Hendrik Voerman: de eerste stadsboer in Kampen uit de familie Voerman.

Het verhaal van de familie Voerman begint met een schilderij. Hoe kan het ook anders? Tijs Voerman, de broer van mijn opa Jan, noemt het in zijn opgeschreven herinneringen een ‘studietje.’ Hij kreeg het van zijn vader Jan Voerman sr. die het had geschilderd toen hij begin 20 was. Dat moet rond 1880 geweest zijn.

Wat je ziet is een kleine boerderij, gelegen op een verhoging in het landschap onder Kampen in de polder Kamperveen. Kamperveen is een laaggelegen en vruchtbaar gebied aan de rand van de Zuiderzee met boerderijen die op een terp stonden. De bevolking bestond voornamelijk uit streng gelovige boerenfamilies met hun dienstmeiden en knechten.

Het paneeltje van Jan Voerman Sr.

Op deze boerderij heeft de oudst bekende Voerman gewoond. Zijn naam was ook Tijs, geboren rond 1730. Hier liggen mijn wortels.

Tijs kreeg 2 zonen, Peter, de oudste en Reijnder (geboren 1764). Deze Rein Tijssen Voerman, zoals hij werd genoemd, was mijn voorouder van wie Jan Voerman senior en junior rechtstreeks afstammen. Rein liet een grote boerderij bouwen in de onmiddellijke nabijheid van de oude boerderij van zijn vader. Hij trouwde met Aaltje Schraat. Zij was zelf boerendochter en met haar ouders vanuit Duitsland hier terecht gekomen.

Wat we weten is dat Aaltje en haar familie rond 1800 vanuit het Rijnland met een schip naar ons land voeren. Het moet een vreemd gezicht zijn geweest, dat volgeladen schip. Vader, moeder, haar zusje, knechts en dienstmeiden. Alle bezittingen van de familie bevonden zich aan boord; huisraad, werktuigen, paarden, koeien en andere beesten. 

Ze voeren de Rijn af om in de buurt van Doesburg op de IJssel uit te komen. Vandaar gingen ze stroomafwaarts langs oude steden als Zutphen, Deventer en Zwolle om uiteindelijk in Kampen hun bestemming te vinden waar de IJssel uitmondde in de Zuiderzee. Verder konden ze niet.

Hun vertrek was een vlucht. Als welgestelde boer maakte boer Schraat moeilijke tijden mee, nu de Fransen daar onder aanvoering van Napoleon de baas waren. Zijn bezittingen waren niet veilig en hij zag geen toekomst meer in het Rijnland. Wellicht speelde mee dat de Fransen in 1807 een eind maakte aan de Erbuntertänigkeit van de boeren. Het is een vorm van horigheid die stamt uit de Middeleeuwen waarbij kleine boeren economisch en persoonlijk volkomen afhankelijk waren van de grillen van de grootgrondbezitters. Voor de kleine boeren was de maatregel van de Franse bezetters een bevrijding. Voor de rijke boeren zoals de familie Schraat betekende dat een einde aan hun bevoorrechte positie.

In een verre uithoek aan de kust van de Zuiderzee wilde hij een nieuw bestaan opbouwen. Op het Kampereiland kocht hij een hofstede. Waarschijnlijk hoopte hij hier minder last van de Fransen te hebben die weliswaar ons land in 1795 waren binnengevallen, maar toen nog minder zwaar hun stempel op het dagelijks leven drukten.

Rein kreeg verkering met de levenslustige Aaltje. Ze trouwden en kregen twee kinderen, een dochter Hendrikje en een zoon Hendrik die in 1811 is geboren. Enkele jaren later, in 1819, is Aaltje overleden. Op aandringen van Rein nam het dienstmeisje de zorg voor de kinderen op haar schouders.

Hendrik Voerman groeide op tot een sterke, energieke jongen die meehielp op de boerderij van zijn vader. De mensen in deze streek merkten niet veel van de armoede die vooral in de grote steden was ontstaan. Het leven op het platteland kabbelde voort, maar lang zou het niet duren.

In de nacht van 4 op 5 februari 1825 werd het land rond Kampen geteisterd door een enorme watersnoodramp die begon met een zware noordwesterstorm op 2 februari. Het water in de Noordzee werd opgestuwd en zocht een uitweg naar de Zuiderzee. Dijken, zoals die bij Zwartsluis, braken een paar dagen later door, zodat het water ongehinderd naar binnen kon stromen. Op oude kaarten is te zien hoe het water diep het land binnendrong, zelfs tot hoger gelegen gebieden rond Olst en Wijhe aan toe. Honderden mensen verdronken met hun vee en veel meer mensen raakten dakloos. Een enkele boer wist zijn vee te redden door ze naar de Bovenkerk en Buitenkerk van Kampen te drijven, maar in de buitengebieden was er geen redden meer aan. In Kampen is nog geprobeerd dammen op te werpen voor de stadspoorten, maar het water was niet meer te stuiten. Het duurde niet lang of het water stond zelfs tot aan de daken van de oude huizen.

Op zich was het was niet opzienbarend dat in de winter een aantal keren water vanuit de Zuiderzee het Kampereiland en andere laaggelegen polders binnendrong. De dijken en kaden waren niet hoog genoeg om bij een flinke storm het opgezweepte water van de Zuiderzee te weerstaan. De bewoners van het Kampereiland waren dat gewend. De boerderijen waren niet voor niets op verhogingen, ‘belten’, gebouwd. Dat is ook in deze tijd nog goed in het landschap te zien.

