleven voor altijd glimmen. Op mijn 5e verjaardag kreeg ik een schilderij met de kastanjes die we toen vonden. Ik zoek nu ook kastanjes met mijn kleinkinderen. Jammer genoeg kan ik ze alleen maar bewaren op een foto. Volgend jaar maak ik kastanje en eikelmannetjes.

Pot ‘Augustine’

Jan Voerman Sr. geeft de lessen aan Jan Verkade in diens ouderlijk huis aan de Vecht. Hij ontmoet daar ook diens zus Anna Verkade en wordt verliefd. Zakenman Eric Verkade is niet direct blij met de keuze van zijn dochter. Wat heeft een arme kunstenaar haar te bieden? Er moet geld worden verdiend. Het tafelzilver is al verkocht om de huur te betalen. Het wordt voor Jan tijd om ander werk te maken. Op een dag komt Augustine Obreen naar de les met een verhaal over een prachtige gemberpot die zij gezien heeft op een schuit in de gracht. Prachtig grijs glazuur met blauwe vlammen die oplichten in de zon. Verweerd doordat de schippersvrouwen jarenlang soda in de pot bewaarden. Jan schildert met bloemstillevens in de pot zijn eerste nieuwe werk. Hij spaart genoeg om Eric de hand van zijn dochter te vragen. Deze gemberpot ‘Augustine’ komt in veel van het vroege werk van Jan Voerman voor. Ook het schilderij “Pot met Azalea’s” dat bekend is geworden als voorkant van het boek “Knielen op een bed violen” van Jan Siebelink, is uit deze serie.

“Pot Augustine” door Jan Voerman Sr., collectie De Fundatie Zwolle

Jan Voerman Jr. Een kunstenaarszoon op eigen benen

Jongere broer Tijs verlaat in 1912 het gezin en gaat in Rotterdam en later in Amsterdam een studie tot ingenieur volgen. Niet veel later gaat ook Willem het huis uit om in Delft te studeren. Edu volgt aan huis een opleiding voor de akte van onderwijzeres. Paul wil boer worden, maar wordt tijdens de Eerste Wereldoorlog opgeroepen voor het leger.

Jan leeft nog steeds in een glazen kooi. De fiets doet zijn intrede in het gezin, maar Jan mag daar nauwelijks gebruik van maken. Hij zal zijn handen eens kunnen verwonden. Jan bezoekt zijn broer in Amsterdam en ruikt er aan een ander leven. In 1912 schrijft hij naar de Academie van Beeldende Kunsten met de vraag of hij daar lessen kan volgen.

De directeur is een studievriend van zijn vader en nodigt Jan uit. In zijn brief staat dat het een groot voordeel is dat zijn vader hem uitmuntend kan begeleiden en dat Jan een deel van de studie in Hattem mag doen.

Jan wordt toegelaten maar moet wachten op de jaargang 1913-1914.  Hij gaat wonen in de Marnixstraat bij het Leidseplein. Hij verdiept zich vooral in de techniek van het schilderen. Ook leert hij timmeren en krijgt lessen in de smederij van Fox. Ondertussen maakt hij de plaatjes voor het Verkade-album ‘Bosch en Heide’ waarmee hij de studie kan betalen.

Jan heeft de tijd van zijn leven. Hij wordt door zijn ooms Verkade uitgenodigd voor een diner in de tuinen van hotel Krasnapolsky. Hij krijgt zijn eerste kostuum. Tijs is er, en ook Edu in een nieuwe japon. Voor Jan is eten in een restaurant altijd een ultieme feestelijkheid gebleven. In Hattem werd het bericht over het diner kritisch bekeken. Vader Voer had immers in grote armoede in Amsterdam geleefd. Een ware kunstenaar heeft geen kostuum nodig.

Jan bezoekt het Rijksmuseum en geniet van het werk van Rembrandt. Zijn favoriete werk ‘De jonge Hendrikje Stoffels bij het raam’ ziet hij pas zestig jaar later in een achteraf kamertje in het Louvre. Jan ziet er ook werk van Breitner en Toorop met wie zijn vader nog heeft geschilderd.  Er is werk van Van Gogh met zijn felle kleuren die steeds populairder worden. Vooral de publicatie van de brieven van Vincent aan Theo, die net in  drie delen zijn uitgekomen, worden een openbaring. Een kunstenaar, met al zijn gedachten en twijfels, van dichtbij leren kennen was nieuw en gaf een nieuw licht op diens werk.

