Vandaag is het 91 jaar geleden dat mijn moeder, Jennie Voerman-Rahder werd geboren. Ze is maar 65 jaar geworden. Toen ze pas met haar nieuwe vriend Ubbo bij haar schoonouders op bezoek ging in Blaricum werd er een foto gemaakt onder de appelboom. Mijn opa Jan Voerman Jr. maakte daar later een schilderij van dat de naam “Carmen onder de appelboom’ kreeg. Helaas heb ik geen idee wie Carmen was.
Het boek over de Familie Rahder, 100 jaar verveners langs de Hoogeveense vaart heeft zondag 21 maart de publieksprijs gewonnen van de Drentse Historische Vereniging.
‘Drie boeken om u tegen te zeggen’. Zo noemt juryvoorzitter Jetta Klijnsma de boeken die genomineerd zijn voor de Drentse Historische Prijs 2020.
Klijnsma maakte vanmorgen op Radio Drenthe de drie genomineerden bekend voor de jaarlijkse prijs van de Drentse Historische Vereniging. In willekeurige volgorde zijn het: Faber pallets. Kroniek van een familiebedrijf, door Kees Faber. Hoe de Rahders Drenthe veranderden, door Kees Opmeer en Franse para’s in Drenthe, door Harold de Jong.
“We hebben 19 inzendingen gehad”, vertelt Klijnsma. “Dat zijn prachtige boeken allemaal.” De prijs is niet alleen door schrijvers te winnen, ook projecten maken normaal gesproken kans op de prijs. “Een oploopje of toneelstuk bijvoorbeeld. Dat was allemaal lastig tijdens corona”, legt Klijnsma uit. De kwaliteit was er niet minder om. “Het was echt heel moeilijk om te kiezen.”
Als jullie op het Rahder boek willen stemmen kan dat hier
In 1890 zijn er weer protesten, nu ook rond Hoogeveen. De veenwerkers werken graag bij de familie Rahder. De Rahders hebben wel winkeltjes, vooral omdat er in de streek niets te krijgen was, maar ze doen niet aan de gedwongen winkelnering met hoge prijzen. Arbeiders die hun voedsel even niet kunnen betalen, krijgen toch op de pof eten mee. Schulden worden vaak weggestreept. Als het bedrijf winst maakt krijgen de arbeiders daar 10% van.
Veel werkers in het veen hadden een gedeelde grief. Kort na het begin van het graafseizoen van 1890 hadden de gezamenlijke veeneigenaren besloten, dat voortaan een vierkantstok 6,25 m2 groot moest zijn. Dat betekende een verzwaring van het werk zonder enig overleg met de arbeiders. Tegenover deze verzwaring stond geen extra beloning. Het was een bezuiniging. De werknemers verzetten dezelfde hoeveelheid veen, maar kregen er nu minder geld voor. Ze liepen zelfs de kans lichamelijk eerder kapot te gaan. Dit leidde tot een bollejagerij die uitgroeide tot en een complete werkstaking.
De arbeiders trokken op 8 april in een lange rij over de smalle paden door het Zwinderscheveld noordwaarts. Vervolgens liepen ze langs de Hoogeveensche Vaart naar het westen, richting Nieuweroord. Jonge Jan Rahder, 33 jaar, ging net als altijd ’s morgens vroeg naar zijn venen in het Zwinderscheveld. Vlak bij zijn huis ontmoette hij een arbeider die zei: “Baas, ga er niet heen, ze zijn vandaag aan het oproer maken.” Rahder zei: “Dan ga ik er juist heen.” Verderop, vlak bij zijn eigen veenderij ontmoette hij een groep van ± 100 man. Rahder vroeg hen: “Wat willen jullie?” “Feest vieren”, zeiden ze. Toen vroegen zijn eigen arbeiders: “Mogen we meegaan?” Rahder gaf hun toestemming en later ook aan een paar meisjes, die wat verderop aan het werk waren.