Maar de overstroming van 1825 was van een geheel andere orde. Door deze enorme watersnoodramp werd ook de boerderij van Rein weggeslagen. Hij en de rest van zijn gezin wisten zich ternauwernood te redden door hun toevlucht te zoeken in de hooiberg. Door de verhalen van voorouder Tijs zie ik voor me wat er gebeurde. Hendrik, 13 jaar, was ooggetuige. Hij zou dit zijn leven lang niet vergeten. Ze waren zo hoog mogelijk in de hooiberg geklommen. In het flauwe licht van de maan, als een wolk wegtrok, zag Hendrik het water kolken. Zijn vader Rein had zijn zusje tegen zich aangetrokken. Haar schouders maakten schokbewegingen.

De blik van Hendrik ging naar de boerderij waar het water tegen de ramen aangolfde. Boven het loeien van de storm uit hoorde hij opeens geluiden. Het kwam uit de richting van de stal waarvan de deur door de kracht van het water was weggeslagen. Een paard dat hinnikte, het geloei van koeien, het klagelijk gemekker van de geiten. Beesten in doodsnood. Ze konden geen kant op. Hendrik kon het niet aanhoren. In een opwelling probeerde hij naar beneden te klimmen, maar zijn vader hield hem met een gestrekte arm tegen. Hendrik zou geen kans maken.

Er bewoog iets in het water, vlak voor de stal. Het kwam dichterbij. Nu zag Hendrik de grote angstogen van de merrie die wanhopig in de richting van de hooiberg zwom. Een touw dreef op het water achter haar aan. Ze heeft zich kunnen losrukken, dacht Hendrik. Eindelijk bereikte het dier de hooiberg dat op een verhoging was gebouwd. Het lukte haar uit het water te klauteren.

De andere dieren verdronken. Stel je voor, alles in één nacht weg; boerderij, vee, huisraad. Tijs, broer van mijn opa, geeft in zijn aantekeningen aan dat in zijn vaders jeugd, mijn overgrootvader, alleen de fundering en de waterput  als overblijfselen van de boerderij nog te zien waren. Een nieuwe behuizing is daar nooit meer opgebouwd. Dat gold voor de meeste boerderijen die door het water waren vernietigd. Ze moesten opnieuw beginnen. Hendrik verhuist naar de stad en gaat boeren als stadsboer op de Groenstraat 106. Hij is daarmee de eerste stadsboer uit het geslacht Voerman. Om 1840 koopt hij voor 100 gulden Grootburgerschap van de stad Kampen. In 1875 wordt zijn jongste zoon Jan Voerman geboren, de latere IJsselschilder.

Dit is een fragment uit het boek “Gevangen in een Paradijs” over de kunstschilders, vader en zoon Jan Voerman. Geschreven door Kees Opmeer. Het boek is hier te koop.

Ook in het boek “Vier eeuwen het geslacht Voerman-Boer” van Aalt Landman zijn deze gegevens terug te vinden. Het boek werd 16 september 2024 gepresenteerd en in ontvangst genomen door Sander de Rouwe, burgemeester van Kampen.

Een huwelijk in 1923 verbindt de families Voerman en Mansholt.

Mijn opa Jan Voerman Jr. en mijn oma Hetty Mansholt hadden ieder hun eigen ‘bewogen’ geschiedenis. Jan was als oudste zoon van kunstschilder Jan Voerman Sr. ‘verkozen’ om in zijn vaders voetsporen te treden. Hij kreeg privé lessen in zijn vaders atelier en mocht geen regulier onderwijs volgen. Pas 1912 ging hij naar de Academie der Kunsten in Amsterdam, waar hij voor het eerst op eigen benen kon staan. Hetty kwam uit het boerengeslacht Mansholt en verloor haar vader al toen ze 12 jaar was. Dit bracht het gezin in grote problemen mede omdat moeder Grietje veel depressies had. . Hetty voelde zich verlaten en was vaak somber. Ze vond maar moeilijk een eigen weg.  

In het boek “Gevangen in een paradijs” gebaseerd op het familiearchief en geschreven door Kees Opmeer staat het volgende fragment over hun huwelijk.

Hetty en Jan ontmoeten elkaar en waren verliefd en lang verloofd. Ze durfden de stap naar een verbintenis niet te maken.

Op 20 april 1923 was Hetty jarig. Jan feliciteerde haar in een brief vol woorden van liefde.

…Ik kom je niets beters wensen dan om rust te hebben en te wachten en heel veel schoons te zien waar het zich geeft om te zien. O, dat ik jou heb…

Ging het wel goed met Hetty? In de woorden zit ook zorg opgesloten. Haar antwoord zei genoeg.

…Ik verlang naar je stille troost en rust. ’t Briefje van Joost (Hudig). Dat greep me zo aan. Dat troosteloze verloren zijn en zich niet terug te vinden. Dan blijft er niet anders over dan de Dood. De ‘Dood lief te hebben’ zoals Rilke predikt. Dan sta je zo absoluut voor de dood, dat je zacht glimlachend kunt genieten van het Leven…

Het zijn woorden waar ik van schrok. Voor het eerst werd me duidelijk hoe diep mijn oma in de put zat. Zelf schreef ze er openhartig over. …Mijn terugkerende depressies leerden me om te staan op de diepe grondtoon van het leven, van dood en armoede, waaruit mysterieus het Leven opbloeit…

Jan probeerde haar op te beuren met zijn verhalen. Met hem ging het beter. Hij was productief, verkocht regelmatig schilderijen, kalenders en litho’s en kreeg opdrachten. Hij schreef er enthousiast over in zijn  brieven.