Na een jaar vertrekt Jan tijdelijk weer naar het ouderlijk huis in Hattem. Door de dreigende oorlog moet hij al het werk aanpakken wat zich aandient. Voor het nieuwe Verkade-album ‘De Zuiderzee” moet hij veel reizen. Het is een laatste kans om de oude Zuiderzee te zien voordat de Afsluitdijk er een meer van maakt.

Jan Voerman Jr. staand links, tijdens een schildersklas
Jan Voerman Jr, met broer Tijs in rok kostuum op weg naar een feest in Krasnapolsky tijdens hun studietijd in Amsterdam

Het jaar zonder zomer

We vonden ze overal in het lege huis, de flesjes Otrivin neusdruppels. Achter de kleren in de mooie mahonie klerenkast met ramen. Een kast die mijn broers en ik alle drie graag wilden hebben. Op het nachtkastje natuurlijk. In de keuken bij de kruiden. In de douche en in de bovenste la uit het Tante Edu-kastje waar de bijzondere spulletjes werden bewaard. Mijn moeder was een Otrivin veelgebruiker geweest en had als een echte verslaafde overal flesjes paraat. In 1996 waren het nog mooie glazen flesjes met een echte pipet. Veel mooier dan de plastic spuitflesjes van nu. We riepen naar elkaar als we weer een flesje hadden gevonden. Het was een kleine zonnestraal in een donkere periode; de nazomer waarin we de oude boerderij van onze ouders leegruimden. De zorgvuldig verbouwde Saksische boerderij met de grote leefkamer met daarin de hoge Lundia boekenkasten met honderden boeken waarvan de bovenste planken alleen te bereiken waren met een trapje. Honderden romans, allemaal door mijn moeder gelezen en vele geschiedenisboeken waaronder het complete werk van Lou de Jong. En dan nog de slaapkamer, logeerkamers en de schuren waarin de balen hooi voor de schapen lagen opgestapeld. De kleinkinderen vonden het heerlijk om er  op te klauteren en af te glijden.

En niet te vergeten de grote zolder. De zolder waar wij als kinderen bijna nooit kwamen. Er bleken grote stalen boekenkasten te staan vol met nog meer boeken en ordners. Er waren grote kisten met opschriften als P. Voerman en U.J.M. De legerkist van Paul Voerman, broer van  mijn opa en de reiskoffer van Ubbo Johan Mansholt, de opa waarnaar mijn vader werd vernoemd. De koffer is gebruikt op de reis die Ubbo Mansholt maakte als rijkslandbouwleraar naar Canada. Tijdens die reis werd hij ziek en hij zou op jonge leeftijd overlijden. Op de ordners stond vooral N.V. Rahder Machinale Turf, het bedrijf van mijn opa. En dan dozen en mappen vol studiewerk van mijn opa en van mijn overgrootvader Voerman, de kunstschilders. De nalatenschap van de familie Voerman, Rahder en Mansholt. Dat alles onder een laagje stof vermengd met stro en vogelpoep. De zolder was goed bereikbaar via de ûleborden op het dak. 

Het grote huis was akelig stil en voelde leeg. Maar we hadden al snel gemerkt dat we alle spulletjes nooit in onze eigen huizen kwijt zouden kunnen; de antieke meubelen, de boeken, de schilderijen. Mijn vader, die steeds meer last had van Parkinson, was plotseling gestorven en mijn moeder stierf zeer kort daarna op de dag van zijn begrafenis. Ze had haar Ubbo zo lang mogelijk geholpen met zijn ziekte maar na zijn dood zat die taak erop. De dag voor de begrafenis had ze nog verzucht dat ze niet wist hoe ze die dag zonder Ubbo zou moeten doorkomen. Mijn moeder die altijd alles aankon en nooit opgaf. Die ochtend lag ze vredig, maar dood in haar bed. Het boek over ‘De Westpolder’ dat we de dag ervoor hadden gekregen van de familie Mansholt nog in haar handen. We hadden een tochtje gemaakt naar Vierhuizen in de Westpolder waar een groot deel van de familie Mansholt ligt begraven en waar ook Ubbo een plekje had uitgezocht. Mijn moeder wilde zien waar Ubbo naar toe zou worden gebracht. Ze vond het een prachtig kerkhofje, maar zelf wilde ze in het dorp waar ze nu woonde begraven worden, onder de treurwilg.