Jan Rahder ging naar huis en zag daar een aantal mensen met rode vlaggen aankomen. Het waren rode zakdoeken aan stokken gebonden. Rahder begreep dat dit wel eens een verkeerde indruk zou kunnen maken op de politie en de autoriteiten van Hoogeveen. Rode vlaggen werden geassocieerd met socialisten, of wat nog erger gevonden werd: anarchisten. Volgens een landelijk voorschrift waren demonstraties met rode vlaggen verboden. Men zou de indruk kunnen krijgen dat er grote drommen oproerige, rooie revolutionairen kwamen oprukken naar de Kom van Hoogeveen, en die onjuiste opvatting zou zeer verkeerde reacties kunnen oproepen.
Rahder wist zijn arbeiders over te halen, hun zakdoeken op te bergen en gaf hun vervolgens een Nederlandse vlag. Daarachter trok men nu verder. Het waren nu zo op het oog gezagsgetrouwe lieden, die met vreedzame bedoelingen achter de vaderlandse driekleur voort liepen met geen andere motieven dan te gaan onderhandelen met hun werkgevers over betere arbeidsvoorwaarden. En die opvatting was wel de juiste. Uit de mededelingen en verhoren van bazen en arbeiders blijkt nergens, dat men geloofde in revolutionaire bedoelingen bij de stakers en aan oproer tegen het wettig gezag. Het is ietwat tragisch, dat juist die rood-wit-blauwe vlag de aanleiding zou worden van een conflict tussen politie en arbeiders. Nadat de veenbazen en de werkers een akkoord bereiken over het loon gaan de meeste veenwerkers naar huis. Een klein groepje wil de vlag terugbrengen naar Rahder.
In de verhoren die een commissie uit de Tweede Kamer later hield naar aanleiding van de stakingen vertelde Jan Rahder jr. over de vechtpartij:
Vraag: Zijt gij na afloop van de vergadering getuige geweest van de kloppartij, die toen heeft plaats gehad?
Antwoord: Neen, het speet ons, dat wij niet tegenwoordig waren. Als de verveners een beetje langer gebleven waren, dan ware er niets gebeurd. De kloppartij had plaats om de vlag, die men aan mij wilde terugbrengen. De politie en de arbeiders zijn gaan trekken om die vlag en toen zijn er klappen gevallen.
Vraag: Weet gij, of de arbeiders, die overgebleven waren, drank gebruikt hadden?
Antwoord: Er is wel sterke drank gebruikt. De burgemeester had het tappen wel verboden, maar men weet wel aan drank te komen. Het volk was echter niet dronken.
Vraag: Weet gij, of door sommige winkeliers vrijwillig borrels geschonken zijn?
Antwoord: Dat weet ik niet, ik heb het wel gehoord; sommigen hebben wel wat gekregen, als zij achter in huis gingen, buiten het oog van de politie.
Vraag: Hadden zij geld op zak?
Antwoord: De huisvaders hebben in de regel geen geld op zak, de jongelui wel.
Vraag: Hebt gij de indruk gekregen, dat de arbeiders vredelievend gestemd waren?
Na de tweede oorlog zakt de verkoop van turf bijna helemaal in. In het jaar 1962, terwijl de kleinzonen door zijn kantoor scharrelen, schrijft Jaap Rahder zoals ieder jaar een verslag voor de commissarissen met daarin de balans van de N.V. Machinale Rahder Turffabriek. “De resultaten in 1960 en 1961 waren zeer slecht”, schrijft Jaap onomwonden. “De weersomstandigheden waren in de eerste 5 maanden zeer gunstig maar toen de turf moest drogen volgde een natte zomer en herfst. We hebben dan ook grote hoeveelheden zeer slechte turf in het veen staan. Gelukkig schijnt het dat deze turf door Purit afgenomen zal worden. De prijs zal slecht zijn. De afzet aan onze oude turfschippers daalt nog steeds. De afzet aan de Coöperatieve Turfstrooiselfabriek was goed. De omzet van turf bedroeg in 1960 F. 81.717,43. Een deel van de gronden ter grote van 46.73.60 hectare is aangeboden aan de gemeente Schoonebeek voor F. 184.000. De gemeenteraad heeft de koop goedgekeurd maar het wachten is op toestemming van Gedeputeerde Staten”.
