Jonkvrouw Maria Anna de Villeneuve

De moeder van mijn over-overgrootmoeder Willemina Rahder van Voorthuijsen (1813 1887) is jonkvrouw Maria Anna de Villeneuve uit Leerdam. De familie is van adel en komt oorspronkelijk uit Frankrijk. Voorouders waren edellieden met hun eigen familiewapens, zoals Jean de Villeneuve uit Masnosque (1642, Frankrijk) en Raymond Gaufried de Castelane (1266-1304), in die tijd bekende edellieden. Maria Anna overlijdt 0p 18 november in 1818 op 30-jarige leeftijd. Mien is dan pas 5 jaar oud. Vader Jan van Voorthuijsen, een bekend reder op Kattenburg, hertrouwt en krijgt nog 5 kinderen.

Willemina krijgt gezondheidsproblemen en Coen Rahder ontvlucht in 1843 de stad Amsterdam om met zijn jonge gezin in Baambrugge te gaan wonen. Hij huurt daar de buitenplaats ‘Valck en Heining’ aan het riviertje de Angstel. Zijn schoonouders hebben er aan de noordzijde hun eigen buiten ‘Geinwensch’.  Het stroomgebied van de Utrechtse Vecht, Angstel en Gein is vanaf de 17e en 18e eeuw een ware lustwarande. Langs de rivieren liggen vele tientallen buitenplaatsen die rijke kooplieden uit het Amsterdam van de Gouden eeuw daar hebben gebouwd. Toch blijft Coen zoeken naar een nieuwe uitdaging en een nieuwe toekomst. Dan valt zijn oog op de turfwinning in Drenthe.

Uit: “Hoe de Rahders Drenthe veranderden”

Jonkvrouw Maria Anna de Villeneuve

Bericht van overlijden in het bevolkingsregister van Amsterdam

Carmen onder de appelboom

Vandaag is het 91 jaar geleden dat mijn moeder, Jennie Voerman-Rahder werd geboren. Ze is maar 65 jaar geworden. Toen ze pas met haar nieuwe vriend Ubbo bij haar schoonouders op bezoek ging in Blaricum werd er een foto gemaakt onder de appelboom. Mijn opa Jan Voerman Jr. maakte daar later een schilderij van dat de naam “Carmen onder de appelboom’ kreeg. Helaas heb ik geen idee wie Carmen was.

De laatste dagen van de IJsselschilder Jan Voerman sr.

De maand mei in 1940 is een van de warmste ooit. Alle bloemen en bomen staan in bloei. Dan zijn er vliegtuigen en bommen. De IJsselbrug bij Zwolle wordt opgeblazen. Jan Voerman sr. wordt geëvacueerd nu de oorlog uitbreekt.

Eenmaal weer terug in zijn vertrouwde huis sterft hij in 1941. Een lange stoet mensen loopt achter de koets met zijn kist. De luchten zijn donker. Een laatste reis. In veel kranten wordt aandacht besteed aan het overlijden van de IJsselschilder. In de Homoet is zelfs de hele voorpagina aan Voerman sr. gewijd.

De huizen aan de Gelderse Dijk in Hattem worden een voor een verkocht. Zoon Tijs, die alles op zijn naam heeft staan, verkoopt sommige woningen zonder dat met zijn broers en zus te delen. Het zuideratelier blijft het langst in familiebezit. Veel werk van de schilder wordt weggegooid. Vooral de kleine paneeltjes met siccatief, die nooit goed gedroogd zijn en die nu aan elkaar kleven. Er verdwijnen ook veel tekeningen. Een grote doos wordt bij het vuilnis gezet. Het wordt door een liefhebber gered en zal later in het bezit komen van Voermanverzamelaar Henk van Ulsen.

Dit is een kort stukje uit het nieuwe boek over de schilders Jan Voerman sr. en jr. van de IJssel tot Verkade, met unieke verhalen en afbeeldingen uit het familie archief. Het verschijnt in juni 2021.

Begrafenisstoet van Jan Voerman sr.

Rahder boek genomineerd voor de Drentse Historische Prijs

‘Drie boeken om u tegen te zeggen’. Zo noemt juryvoorzitter Jetta Klijnsma de boeken die genomineerd zijn voor de Drentse Historische Prijs 2020.

Klijnsma maakte vanmorgen op Radio Drenthe de drie genomineerden bekend voor de jaarlijkse prijs van de Drentse Historische Vereniging. In willekeurige volgorde zijn het: Faber pallets. Kroniek van een familiebedrijf, door Kees Faber. Hoe de Rahders Drenthe veranderden, door Kees Opmeer en Franse para’s in Drenthe, door Harold de Jong.

“We hebben 19 inzendingen gehad”, vertelt Klijnsma. “Dat zijn prachtige boeken allemaal.” De prijs is niet alleen door schrijvers te winnen, ook projecten maken normaal gesproken kans op de prijs. “Een oploopje of toneelstuk bijvoorbeeld. Dat was allemaal lastig tijdens corona”, legt Klijnsma uit. De kwaliteit was er niet minder om. “Het was echt heel moeilijk om te kiezen.”