Gevolg van een onverwacht overlijden is dat je niet de tijd hebt om alles te ordenen. Wat is voor het nageslacht en wat moet weg? Die keuze moesten wij nu maken. Over de meubels, het antiek en de schilderijen waren we het snel eens. Een deel om te verdelen en een deel voor de rest van de familie. Maar wat te doen met de dozen en mappen van onze voorouders? Mijn jongste broer ging rigoureus te werk. Hij laadde de aanhanger vol en reed veelvuldig naar de stortplaats in het nabijgelegen Oosterwolde. Een paar keer viste ik er nog wat schilderstudies uit. Alle drie hadden we jonge gezinnen en drukke banen. We hadden geen tijd en rust om alles op waarde te schatten. Het huis moest leeg en verkocht. We hadden nauwelijks tijd om na te denken over die voorouders. 

In het laatste weekeinde voor de verkoop van het huis nam ik de drie grote kisten mee. Ze kwamen terecht in de garage en later op de zolder van ons nieuwe huis “De Oude School” in Westervelde. De zolder liep door over het woonhuis, de oude bovenmeesterswoning en de twee klaslokalen. De kisten vielen er nauwelijks op. Toen de kinderen uitvlogen en we kleiner gingen wonen, kwamen de kisten weer in zicht. Onze nieuwe woning had helemaal geen zolder. Het was tijd om ze te openen, tijd om te ordenen, tijd om mee te nemen wat waarde heeft en achter te laten wat ballast is. Het ordenen heeft me 5 jaar gekost. Stapels brieven, schrijfsels van mijn oma Hetty Voerman-Mansholt, dagboekaantekeningen van mijn moeder, foto’s, tekeningen, testamenten, oude paspoorten en rijbewijzen, spelden, oorkondes, bedrijfsadministratie. Vaak heb ik me afgevraagd of die brieven en aantekeningen vol liefde, maar ook vol onbehagen voor mijn ogen bestemd waren. Als zoon van een lerares geschiedenis zie ik de levens van mijn voorouders ook in de tijd waarin ze leefden. De archiefstukken gaan terug tot circa 1850, de tweede helft van de 19e eeuw, een periode waarin Nederland het onder koning Willem III lastig had. Strenge winters, armoede, aardappelziektes, een tekort aan voedsel en een periode van grote politieke en culturele verschuivingen.

Dit verhaal begint met een vulkaanuitbarsting in 1815 die de hele wereld enkele jaren in het duister zet. Hoe het eindigt is nog onbekend, maar nieuwe tekenen van toekomstige uitbarstingen met wereldwijde gevolgen zijn er volop.

Het was de grootste uitbarsting van een vulkaan die de mens ooit had gezien. Net voor middernacht op de 10e april 1815 werd de top van de ‘Tambora’ op het eiland Soembawa in Nederlands-Indië weggeblazen. De vreselijke uitbarsting, heftiger dan duizenden atoombommen, was tot op een afstand van wel 2.500 kilometer te horen. Het eiland kwam op verschillende plaatsen meters uit de zee omhoog en werd bedekt met meters puin en as. Een hele cultuur verdween. 150 kubieke kilometer puin en vulkanische as kwamen in de atmosfeer terecht, dwars door de ozonlaag, 43 kilometer hoog.

Na twee maanden bereikte die vulkanische as Londen. Er waren bloedrode zonsondergangen gevolgd door zware regenbuien die niet meer leken te stoppen. Er viel zoveel regen dat de legers van Napoleon vastliepen in de modder bij Waterloo. Het bleek het einde van Napoleon, het einde van een tijdperk in Europa.

Het werd erger. Het nieuwe jaar 1816 werd later wereldwijd het jaar zonder zomer genoemd. In de zomer viel er sneeuw in Noord-Amerika en in Europa was er vanaf augustus nachtvorst. Veel ingezaaide velden kwamen niet tot bloei. De extreem lage temperaturen zorgden achtereenvolgens voor mislukte oogsten, hongersnood, voedselrellen en plunderingen. Het weer was jarenlang van slag waardoor in Nederland door alle stormen en regenval de dijken verzwakten. Na weer zo’n stormseizoen en een stormvloed ontstonden in 1825 ernstige watervloeden die half Nederland onder water zetten. 

Na drie jaar met misoogsten werd de gemiddelde prijs voor voedsel bijna 3 keer zo hoog. Hele volksstammen moesten buiten hun vertrouwde omgeving op zoek naar voedsel. Hongersnood en overstromingen veroorzaakten tyfus- en cholera-epidemieën. Het jaar zonder zomer zorgde alleen al in Europa voor de dood van 200.000 mensen. Veel mensen scheepten zich in voor een nieuw begin in Amerika. De nieuwe migranten trokken van de oostkust door naar het onontgonnen westen.