Een ander stuk grond verpacht Jaap aan enkele boeren, die er haver en tarwe op gaan verbouwen. De opbrengsten staan in het jaarverslag. In een kort stukje uit de krant van die dagen wordt Jaap Rahder geciteerd. “Wij verveners werken voor de toekomst, het tijdstip, dat over twintig of vijfentwintig jaar het veen vergraven is en de dalgrond voor de landbouw in gebruik kan worden genomen. Dan is ons doel bereikt en ontvangen we het loon voor het werk waarmee onze vader begonnen is en dat door de zoon wordt beëindigd”.
In het financiële overzicht is te zien dat er sinds het einde van de oorlog verliezen zijn. Het kan alleen worden gecompenseerd met de verkoop van grond. Jaap weet dat dit een keer ophoudt. Vanaf 1962 krijgt hij ook te maken met een tekort aan arbeidskrachten. De werkers kiezen voor een baan in de nieuwe industrie rond Emmen of gaan aan de slag als boerenknecht. Jaap weet dat zijn dochters het bedrijf niet gaan overnemen. Ze hebben een eigen leven opgebouwd.
Op maandag 31 juli 1961 is de jaarlijkse vergadering van Commissarissen der N.V. Machinale Rahderturffabriek te Nieuw-Amsterdam. De tweede en derde generatie ‘s Jacob en Zeeman zijn nog immer commissaris. Dhr. Zeeman haakt in op een schrijven van directeur Jaap Rahder die stelt dat verkoop van gronden, zoals aan de gemeenten, in feite een voorbode is van liquidatie van het bedrijf. Volgens de directeur zal de vervening van het gebied nog acht tot tien jaar duren. Zeeman stelt voor om nu al tot een langzame beëindiging van de firma over te gaan. ‘s Jacob is het hiermee eens. Zeeman merkt ook op dat de gereserveerde bedragen voor de pensioenen, respectievelijk 2000 en 1000 gulden, van de directeur en zijn vrouw, gezien zijn staat van dienst te laag zijn. Die moeten omhoog. Aldus wordt besloten.
Fragment uit : ‘Hoe de Rahders Drenthe veranderen”, het boek is hier te bestellen
Coen Rahder heeft de Willeminavaart rond 1860 zelf laten graven als zijtak vanuit de Hoogeveensche Vaart tot de Drijberse Hoofdvaart te Tiendeveen, met een lengte van ongeveer 2,5 km. Zo kan de turf uit zijn wijken, of in het Drents ‘wieken,’ nog beter worden afgevoerd. Het kanaal vernoemt hij naar zijn vrouw. In 1924 zal het kanaal nog worden doorgetrokken naar Beilen, verbreed en omgedoopt tot het Linthorst Homankanaal. Een aantal zijtakken in het veengebied vernoemt Coen naar zijn geliefde plekken in Amsterdam: ‘Kattenburg’, ‘Binnenkant’, ‘Keizersgracht’ en ‘Herengracht’. Het water in de kanalen en vooral in de zijtakken kleurt donkerzwart vanwege het hoogveen. Het geeft het water een magische duistere gloed.
In 1863 koopt Coen een oude moestuin met veel fruitbomen van Gesiena Warmels. Het is een prachtig plekje aan de schut in de Hoogeveensche Vaart. Je hebt daar goed zicht op de gehele vaart. In 1867 bouwt de derde zoon van Coen en Mien, J.C. Rahder jr. daar een huis. Het wordt ‘Huize Blokland’ genoemd naar de geboorteplaats van zijn vrouw Tonia Habermehl.