Het was niet genoeg voor Hetty. Wie kon haar goede raad bieden? Op 9 mei 1923 ontving Jan een briefkaart van zijn verloofde waarin ze opgewonden schreef over een gesprek dat ze met professor Révèz had gehad, iemand van Duitse afkomst die ze via haar familie kende. Het betekende een ommekeer. Deze professor had haar onomwonden gevraagd:

…‘Weshalb heiraten Sie sich nicht?’ Hij ging op de man af en dat werkte als een schok, want alle andere mensen ontweken deze vraag uit fijngevoeligheid. ‘Wenn ein Mann nach seinem 30en Jahre sein Gehalt nicht Verdient, soll er heiraten. De verantwoordelijkheid maakt hem vindingrijk en sterker. Dan zal hij vanzelf de juiste uitvindingen doen, die maken dat hij zich ontplooit en de kost verdient. Ook verdient een man getrouwd, meer als ongetrouwd’…

Het was precies wat Hetty nodig had. De woorden gingen erin als zoete  koek. Volgens Hetty was de professor een man die uit een vreemd land was gekomen, zelf grote moeite had om vaste grond onder de voeten te krijgen, tussen al die vriendelijke maar gereserveerde Hollanders. Hij wist waar hij het over had.

Jan was opgelucht. Eindelijk meer duidelijkheid over hun toekomst. Ze werden gesterkt door de reacties van anderen die allang hadden gedacht dat het tijd was voor een huwelijk. Jan en Hetty begonnen plannen te maken.

Ze besloten na hun huwelijk in Amsterdam te gaan wonen. Het duurde niet lang of ze vonden een étage bij een bevriende familie. Het was vooral Hetty die zich daarvoor had ingezet. Ze maakte zich druk over hun financiële situatie. Jan verdiende best aardig, maar of het voldoende was? Ze werkte inmiddels zelf in een laboratorium in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam, maar dat was ook geen vetpot. Haar familie waarschuwde haar voor dreigende armoede. Ik moet weer denken aan de bezwaren die Ericus Verkade had tegen het huwelijk van zijn dochter met de arme schilder Voerman sr. Hetty had nog recht op een erfenis van haar grootvader. Deze zou een deel van haar zorgen kunnen wegnemen, maar tot haar schrik ging daar een derde aan successierechten vanaf. Ondanks zijn opdrachten was ook Jan niet vrij van zorgen. Ik las het terug in één van zijn brieven.

…Mijn hand beeft een beetje, omdat ik zojuist stenen geslepen heb. Ons trouwen zal niet zijn een uiteindelijk uitbarsten in feestvreugde. Vind me niet laks, ik kan niet tegelijk werken en huizen zoeken. Ik verstook ongeveer 10 H.L goede anthraciet per winter…

Groot was de blijdschap toen Hetty de huissleutel kreeg. Jan besloot alvast te verhuizen naar de Valeriusstraat 161.

Zijn laatste brief uit Vogelenzang:

…Je lieve brief wees me weer de weg naar de veilige ruimte, die in ieder mens is waar je je kunt terugtrekken.

We zullen veel doen en verder komen als we maar eenmaal bij elkaar mogen blijven. In ieder geval wordt het geen droom of liever: we zullen leren op de juiste wijze te droomen. Wat we krijgen wordt echt!!…

De zomer ging voorbij. Op Koninginnedag, 31 augustus 1923, de laatste dag van de vakantie in Hattem, gingen Jan en Hetty in ondertrouw. Ze trouwden op 6 oktober in Hattem. Twee gemankeerde  mensen die steun en begrip vonden bij elkaar.

Volgens Hetty was het wel feestelijk en héél echt. Over haar huwelijk schreef ze met de haar kenmerkende filosofische inslag:

Vrijheid is vrijheid van het verleden

Vrijheid wil niet binden

Ook de geliefde is geen bezit.

Ze verwees naar een gedicht van Boutens met als titel: ‘Bezit is als een bloem zo broos’.

De aanloop naar het huwelijk was een weg vol twijfels en zorgen, maar het bleek een goede keuze te zijn. Het werd een gelukkig huwelijk dat stand hield tot de dood.

Het boek Gevangen in een paradijs is hier te bestellen. Het verhaal van de Familie Mansholt “Uit Zeeklei gebakken” is ook beschreven door Kees Opmeer en is hier te bestellen.

Hetty Mansholt en Jan Voerman Jr.

Het bruidspaar met zittend links Grietje Mansholt-Louwes en zittend rechts Anna Voerman-Verkade. Staand links Jan Voerman Sr.

Skûtsjesilen in 1917 en 2024

Midden in de Eerste Wereldoorlog ging mijn opa Jan Voerman Jr. (1890-1976) op pad om plaatjes te maken voor het Verkadealbum Friesland (dat in 1918 verscheen).

Hij maakte daarbij ook een plaatje van wedstrijdzeilen op het Sneekermeer. Anno 2024 is dat nog steeds te zien: Skûtsjesilen in Woudsend.

Wedstrijdzeilen op het Sneekermeer in 1917 Jan Voerman Jr.