Uit as en chaos ontstaat vaak iets nieuws. Het bestuur kreeg een nieuw gezicht, omdat overheden inzagen dat ze een taak hadden om inwoners te ondersteunen. Het is niet toevallig dat in deze periode in Nederland de Koloniën van Weldadigheid ontstonden.

Nieuwe middelen van vervoer, zoals de fiets, werden bedacht, omdat door het aanhoudende tekort aan voedsel veel minder paarden konden worden ingezet. Wetenschappers gingen aan de slag om nieuwe misoogsten te voorkomen en de landbouw te vernieuwen met nieuwe, sterkere gewassen en kunstmest.  Er was een grote belangstelling voor studies naar klimaat en vulkanologie. En de rampen waren inspiratie voor nieuwe uitvindingen, zoals het reddingsvest en pijnstillers. Zelfs in de wereld van de kunst was er een onverwachte, misschien wat duistere bloei. Vanwege het slechte weer zaten schrijvers, zoals die van Frankenstein, binnen en bedachten de meest vreselijke griezelverhalen. Kunstenaars als de Engelse schilder William Turner schilderden dreigende landschappen met roodzwarte luchten.

De periode, in het eerste kwart van de 19e eeuw, was ook voor mijn voorouders aanleiding om nieuwe stappen te zetten. Aaltje Schraat zakt met haar familie vanuit Duitsland de IJssel af naar waar de rivier in de Zuiderzee stroomt bij het Kampereiland. Alle bezittingen van de familie Schraat, inclusief de beesten en de dienstmeid bevinden zich op het schip. Daar trouwt de levenslustige jonge vrouw met boerenzoon Reinder Voerman. Een paar jaar later krijgen ze weer te maken met een grote watersnood die bijna alle boerderijen rondom Kampen wegspoelt.

Op de terpen in Noord-Groningen zoals ‘Ewer’ bij Zuurdijk en bij Vierhuizen waren de boerenfamilies Hopma, Zijlma en Dijkhuis druk doende hun voeten en landerijen droog te houden. Grote stukken land werden ingepolderd. En hoewel er nog vaak overstromingen waren werd er veel nieuwe landbouwgrond bijgewonnen, zoals in de nieuwe Westpolder waar grote boerderijen werden gebouwd. 

Even verderop in Wedde koopt notaris Koning, wiens zaken niet zoveel schade oplopen door het barre weer, de burcht in Wedde. Een steviger woonhuis is niet denkbaar. Vlak over de grens in de delta van de Dollard krijgt de jonge boerenzoon Ubbo Mansholt langzamerhand genoeg van de vele overstromingen. Hij zal echter pas 50 jaar later met zijn hele gezin naar hoger gelegen gronden bij Eexta in Groningen vertrekken. 

Tot slot de familie Rahder die aan het einde van de 18e eeuw vanuit Mülheim in Amsterdam zijn beland waar onder de naam “De weduwe Rahder” een succesvolle wijnhandel is gestart. Ook de jonge Johan Coenraad Rahder zoekt een nieuwe uitdaging en smeedt plannen om een avontuur te beginnen door turf te gaan winnen in het woeste hoogveen van het nog lege Drenthe. De nieuwe tijd heeft brandstof nodig voor haar stoommachines.

Het was een tijd waarin mannen nog de koers bepaalden, maar vrouwen zich geleidelijk gingen roeren. De vrouwen van de boeren in het Groninger land hadden al min of meer een gelijkwaardige plek in de familie en in het bedrijfsleven, maar ook in het onderwijs en de zorg eisten vrouwen hun plek op. Anna Verkade en de Mansholtvrouwen waren voorlopers en hadden een aandeel in de vooruitgang met hun inzet voor het vrouwenkiesrecht en beter onderwijs.

In de veelal slecht verlichte en slecht verwarmde huizen was er een groot verlangen naar een nieuwe tijd met meer licht. Maar om succesvol aan het duister te ontsnappen is beweging noodzaak. En de wereld kwam in beweging. Ik begin het verhaal van mijn voorouders daarom vanaf het jaar zonder zomer. Vanuit de chaos in het eerste kwart van de 19e eeuw naar een nieuwe chaos: het huidige eerste kwart van de 21e eeuw. Een tijd waarin ondanks nieuwe vooruitgang en welvaart veel mensen meer ontevreden en boos zijn dan ooit. “Het is niet dat we het niet goed hebben, maar we weten niet meer hoe het beter kan!”