Dan blijkt uit een brief van zijn moeder W.P.C. Rahder–Van Voorthuysen, gedateerd 19-2-1868, aan de kinderen op de kostschool, dat er zich een klein drama afspeelt in het jonge gezin van Coen jr.
“Gisteren was er een droevige melding. Ik was bij Tonia geweest toen de kleine Gottfried opeens zulke eene akelige benauwdheid kreeg. Hij was akelig maar dat ging weer voorbij en dat kindje was weer geheel beter en sliep ’s nachts in goede gezondheid. Maar ’s morgens, zij wilden juist gaan ontbijten, kreeg het weer zo’n benauwdheid waar het ineens in bleef, zij kwamen mij roepen maar het kindje was al dood toen zij het huis uitgingen om mij te halen. In 5 minuten was alles afgelopen. Vind gij dat niet allertreurigst? Zij zijn innig bedroefd, dat kunt u lieden zich voorstellen. Ik ga er straks weer naar toe.”
In het jaar ervoor was de vader van Tonia overleden en begin 1868 was haar broer ernstig ziek, hij leed aan de pleuris. Het overlijden van de kleine Gottfried was de druppel. Tonia wil weg uit de koude, tochtige streken in Drenthe. Ze wil naar de stad Amsterdam waar haar schoonzusters al woonden. Coen Rahder jr. neemt de aandelen in de wijnhandel over van zijn oudere broer Jan. Hij wordt daarmee mededirecteur bij de Weduwe H. Rahder en zet ‘Blokland’ te koop.
Het huis zal jaren leeg staan en wordt beheerd door broer Herbert. Alleen zomers komt er af en toe familie. In 1874 koopt Herbert het huis en verhuurt het aan Oude Jan die het later zelf weer overkoopt. Oude Jan woont er met zijn gezin tot zijn dood in 1898. Jan drijft dan een winkel aan de Wilhelminavaart met allerlei goederen en verhuist ook die zogenaamde ‘bazaar’ naar Blokland. De hele familie werkt mee. Jans tweede vrouw Margje vertelt nog jaren later dat ze een kromme rug heeft overgehouden aan het sjouwen van zakken suiker en meel.
Niet veel later in 1868 bouwt zoon Herbert ‘Huize Veen en Dal’ ook aan de Hoogeveensche Vaart, een verbeterde versie van Huize Blokland. Herbert gaat er na zijn huwelijk met Ykje Post uit Groningen wonen. Ykje is familie van apotheker Radijs uit Hoogeveen die in het boek Publieke Werken van schrijver Thomas Rosenboom wordt opgevoerd als Anijs. Beide huizen Blokland en Veen en Dal staan nog prominent in het centrum van Noordscheschut.
Dit is een fragment uit het boek “Hoe de Rahders Drenthe veranderden”. Het boek is hier te bestellen.
Jan Rahder jr. (1858 – 1924) is nog steeds niet getrouwd. Dan ontmoet hij Jentje Thomas (1872-1953) die helpt in het huishouden op Blokland waar dan Margje Rahder-Van Veen, de weduwe van zijn broer Oude Jan, woont. Jentje is de dochter van molenaar Thomas van de molen de ‘Korenbloem’ even verderop aan de vaart in Noordscheschut. Hij heeft de molen in 1886 voor 4000 gulden gekocht van de oude eigenaar Gerrit Jan Oldenkamp. Van die aankoopsom gaat maar liefst 3465 gulden naar Meeuwes Robaard “ter afdoening van eene schuld tot dat bedrag met rente op de verkochte en gekochte molen rustende hypothecaire schuld”.
Jacob pachtte daarvoor de molen in ’t Haagje in Hoogeveen, maar kreeg daar een fikse ruzie met eigenaar Berend Eleveld. Thomas was in die periode succesvol en had voor zijn vrouw Berendina Gezina Knegt een gouden oorijzer gekocht. Eleveld zag dat als een gebrek aan nederigheid en weigerde daarop de pacht te verlengen.