Vader Derk (1842-1921) en oudste zoon Ubbo Mansholt (1869-1911) zijn vernieuwers in de landbouw

In mijn Mansholt-familiearchief zitten veel tastbare herinneringen aan de activiteiten van vader en zoon Mansholt (mijn overgrootvader en over-overgrootvader) oorkondes en medailles met inscriptie. Prijzen voor verbetering van zomertarwe, pootaardappelen die beter bestand zijn tegen ziekten, andere bemesting die zorgt voor een hogere opbrengst van gewassen. Derk en Ubbo laten zien dat boeren niet ieder jaar dezelfde gewassen op de akkers moeten inzaaien; iets wat tegenwoordig vanzelfsprekend is. Uitgekiende bemesting en afwisseling op de landbouwgronden met vlinderbloemigen, planten die peulen voortbrengen en de bodem verbeteren met voedingsstoffen, dragen bij aan rijke oogsten. Derk en Ubbo, maar ook Derks broer Jochum, zijn vernieuwers die veel voor de landbouw hebben betekend, maar zelf profiteert Derk er minder van. Als dwarsligger jaagt hij veel herenboeren op het Groninger land tegen zich in het harnas. Het maakt het voor hem moeilijk zijn producten op de markt te brengen. Later, als de aversie geleidelijk is afgenomen, verdient hij meer respect.

Basis van de welvaart

Aan het eind van de negentiende eeuw richt Derk een tijdschrift op, met de eenvoudige en krachtige titel: De Grond (centraal orgaan voor de agrarische belangen in Nederland). In dit veelgelezen blad dat elke maand verschijnt, kan hij ervaringen en ideeën kwijt die steeds meer weerklank vinden.

Het is een periode waarin de prijzen voor graan en andere agrarische producten een dramatische daling laten zien. Derk vindt dat landbouwprijzen beschermd moeten worden om te voorkomen dat de boeren en hun arbeiders tot armoede vervallen. Geen vrijhandel zoals in liberale kringen wordt bepleit.

Hij had zich al eerder sterk gemaakt voor vaste prijzen voor landbouwproducten, zoals voor graan, om de boeren een redelijk  inkomen te kunnen garanderen en de voedselproductie te stimuleren.

Hij schreef:

…Het broodkoren neemt onder alle handelsartikelen de eerste plaats in en kan door geen enkel ander artikel worden vervangen. Gebrek aan broodkoren staat gelijk aan hongersnood… En ook: …De landbouw heeft niet zozeer belang bij hoge dan wel bij constante graanprijzen…

Toen wist Derk nog niet hoezeer zijn opvattingen invloed zouden krijgen op het gedachtengoed van zijn kleinzoon Sicco die daarmee de basis legde voor een Europees landbouwbeleid.

Het is de stellige overtuiging van Derk dat de boerenstand de basis vormt van de welvaart in Nederland. Geen vreemde gedachte als je bedenkt dat ongeveer de helft van de mensen in die tijd nog werk vindt in de agrarische sector. Maar Derk ziet ook dat er een kentering plaatsvindt. Steeds meer landarbeiders keren het platteland de rug toe. Ze vinden een beter betaalde baan in de fabrieken in de grote steden. Ook in Nederland rukt de industriële revolutie op.

In de voetsporen van Derk

Een nieuwe generatie Mansholt treedt in de voetsporen van vader Derk. Jammer genoeg zal hij niet meemaken dat zijn kleinzoon Sicco, kind van zijn zoon Bert, ooit de beroemdste boer van Nederland zal worden.

In 1906 verhuizen Aaltje en opa Derk, zoals hij nu in de familie wordt genoemd, naar de stad Groningen. Beiden zijn inmiddels in de zestig. Ze willen het rustiger aan gaan doen. Met een gerust hart kan hij Torum aan zijn zoon Bert overlaten. Ze gaan in de buurt van het nieuwe Noorderstation wonen, zodat ze snel met de trein terug kunnen naar de polder en hun geliefde Torum als ze het boerenland weer willen ruiken en het graan willen zien wuiven.

Derk is vereerd, maar ook verrast als hij in 1920 een koninklijke onderscheiding ontvangt. Hij wordt benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In het conservatieve Nederland van die tijd gebeurde het niet vaak dat personen met linkse opvattingen een koninklijke onderscheiding ontvingen. Het zegt genoeg over zijn verdiensten voor de samenleving.

Een jaar later, op één augustus 1921 overlijdt hij in Groningen. Hij is dan 79 jaar. Ubbo’s oudste dochter en mijn oma Hetty Mansholt schrijft erover:

…Dat opa Derk in alles domineerde vond Oma Aaltje best, dat hoorde zo. Haar jongste dochter Theda was eerst hulp in de huishouding (op Torum) en later haar plaatsvervanger. Ik herinner me nog een logeerpartij waar ik direct ziek werd en het waren Tante Theda en oom Bert die meehielpen en me verpleegden, niet Oma. Oom Bert was toen nog thuis en niet getrouwd. Hij was knap en heel vriendelijk, vonden wij kinderen. Familie is als een boom, stamboom, en alle leden zijn als takken, elk op eigen wijze gegroeid en aan elkaar aangepast en toch samen één geheel vormend…

Dit is een fragment uit het boek “Uit Zeeklei gebakken” van Kees Opmeer. Het boek bevat verhalen en beelden uit het Mansholt familiearchief en is hier te koop. Op de Borg Verhildersum in Leens is een kleine tentoonstelling te zien over de familie Mansholt. Het boek is daar ook te koop.

Ubbo Mansholt met zijn dochter Hetty

Derk Roelfs Mansholt

Wandelen in Amsterdam in 1912

Mijn oma, beschrijft het leven van haar man, de kunstschilder Jan Voerman Jr. in zijn studietijd aan de Akademie der Kunsten in Amsterdam in de jaren 1912-1914.