Schetsen van het dagelijks leven

Jan Voerman (1857– 1941) was leerling aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam in de periode 1876-1883. Zijn leermeester was August Alllebé die later ook directeur van de academie werd. Allebé was ondanks zijn betrekkelijk jonge leeftijd van 32 jaar een liefhebber van de oude meesters en een traditionele opleiding. Op de opleiding werd in de eerste jaren veel aandacht besteed aan anatomie en kunstgeschiedenis. Leerlingen hadden niet veel vrijheid. Jan Voerman’s liefde voor het landschap en de wolkenluchten kreeg weinig ruimte. Samen met zijn jaargenoten trok hij de joodse buurten in om daar zogenaamde genrestukken te maken. Hij maakte honderden tekeningen in zijn schetsboek van alledaagse tafrelen die hij later gebruikte voor zijn schilderijen. In de jaargang 1880-1881 nam Voerman lessen aan de Academie in Antwerpen bij de bekende leermeester Verlat. Het zijn jaren van armoede. Jan Voerman kan soms nauwelijks zijn huur betalen of brood kopen. Hij verkoopt af en toe een studie zoals aan zijn vriend de dichter Verweij. Het is een paneeltje gemaakt op het ijs van de Amstel. Ouders tillen hun dochter op het ijs om te gaan schaatsen op de grachten. Na zijn studie woonde Voerman nog een poosje in Amsterdam maar al gauw trok hij weer naar zijn geliefde IJssel waar hij het landschapsschilderen weer oppakte.

Van student naar revalidatiearts in Kinder-revalidatiecentrum Lyndensteijn

Mijn vader Ubbo Voerman maakt zijn studie medicijnen in Groningen af en wordt in 1961 een van de eerste kinderrevalidatieartsen in Nederland. Zijn professor Dr. Bom heeft een mooie uitdaging voor de jonge arts. In de bossen bij Beetsterzwaag, in het oude landhuis Lyndensteijn van de familie Van Lynden, is een sanatorium voor kinderen met tbc omgebouwd tot kinderrevalidatiecentrum. Er worden veel kinderen verpleegd die door de polio-epidemieën zijn getroffen. Bom heeft er de leiding samen met hoofdzuster Vormeer. Ubbo, die zelf polio heeft gehad, wordt zijn assistent.

Bom laat een woning bouwen in de ‘Overtuin’ die bij het landgoed Lyndensteijn hoort. Het is een prachtige Engelse landtuin, aangelegd door tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard. Vlak voor de verhuizing trekt professor Bom zich terug in zijn Groningse bastion en Ubbo krijgt de leiding in Beetsterzwaag. Het studentenpaar Ubbo en Jennie gaan, met hun twee kinderen, verhuizen naar Beetsterzwaag en trekken daar in het grote huis in het bos. Lyndensteijn groeit snel uit tot een kindercentrum met goede naam. Een van de eerste dingen die Ubbo regelt is een school op het terrein, zodat de kinderen een goede dagbesteding hebben en aan hun toekomst kunnen werken. Hij gelooft in een zo kort mogelijke behandeling en daarna moeten de patiëntjes weer snel naar hun eigen omgeving. Jennie vindt een baan als geschiedenis lerares in Oosterwolde.

Lyndenstijn1
Ubbo Voerman, hoofdzuster Vormeer en professor Bom bij Lyndensteijn, circa 1963

Boek over de familie Rahder

Mijn familieverhaal wordt door schrijver Kees Opmeer en mijn zoon Tijs Voerman vastgelegd in drie boeken. In juni 2020 verschijnt het boek over de familie Rahder. Daarna in 2021 volgt deel 2 over de Familie Voerman – Verkade en in 2022 deel 3 over de families Mansholt, Louwes, Zijlma en Dijkhuis uit Noord Groningen. Deel 1 is alvast te bestellen voor een introductieprijs van € 25 via Ga Creatief

Vooraankondiging-uniek-boek--'Hoe-de-Rahders-Drenthe-veranderden'-small

Vleermuizen

Op zoek naar een foto van mijn oude basisschool aan de Hoofdstraat in Beetsterzwaag, tegenover het kantongerecht, kwam ik een herinnering tegen van mijn oude meester Terluin. De meester die zo mooi kon voorlezen uit ‘De brief voor de koning’ van Tonke Dragt. Hij tekende daarbij een prachtige kaart op het bord, uit zijn hoofd zonder voorbeeld. Meester Terluin beschrijft een scène die ik zelf heb meegemaakt in die oude lagere school.