Nu kan niemand Jacob Thomas iets meer vertellen en is hij eigen baas. Het gezin Thomas verhuist nog hetzelfde jaar naar Noordscheschut en gaat wonen in een boerderij op het Noordsche Opgaande. Vlak voor de eeuwwisseling zorgt hij ervoor dat de Korenbloem de eerste molen in Drenthe is die met een petroleummotor wordt aangedreven. Hij is nu niet meer afhankelijk van goede wind. Jacobs zoons Jan en Cornelius zullen ook molenaar worden.
Dochter Jentje trouwt later dan haar jongere zus Aaltje, maar ze heeft een goede keuze gemaakt. Ze trouwt met een Rahder ook al is haar echtgenoot een stukje ouder. Haar familie vindt dat Jentje het wat hoog in de bol heeft, maar is blij met de huwelijksplannen. Ze trouwen in maart 1897. Jan is dan 39 jaar en Jentje is 24. Als Oude Jan Czn. een jaar na het huwelijk in 1898 overlijdt, komt de directeursfunctie vacant.
Jentje is net zo vastberaden en eigenzinnig als haar vader. Ze weet wat ze wil. Ze geeft haar man genoeg zelfvertrouwen om de leiding van de N.V. Rahder over te nemen. Op voordracht van bestuurslid Coen Rahder jr., wordt Jonge Jan per 13 maart 1899 directeur van de N.V. Rahder Machinale Turf.
Jan blijft met zijn bruid in ‘Huize ten Brink’ wonen. Vlak na de eeuwwisseling in 1902 koopt hij ‘Huize Blokland’ als weduwe Margje Rahder in Haarlem gaat wonen bij haar getrouwde dochter. Jan neemt er zijn intrek met Jentje, dochter Wilhelmina ‘Mien’ en zoon Jacob ‘Jaap’. Kort daarna worden Jan en Gerhardus ‘Ger’ er geboren. Het huis wordt vergroot met een nieuwe opbouw. Een nieuwe eeuw, een nieuw begin.
Dit is een fragment uit het boek: “Hoe de Rahders Drenthe veranderden”. Het boek is hier te bestellen.
De Molen van Thomas in Noordscheschut Molenaar Jacob Thomas (1844-1909) Jentje Thomas – Rahder
Noordscheschut – Een grote historische schat lag 23 jaar lang bij Peter Voerman in een hutkoffer op zolder. Het is het familiearchief van de familie Rahder, de bekende turffamilie die drie generaties lang turf won langs de Hoogeveensche Vaart. Voerman is de kleinzoon van de laatste vervener Jaap Rahder. Dankzij dit archief ontstond het boek ‘Hoe de Rahders Drenthe veranderden’, geschreven door Kees Opmeer uit Ruinen.
Café Troost in Noordscheschut, met uitzicht op de Hoogeveensche Vaart, is een mooie plek om deze boekpresentatie te houden. Het is de grond waar de familie Rahder fortuin maakte, maar ook goed voor haar medewerkers zorgde. Het boek schetst een beeld van de turfwinning in Drenthe, maar vertelt ook een familiegeschiedenis over bijzondere mensen die Drenthe veranderden.
Bijna een kwart eeuw had Peter Voerman de hutkoffer vol met schatten op zolder staan. ,,Wat doe ik ermee? Het is een vraag die me jarenlang bezighield. Mijn ouders wilden graag dat ik me over deze spullen zou ontfermen. Jarenlang deed ik er niets mee. Ik werd in beslag genomen door mijn gezin, een drukke baan en dagelijkse beslommeringen. Opeens had ik het gevoel dat de tijd me op de hielen zat. Mijn ouders overleden relatief jong. Dat geldt ook voor veel van mijn voorouders. Als ik hun genen heb, dan kan ik geen jaren meer wachten.”