Als hij schildermateriaal moest kopen, b.v. kwasten en doek, dan liep Jan van de Marnixstraat, waar hij met Tijs woonde, naar de Rozengracht, waar van der Linde zijn zaak had. Zijn vader had in zijn laatste studiejaar daar gewoond, boven een oud bedrijf van zilversmeden. Jozef Israëls had eens in dit zelfde atelier gewerkt; Van der Linde was dus toen al een oude relatie en is ook altijd Jan’s leverancier gebleven. Van de Rozengracht nam hij de Raadhuisstraat met de winkelgalerij waar het “Binnenhuis ” altijd alle kunstnijverheid tentoonstelde.

Vanuit de Raadhuisstraat liep hij vanzelf langs het Paleis op de Dam. Even verder lopen en stilstaan. Langs het Damrak kan je het Centraal station zien. Op een zachte nevelige herfstdag met lage zon, lag het C.S. heel in de verte. niet massief en toch sterk aanwezig, in volle breedte het Damrak afsluitend. Voor ons is het niet meer voor te stellen hoe weinig verkeer er was. Mensen wandelden graag door de stad, om een eindje “om te stappen ” zoals ook Jan deed. Er reden lawaaiige sleperskarren en fijne koetsjes en een enkele kleine paardentram. Het verkeer dat in die tijd nog niet strak rechts moest houden, maakte dat iedereen, door elkaar heen, de weg moest zoeken. Het was rommelig en levendig. Het was wel jammer, dat het open havenfront verdwenen was met de bouw van het Centraal Station in 1881, en dat je geen schepen, masten en hoge stoompijpen in de verte zag, die je lokten om er te gaan kijken. Des te meer omdat ook het einde van het Damrak, van de Amstel onzichtbaar was geworden door de tot stand komen van het nieuwe Beursgebouw, gebouwd met zware blok baksteen, ontworpen door Berlage.

Jan liep altijd de Kalverstraat in om bij kunsthandelaar “Buffa” te te kijken en dan liep hij door de steeg naar het Rokin. Daar lagen meer kunst en antiekzaken en boekwinkels naast elkaar: Wisseling, Scheltema, Holkema, Eijsselöffel, later Benneker. Hoe vaak liep Jan niet even binnen bij Scheltema om een nieuwe uitgave van de kalender van Theo van Hoytema te bekijken. Als er iets nieuws van Wenckenbach lag, was zijn dag goed. Hij zou nooit vergeten, hoeveel híj aan het werk van Wenkenbach te danken had voor zijn eigen werken aan de Verkade albums. “In dat opzicht heb ik meer geleerd van Wenckenbach dan van mijn vader”.

Lees hier meer over de studietijd van Jan Voerman Jr. in Amsterdam

Jan Voerman in Amsterdam circa 1912 (midden-links met pet)

Amsterdam 1912: Zicht op het Damrak met de Beurs van Berlage (rechts met toren) en helemaal achteraan het Centraal Station

Logo kunsthandel Frans Buffa en zonen uit de Kalverstraat

Jeugdvrienden Jan Voerman en Bastiaan Tholen vertrekken in 1876 vanuit Kampen naar de Akademie der kunsten in Amsterdam

Op 26 september 1876 deden Jan Voerman en Bas Tholen, naast 15 anderen, toelatingsexamen voor de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam aan de Stadhouderskade 86. ‘Rijksakademie’ werd toen nog met een k geschreven. Het markante gebouw, aan de rand van het oude centrum, bestond net 2 jaar en is mede door koning Willem III opgericht.

De helft van de studenten die toelatingsexamen deed, werd aangenomen, waaronder Jan en Bas. Voor de gemeenschap in Kampen was dat zo bijzonder dat hierover al twee dagen daarna een berichtje verscheen in de Kamper Courant. Voor mijn overgrootvader was dat iets om trots op te zijn. Normaal gesproken kwam een eenvoudige boerenjongen van 19 jaar niet in de krant. Aandacht in de krant ging ook uit naar Belmer die werd geprezen, omdat hij het talent van deze twee veelbelovende studenten had herkend en ze zo goed had voorbereid op deze belangrijke stap in hun carrière.

Dat was tegen het zere been van hun vroegere tekenleraren Hein en Buijtendijk. In de krant van 1 oktober werd een ingezonden brief van beide heren geplaatst. Ze voelden zich behoorlijk miskend. Jan had immers 5 jaar lang les van deze heren gehad op de stadstekenschool. Daar was de kiem gelegd voor zijn verdere ontwikkeling, vonden zij. Natuurlijk had Belmer ook een bijdrage geleverd, maar alle eer voor hem was te veel van het goede; aldus beide heren.

Het was wat voor Jan. Vanuit het kleine, behoudende Kampen kwam hij, een jonge boerenzoon die gewend was aan ruimte en dieren om zich heen, in het drukke en wereldse Amsterdam terecht. Een grotere cultuurschok was bijna niet denkbaar. Toch leek hij er niet onder gebukt te gaan. Het scheelde dat zijn boezemvriend Bas ook aan dezelfde academie ging studeren. Bovendien trof hij daar een geweldige leermeester en pedagoog, August Allebé, directeur van de academie en zelf een schilder van naam. Hij wijdde zich met hart en ziel aan zijn taak als directeur en docent. Ruimte voor de persoonlijke ontwikkeling van zijn studenten stond bij hem voorop, precies wat Jan  nodig had. Ze moesten leren zelf keuzes te maken. Het gevolg van zijn toewijding was dat de gedreven Allebé voor zijn eigen schilderwerk nauwelijks meer tijd over hield. Wat dat betreft heeft mijn overgrootvader veel geluk gehad met zijn leermeesters. Zij hebben een grote rol gespeeld in zijn ontwikkeling.