Op een dag kwamen er vleermuizen vanuit de lampen vallen en fladderden door het lokaal. Later zei juf Agter tegen me dat vleermuizen vooral in het haar gingen zitten van jongetjes met kort haar. In die dagen had ik ‘kort Amerikaans’ stekeltjeshaar. Ik heb nooit meer zonder angst in dat lokaal gezeten. Ook herinner ik me nog de oude potkachel die Terluin beschrijft. We moesten veel van plek wisselen in het lokaal, want dicht bij de kachel was het te heet en ver van de kachel veel te koud. Als je straf had, moest je naar het turfhok (in mijn herinnering waren het trouwens kolen).

Uit het verhaal van Meester Terluin:

“Het was ongelooflijk wat ik daar aantrof: een enorme kachel in de hoek van het lokaal en een turfbak ernaast, elke dag gevuld met turf; in de hoek daartegenover de ingang naar het turf- of kolenhok; in de andere hoek een deur met een ouderwetse stalklink naar drie toiletjes, eveneens met een stalklink te openen. Het waren wc’tjes zonder spoeling. Alles wat er in gedeponeerd werd, viel in een beerput eronder. De raampjes naar buiten waren voor de helft met glas gevuld, voor de broodnodige frisse lucht. De ramen in het lokaal waren zo hoog dat de kinderen niet naar buiten konden kijken. Dat zou hun maar afleiden. Voor de klas stond een hoge lessenaar op een soort podium en een hoge kruk er achter. Er stonden vier rijen schoolbanken, waar wel 44 kinderen in plaats konden nemen.

Eens werd ik gehaald door de juf van de 1e en 2e klas, omdat er iets niet pluis was in het lokaal. Er waren vleermuizen in de plooien van de gordijnen gekropen en toen de gordijnen tegen de zon werden gesloten, vlogen die beestjes door het lokaal en scheerden over de hoofdjes van de kinderen. Paniek onder de kinderen, natuurlijk. Gauw de buitendeur opengezet en geprobeerd de beestjes naar buiten te jagen, wat uiteindelijk lukte. Deze buitendeur moest door de kinderen gebruikt worden om naar hun toiletjes te gaan, die in een apart gebouwtje achter de school stonden”.

Na 4 jaren op de oude school werd er eindelijk een nieuwe school gebouwd op een drassig veldje pal naast ons huis aan het Merkelân. We speelden graag op dat veldje waar we vaak met natte broeken en sokken vandaan kwamen. Maar een school naast de deur was natuurlijk erg spannend. Samen met vriendje Durk hielden we de bouw goed in de gaten. Iedere week waren er vorderingen. Waar zou mijn klas komen? Vriendje Durk was helaas na de kleuterschool naar de christelijke school gegaan.

Inmiddels was onze klas tijdelijk verplaatst naar een noodlokaal in de landbouwschool. We moesten door ruimtes met melkmachines lopen naar ons lokaaltje. Daar gebruikten we voor het laatst onze kroontjespennen die we doopten in de inktpot op ons tafeltje. Naast de inktpot en kroontjespen lag steevast de inktlap. Bij een nieuw schrift zat altijd een vloeiblad waarmee de natte inkt werd gedroogd. Soms gebruikten we nog een griffel en een lei en daarmee kon je afschuwelijke krasgeluiden maken. Toen de school eindelijk af was en de feestelijke opening achter de rug, kon ik nog maar 2 jaren van het nieuwe gebouw genieten. Daarna vetrokken we op de fiets naar het lyceum in Drachten.

Mijn mooiste herinneringen in klas 6 zijn niet aan dat nieuwe schoolgebouw, maar aan de nieuwe hoofdmeester Brouwer die ook naast de school ging wonen. Het eerste wat hij deed was het afschaffen van allerlei regels die tot dan aan de orde van de dag waren geweest. We hoefden niet meer per klas in een rij te gaan staan, voordat we op volgorde in de pas naar binnen mochten. In het lokaal was het niet meer verplicht om met de armen over elkaar stil te zijn als ons werk af was. We mochten gewoon iets anders gaan doen.

And I was so much older then

When I was young

(Eric Burdon, 1967 )