‘Zeuren’
Voerman kwam terecht bij Kees Opmeer, die al jaren tegen hem zei dat hij wat met het archief moest doen. Het boek over de Rahders is het 50e boek dat Opmeer schrijft. De schrijver uit Ruinen moest lang ‘zeuren’. ,,Het heeft jaren geduurd voordat Peter zover was. Het boek is geschreven vanuit het oogpunt van Peter. Dat is mooi, maar je moet uitkijken dat je het niet romantiseert. Daarom hebben we een team samengesteld, bestaande uit Wim D. Visser en Albert Metselaar, om alle feiten te checken. De keuze voor deze invalshoek is genomen om in het boek de Rahders van vlees en bloed te laten worden. Daarom voel ik me nu ook een beetje een Rahder”, vertelt Opmeer lachend.
Tijdens de eerste afspraak die de heren hadden, stalde Voerman al het materiaal uit op tafel. ,,Ik dacht dat het Kees misschien af zou schrikken.” De schrijver schudt zijn hoofd. ,,Nee, absoluut niet. Ik dacht: er ligt hier een schatkamer. Ik kreeg een groot deel van het archief mee naar huis. Mijn werkkamer lag vol. Het rook er echt naar het verleden.”
De speurtocht naar alle geheimen begon en Opmeer stuitte op prachtige pareltjes. Het feit dat de stoel waar Koning Willem III opzat toen hij de Rahders bezocht tijdens een reis naar Drenthe, al die tijd bij de familie in huis heeft gestaan en de koningsstoel werd genoemd bijvoorbeeld. Historicus Wim D. Visser zou deze stoel nog graag een keer traceren. Ook hij heeft meer met de familie Rahder dan alleen in historisch opzicht. Zijn voorouders woonden een tijdlang naast de familie Rahder in Dedemsvaart en 60 jaar later kwamen er weer nazaten van hem en van de Rahders naast elkaar te wonen. Hij biedt Voerman een portret aan van Koen Rahder, dat hij in zijn bezit heeft en die jarenlang op zolder stond te verstoffen. ,,De familie wilde het niet hebben, maar ik wist dat er ooit een kans bestond dat ik het aan een nazaat aan zou kunnen bieden. Dit is een prachtige gelegenheid.”
Maar wat hebben de Rahders nou betekend voor Drenthe? Het is een vraag die Peter Voerman in het einde van het boek beantwoordt. In het boek valt te lezen wat ze allemaal hebben gedaan en hoe het er aan toeging in het Drenthe van de 19e en begin 20e eeuw. De Rahders waren de eerste die een machine hadden voor machinale vervening, ze stonden aan de wieg van de basisschool in Tiendeveen en hadden oog voor de gezondheid van hun medewerkers. ,,In de canon van Drenthe wordt de familie Rahder niet genoemd als het om de vervening gaat. Daarom koester ik dit boek. Het is mijn manier om de familie te behoeden voor vergetelheid. Dat verdienen ze.”
Het eerste exemplaar van het boek wordt tijdens de presentatie aangeboden aan burgemeester Karel Loohuis. Gespreksleider Serge Vinkenvleugel heeft nog een vraag: of er nog meer hutkoffers bij Voerman op zolder stonden. Voerman is natuurlijk niet alleen een Rahder, er stroomt nog ander bloed door zijn aderen. Ook stamt hij af van de schilder Voerman en ook daar ligt nog een archief van bij hem op zolder. Of dat ook een boek wordt? ,,Dat weet ik nog niet zeker, maar Kees en ik zijn er wel naar aan het kijken. Ook in deze hutkoffer vinden we allemaal schatten. Ach, het is eigenlijk gewoon een ja.”
Woensdag 10 juni wordt het boek met het verhaal over de familie Rahder gepresenteerd. Vrijdag 5 juni was er een item op RTV Drenthe en zondag 7 juni is er een radioverhaal op Drenthe Toen.