In Amsterdam wierp Jan alle schroom van zich af, alsof hij zich bevrijd voelde van het milieu waarin hij was opgegroeid. Hij liet zijn impulsieve karakter de vrije loop en zei wat er in hem op kwam; koppig, grillig, wars ook van romantische invloeden op de schilderkunst. Dat maakte hem niet tot de gemakkelijkste jongeman om mee om te gaan. Het kon hem weinig schelen. Schilderen was alles voor hem. Hij moest en zou slagen en werkte hard, gemotiveerd als hij was om het beste uit zichzelf te halen. Hij viel op bij zijn studiegenoten en vooral bij zijn docenten.

Over zijn Amsterdams tijd vertelde hij later:

…Op de Academie leefde ik bijna van niets. Soms at ik dagen niet. Maar je kon heel wat verdragen in die tijd. Eigenlijk heb ik ’t nooit moeilijk gehad. Je zou me een Zondagskind kunnen noemen, maar dat doe ik niet…

Mijn overgrootvader ontwikkelde zich tot een van de betere leerlingen van Allebé. Aan het eind van zijn studietijd kreeg hij zelfs een loge in de academie. Dat kun je zien als een soort masterclass voor uitblinkende studenten. Hij kreeg individuele begeleiding om zijn talenten optimaal te leren benutten, met veel vrijheid voor zijn eigen ontwikkeling.

Uit zijn studententijd stamt ook het oudst bekende portret van mijn overgrootvader, getekend door de vader van Bas. Zijn verworven zelfvertrouwen en ambitie stralen van hem af.

Dat betekende niet dat hij afscheid had genomen van zijn geliefde Kampen. Amsterdam was een nieuwe ervaring voor hem, maar zijn geboortestad met het omringende platteland kon hij niet loslaten en die binding met het boerenleven zou zijn hele leven zo blijven, ondanks de nieuwe vrijheid die hij voelde.

Het was ook om die reden dat hij zijn vakanties doorbracht in het ouderlijk huis in Kampen. Vandaar trok hij de omgeving in en tekende en schilderde hij het landschap met de koeien en paarden, de rivier en de polders.

In zijn eerste Amsterdamse jaren woonde hij op verschillende adressen. Hij trok niet alleen veel op met Bas, maar ook met andere jaargenoten van de Academie, zoals Piet Meiners, Anthon van Rappard, Willem Witsen en Wijsmuller. Bas en Jan raakten nauw bevriend met Piet Meiners uit Oosterbeek die tegelijk met Jan en Bas toelatingsexamen had gedaan. Na de lessen gingen ze er met z’n drieën veel samen op uit. Ze zwierven door Amsterdam, niet om de bloemetjes buiten te zetten, maar op zoek naar bijzondere plekjes of mensen die ze konden schilderen.  

Het doet me denken aan Van Gogh en Breitner die in dezelfde periode door de Haagse arbeidersbuurten trokken om het leven van alledag vast te kunnen leggen. ‘Ik zal de mensch schilderen op de straat en in de huizen,’ aldus Breitner. ‘Le peintre du peuple zal ik trachten te worden.’ Later kwamen mijn overgrootvader en Breitner met elkaar in contact en schreven elkaar regelmatig brieven. Ik zie voor me hoe mijn overgrootvader met zijn twee vrienden door de Jordaan slenterde, door de smalle straten, langs de vervallen huizen. Kinderen met smoezelige gezichten en tot de draad versleten kleren. Mannen met lege blikken in hun ogen, kijvende vrouwen, wankelende dronkaards. Alles in de Jordaan ademde ellende en verval in deze armoedige tijd.

Dit is een fragment uit het boek “Gevangen in een paradijs” over kunstschilders, vader en zoon, Jan Voerman. Het boek is gebaseerd op het familiearchief en is geschreven door Kees Opmeer en rijk geïllustreerd . Het boek is hier te koop. Ook te verkrijgen bij het Voerman Stadsmuseum Hattem.

Schilderij uit de studietijd tafereel uit de Jordaan

Rapport Jan Voerman van de Akademie der Kunsten te Amsterdam

Nieuw luister verhaal over de Westpolder in Verhildersum.

Bij de kleine expositie over de families Mansholt, Louwes, Zijlma en Dijkhuis in de museumboerderij van Verhildersum te Leens staat nu ook een paal met een QR code waarmee je een verhaal over de Westpolder kan horen en zien. De verhalen over de stormvloeden die de jonge polder in 1874 en 1877 teisterden zijn ook te lezen.

Het is ook hier te zien/ horen.

Oprichter Coen Rahder (1812-1872) draagt de leiding van zijn bedrijf in 1866 over aan zijn zonen

Op 1 januari 1866 droeg Johan Coenraad sr. de leiding van zijn bedrijf, dat toen bekend stond onder de naam Turfmaatschappij Valkenheim, over aan zijn tweede zoon Herbert. Johan Coenraad was toen nog relatief jong, 54 jaar. Waarom zijn oudste zoon, Oude Jan, toen niet in beeld was, blijft onduidelijk. Mijn overgrootvader Jonge Jan is dan 8 jaar.

Een paar dagen later al bracht Coen al het materieel en de turfvoorraden onder bij de ‘Commanditaire Vennootschap onder de firma J.C. Rahder’, kortweg de Firma Rahder genoemd. Hij benoemde zichzelf tot de eerste besturende vennoot. Had hij toen al te weinig vertrouwen in zijn zoon Herbert die in naam wel directeur bleef? Onderhuids moeten de spanningen in de familie en vooral met Herbert toen al voelbaar zijn geweest.