Als jullie op het Rahder boek willen stemmen kan dat hier

Onrust in het veen, de ‘bollejagers’

In 1890 zijn er weer protesten, nu ook rond Hoogeveen. De veenwerkers werken graag bij de familie Rahder. De Rahders hebben wel winkeltjes, vooral omdat er in de streek niets te krijgen was, maar ze doen niet aan de gedwongen winkelnering met hoge prijzen. Arbeiders die hun voedsel even niet kunnen betalen, krijgen toch op de pof eten mee. Schulden worden vaak weggestreept. Als het bedrijf winst maakt krijgen de arbeiders daar 10% van.

Veel werkers in het veen hadden een gedeelde grief.  Kort na het begin van het graafsei­zoen van 1890 hadden de gezamenlijke veeneigenaren besloten, dat voortaan een vierkantstok 6,25 m2 groot moest zijn. Dat betekende een verzwaring van het werk zonder enig overleg met de arbeiders. Tegenover deze verzwaring stond geen extra beloning. Het was een bezuiniging. De werknemers verzetten dezelfde hoeveelheid veen, maar kregen er nu minder geld voor. Ze liepen zelfs de kans lichamelijk eerder kapot te gaan. Dit leidde tot een bollejagerij die uitgroeide tot en een complete werkstaking.

De arbeiders trokken op 8 april in een lange rij over de smalle paden door het Zwinderscheveld noordwaarts. Vervolgens liepen ze langs de Hoogeveensche Vaart naar het westen, richting Nieuweroord. Jonge Jan Rahder, 33 jaar, ging net als altijd ’s morgens vroeg naar zijn venen in het Zwinderscheveld. Vlak bij zijn huis ontmoette hij een arbeider die zei: “Baas, ga er niet heen, ze zijn vandaag aan het oproer maken.” Rahder zei: “Dan ga ik er juist heen.” Verderop, vlak bij zijn eigen veenderij ontmoette hij een groep van ± 100 man. Rahder vroeg hen: “Wat willen jullie?” “Feest vieren”, zeiden ze. Toen vroegen zijn eigen arbeiders: “Mogen we meegaan?” Rahder gaf hun toestemming en later ook aan een paar meisjes, die wat verderop aan het werk waren.

Jan Rahder ging naar huis en zag daar een aantal mensen met rode vlaggen aankomen. Het waren rode zakdoeken aan stokken gebonden. Rahder begreep dat dit wel eens een verkeerde indruk zou kunnen maken op de politie en de autoriteiten van Hoogeveen. Rode vlaggen werden geassocieerd met socialisten, of wat nog erger gevonden werd: anarchisten. Volgens een landelijk voorschrift waren demonstraties met rode vlaggen verboden. Men zou de indruk kunnen krijgen dat er grote drommen oproerige, rooie revolutionairen kwamen oprukken naar de Kom van Hoogeveen, en die onjuiste opvatting zou zeer verkeerde reacties kunnen oproepen.

Rahder wist zijn arbeiders over te halen, hun zakdoeken op te bergen en gaf hun vervolgens een Nederlandse vlag. Daarachter trok men nu verder. Het waren nu zo op het oog gezagsgetrouwe lieden, die met vreedzame bedoelingen achter de vaderlandse driekleur voort liepen met geen andere motieven dan te gaan onderhandelen met hun werkgevers over betere arbeidsvoorwaarden. En die opvatting was wel de juiste. Uit de mededelingen en verhoren van bazen en arbeiders blijkt nergens, dat men geloofde in revolutionaire bedoelingen bij de stakers en aan oproer tegen het wettig gezag. Het is ietwat tragisch, dat juist die rood-wit-blauwe vlag de aanleiding zou worden van een conflict tussen politie en arbeiders. Nadat de veenbazen en de werkers een akkoord bereiken over het loon gaan de meeste veenwerkers naar huis. Een klein groepje wil de vlag terugbrengen naar Rahder.

In de verhoren die een commissie uit de Tweede Kamer later hield naar aanleiding van de stakingen vertelde Jan Rahder jr. over de vechtpartij:

Vraag: Zijt gij na afloop van de vergadering getuige geweest van de kloppartij, die toen heeft plaats gehad?

Antwoord: Neen, het speet ons, dat wij niet tegenwoordig waren. Als de verveners een beetje langer gebleven waren, dan ware er niets gebeurd. De kloppartij had plaats om de vlag, die men aan mij wilde terugbrengen. De politie en de arbeiders zijn gaan trekken om die vlag en toen zijn er klappen gevallen.

Vraag: Weet gij, of de arbeiders, die overgebleven waren, drank gebruikt hadden?

Antwoord: Er is wel sterke drank gebruikt. De burgemeester had het tappen wel verboden, maar men weet wel aan drank te komen. Het volk was echter niet dronken.

Vraag: Weet gij, of door sommige winkeliers vrijwillig borrels geschonken zijn?

Antwoord: Dat weet ik niet, ik heb het wel gehoord; sommigen hebben wel wat gekregen, als zij achter in huis gingen, buiten het oog van de politie.

Vraag: Hadden zij geld op zak?

Antwoord: De huisvaders hebben in de regel geen geld op zak, de jongelui wel.

Vraag: Hebt gij de indruk gekregen, dat de arbeiders vredelievend gestemd waren?

Antwoord: Ja.

Jan Rahder Jr. tussen de veenarbeiders