Na het overlijden van Coen in 1872, werd hij opgevolgd door zijn zonen Oude Jan en de pas vijfentwintigjarige Johannes Wygardus. De familie-aandelen van Coen bleven na zijn dood in handen van de gezamenlijke erfgenamen. Nadat Johannes Wygardus in 1877 onverwacht overleed, ontstond er verschil van mening binnen de familie over de voortzetting van de Firma Rahder als Commanditaire Vennootschap. Was hier sprake van een machtsstrijd of ging het om geld? In een Commanditaire Vennootschap heb je namelijk beherende vennoten die het voor het zeggen hebben en stille vennoten die alleen een financiële inbreng hebben. Hoe dan ook, ze kwamen er niet uit.

De vele bezittingen, veengronden, huizen van arbeiders en machines werden binnen de familie verdeeld, maar het bedrijf zelf bleef in tact. Pas in 1890 kwamen de familieleden tot een oplossing die voor de meerderheid aanvaardbaar was. Het bedrijf kreeg een herstart als Naamloze Vennootschap Machinale Rahder-Turffabriek. De eerste directeur van dit nieuwe bedrijf werd oudste zoon Oude Jan die al enige jaren had kunnen warm draaien. Oude Jan is nog in Amsterdam geboren. Het verhaal gaat dat hij met zijn vader Coen als jongen van een jaar of 15 in blauwe jas met zilveren knopen en hoge hoed meeging naar de beurs van Amsterdam. Zijn kleinzoon Jan Heil gaf aan dat opa Jan altijd de aristocratische stedeling is gebleven, hoewel hij in Drenthe volgens eigen zeggen zijn gelukkigste tijd heeft beleefd. Zijn kinderen, Coen, Mien en Dien, mochten geen Drents spreken, maar Jan Heil wist nog dat zijn tante Dien in plat Drents heel goed moppen kon vertellen.

Oude Jan was getrouwd met Elisabeth Roos. Zij woonde aan de voorname Keizersgracht in Amsterdam, in een chique en indrukwekkend pand dat het ‘Huis met de hoofden’ wordt genoemd. Hier was kunsthandel De Roos van haar vader gevestigd. Het is een rijk gedecoreerd huis van baksteen met trapgevels dat opvalt tussen de andere huizen in renaissancestijl. Later heeft het huis vele andere bestemmingen gekregen waaronder het conservatorium van Amsterdam. Het huis dankt zijn naam aan een legende. Op een avond toen de familie uit was, werd er op de deur geklopt. Voorzichtig als ze was deed de dienstmeid de deur op een kiertje open. Er stonden 6 mannen voor de deur. Voor de dienstmeid was het meteen duidelijk dat ze kwade bedoelingen hadden. In het nauw gebracht liet ze de mannen één voor éen binnen. Eenmaal binnen hakte ze de kop van de rover af, totdat ze alle zes waren onthoofd. Ter herinnering aan haar dappere optreden zijn de 6 hoofden in hardsteen ter hoogte van de beletage in de gevel aangebracht, waar ze nog steeds zijn te bewonderen.

Ondanks de eerdere meningsverschillen binnen de familie bloeide de onderneming als nooit tevoren. Vanaf 1872 werden de veengebieden rondom Emmen grootschalig ontgonnen. De Commissaris van de Koning in Drenthe liet de minister van Binnenlandse Zaken in 1873 weten dat met dank aan de toegenomen vraag naar turf de veenkoloniën een periode van welvaart doormaakten. De jaarlijkse turfproductie van de firma Rahder was gestegen tot 10 miljoen stuks van uitstekende kwaliteit. Er werkten toen bijna 200 arbeiders voor het bedrijf van de Rahders. In 1880 was het bedrijf een van de grootste van het land en de enige producent van machinale turf.

Herbert, die in Huize Veen en Dal in Noordscheschut was gaan wonen, was toen al zelfstandig vervener in het Amsterdamscheveld geworden. Veel keuze had hij niet, nadat hij in botsing was gekomen met zijn vader. Samen met zijn broer Oude Jan kreeg hij na het overlijden van zijn vader wel het toezicht op het aangelegde bos Kremboong, met instemming van Frederik s’Jacob.

Uit een briefwisseling tussen de broers Oude Jan en Johannes Wygardus bleek dat s’Jacob op een gegeven moment de meeste aandelen bezat in de Machinale Turffabriek van Rahder. Spottend werd hij in de familie vaak ‘Zijne Excellentie’ genoemd. Het kwam erop neer dat er toen niets buiten hem kon gebeuren.

Dit is een fragment uit het boek “Hoe de Rahders Drenthe veranderden”. Het boek is geschreven door Kees Opmeer en is hier te koop.

“Oude” Jan Rahder (1834-1889)

Johannes, Wygardes Rahder (1847-1877)

Groot aandeelhouder Frederik ‘S Jacobs werd door de familie Rahder ook wel “Zijne excellentie” genoemd.

Theda Mansholt (1879-1956) grondlegster van het onderwijs voor meisjes uit boerengezinnen.

‘Scheppende geest en ziel’

Behalve zijn twee stiefdochters Hendrika en Wiepke had Derk Mansholt nog een dochter: Theda. Zij voelde zich nauw verbonden met het lot van boerenmeisjes die in de wereld van herenboeren over het algemeen een ondergeschikte rol speelden. Het was haar missie om door middel van goed onderwijs hun positie te verbeteren. Anders zouden ze in deze mannenwereld niet de kans krijgen zich verder te ontwikkelen. Ze sprak uit eigen ervaring:

…Niet zonder enige bitterheid ervoer ik, dat mijn broers, die géén boter hadden te maken, zoals ik, die geen kalveren hadden op te fokken, daarin te Wageningen wel onderwijs hadden gehad en enige minachting hadden voor de onsystematische, overgeleverde manier, waarop ik deze werkjes uitvoerde…

Ook in haar aderen stroomde het bloed van de familie, met dezelfde betrokkenheid en pioniersmentaliteit. We kunnen gerust zeggen dat zij aan de wieg stond van het Nederlandse Landbouwhuishoudonderwijs, zoals dat toen werd genoemd. In Delfzijl staat het Theda Mansholt College, een vmbo-school. Het geeft haar betekenis voor het onderwijs aan. Of zoals Hetty het noemde: de scheppende geest en ziel van het landbouwhuishoudonderwijs.

Ze begon als huishoudlerares. Daarnaast gaf ze zomercursussen en in de winter kookles aan plattelandsmeisjes op de Rijkslandbouw-winterschool in Veendam, een van de eerste scholen in zijn soort.

Haar inzet voor onderwijs aan deze meisjes trok de aandacht. In 1910 bracht ze in opdracht van de regering een werkbezoek aan België, Denemarken en Noord-Duitsland. Doel was te onderzoeken hoe het onderwijs aan boerendochters in die landen was vormgegeven. Haar bevindingen leidden ertoe dat drie jaar later de eerste Rijksschool voor Landbouwhuishoudonderwijs wordt gesticht. De school, Rollecate genaamd, wordt gevestigd op het landgoed Den Hulst in de buurt van Dedemsvaart. Baron Van Dedem, een zoon van de bekende vervener naar wie Dedemsvaart is vernoemd, stelt een deel van het grote huis op het landgoed met boomgaard en moestuin beschikbaar voor de nieuwe school. Het wekt geen verbazing dat Theda de eerste directrice wordt.

Door de afgelegen ligging was Rollecate een school zonder moderne voorzieningen, zoals waterleiding en elektriciteit, maar Theda benadrukte de voorbeeldfunctie die van deze nieuwe opleiding uitging. In de praktijk van alle dag moesten de docenten immers ook goed kunnen inspelen op de sobere omstandigheden waaronder de boerenmeisjes werkten en leefden. De docenten kregen zelf ook land- en tuinbouwonderwijs. Daar hoorde het werken in de tuin niet bij, vonden ze. Dat werd overgelaten aan de tuinman.

In 1930 verhuist de school naar Deventer en Theda verhuist als directrice mee. De naam wordt omgedoopt tot ‘Nieuw Rollecate.’ Een hoogtepunt voor Theda was het bezoek van koningin Juliana aan haar school in 1957.

Groot hart

Wat Theda dreef bleek uit haar volgende woorden:

…De lerares dient haar leerlingen de ogen te openen voor het vele goede dat buiten wonen heeft en haar leren van dit goede zoveel mogelijk partij te trekken ook door haar produkten van eigen bedrijf en tuin beter dan veelal het geval is te gebruiken…

In het gedenkraam van Rollecate staat: ‘Die altijd geeft van het goede dat zij heeft.’ Het lijkt op het lijf van Theda geschreven.

Haar drijfveren kwamen voort uit een groot hart en inlevingsvermogen. Als jong meisje had ze gehuild toen haar vader Derk een oude afgeleefde arbeider die zestig jaar bij de familie in dienst was geweest, wegstuurde, zonder een cent mee te geven en zonder een dak boven zijn hoofd. Het excuus van Derk was dat hij de diaconie betaalde om in de levensbehoeften van uitgewerkte arbeiders te voorzien. Theda begreep het niet. Hoe kon haar vader zo gevoelloos zijn?

Al op relatief jonge leeftijd, toen ze nog volop in het werkzame leven stond, kreeg ze een tastbaar eerbewijs voor haar verdiensten. Ze werd benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Dit is een fragment uit het boek, “Uit Zeeklei gebakken” over de familie Mansholt. Het boek is geschreven door Kees Opmeer en is hier te koop. Het boek ligt ook in de museumwinkel van het landgoed Verhildersum in Leens.

Kijk ook hier: Theda Mansholt voorbeeld voor mijn oma Hetty Mansholt.

Theda Mansholt

Koningin Juliana bezoekt Rollecate en wordt ontvangen door Theda Mansholt

Wandelen in de wolken met IJssel-schilder Jan Voerman (podcast + wandeling)

Luister naar de podcast over de schilder Voerman. Bedacht door Wim Eikelboom van IJsselverhalen.

Verteller is Peter van Bruggen. Het lied ‘Kijk naar de rivier’ is van Tangarine. 

Frits spits draagt een gedicht voor van Jean Pierre Rawie en Mark Boog . 

Hier is de podcast te vinden

Het Voerman Struinpad in de uiterwaarden van Schelle en Oldeneel in Zwolle is een eerbetoon aan IJssel-schilder Jan Voerman (1857-1941).  

Voerman is beroemd geworden met het schilderen van fantastische wolkenluchten boven de rivier. Die wolkenluchten kun je vandaag de dag nog altijd ervaren langs de IJssel. 

Dit verhaal komt het best tot z’n recht als je het beluistert tijdens een wandeling over het Voerman Struinpad. Kijk hier voor een routebeschrijving. 

Zicht op de IJssel en Hattem van Jan Voerman Sr.