Derk Roelfs Mansholt (1842-1921) verhuist in 1866 met zijn ouders naar Eexta.

Bedrijfsleider in Meeden

In de buurt van het Groningse Meeden, niet ver van Scheemda en Winschoten kocht de Familie Mansholt de boerderij ‘Vogelzang’ voor 69.864 gulden van de familie Brouwer. Met een afstand van pakweg vijftig kilometer vanaf hun vorige woonplaats was het niet echt een wereldreis, maar het was wel een totaal andere wereld.

Derk ging zijn eigen weg. Vanaf het begin zette hij zich in om zich aan de Nederlandse samenleving aan te passen met zijn eigen gebruiken en eigenaardigheden. In de kortste keren maakte hij zich de taal eigen, niet het dialect dat niet veel verschilt van zijn eigen dialect, maar het algemeen beschaafd Nederlands. De tongval uit zijn geboortestreek zou hij echter nooit helemaal kwijtraken.

Door zijn kennis en deskundigheid werd hij al snel bedrijfsleider op een grote boerderij aan de Hereweg in Meeden, de doorgaande straat die dwars door het dorp liep. De boerderij was in bezit van de vijf jaar oudere Aaltje Willems die op jonge leeftijd weduwe was geworden. De aantrekkelijke Aaltje had de boerderij geërfd van haar man Harm Tonckens. Het kostte haar veel moeite de boerderij in haar eentje te beheren, met haar twee jonge dochters, Hendrika van vier en Wiepke van twee.

Echtgenoot, vader en boer

In de sterke, ambitieuze en energieke Derk vond Aaltje een grote steun. Het kon niet uitblijven. Er bloeide een liefde op tussen deze twee jonge mensen die blijkbaar tot elkaar waren veroordeeld. Ze trouwden in 1869. In één klap werd Derk echtgenoot, vader en eigenaar van een groot boerenbedrijf. In de loop der jaren werd het gezin met nog eens zes kinderen uitgebreid.

In 1873, als hij 31 is, wordt hij officieel Nederlands staatsburger. Dat hij dan al goed is ingeburgerd en aanzien heeft verworven, blijkt uit het feit dat hij in hetzelfde jaar wordt gekozen in de gemeenteraad van Meeden. Niet lang daarna vragen ze hem voorzitter te worden van het Genootschap van Landbouw en Nijverheid, afdeling Meeden.

In Groningen bestaat veel waardering voor de kennis en kunde van Derk. Ze zien hoe hij voortdurend op zoek is naar betere teeltmogelijkheden. Samen met een andere boer die dezelfde vernieuwingsdrang heeft, legt hij proefvelden aan om de verbouw van graan te kunnen verbeteren. De resultaten worden nauwkeurig en uitvoerig vastgelegd. Hij trekt de regio in om enthousiast over zijn experimenten te vertellen en wordt een veelgevraagd spreker, hoewel dat niet zijn sterkste punt was.

De boerderij Vogelzang te Eexta is inmiddels afgebroken, alleen de boomgaard is nog terug te vinden

De boerderij in Meeden van Aaltje Willems Dijkhuis waar Derk Roelfs ging werken als voorman.

Dit is een fragment uit het boek ‘Uit Zeeklei gebakken” over de familie Mansholt. Het boek is geschreven door Kees Opmeer en is hier nog te koop.

Familie Zijlma, voorouders van mijn oma uit Noord-West Groningen

De relatie met de familie Zijlma loopt via Grietje Louwes, de moeder van mijn oma Hetty en echtgenote van Ubbo Mansholt. Ze was de dochter van Stefanus Louwes en Henriëtte Zijlma. Dat waren van beide kanten welgestelde boerenfamilies.

De familie Zijlma stijgt in aanzien door de ondernemingszin van Hendrik Jan Zijlma, de vader van Henriëtte. Rond 1820 begint hij als kleine boer op zijn eigen bedrijfje ten oosten van Houwerzijl. Hij is een harde werker met kennis van zaken en een ‘deftig voorkomen’. Iedereen kende hem als de man die met een hoge hoed op zijn hoofd over zijn land wandelde en met onverholen trots om zich heen keek. Hij kan het zich veroorloven om na verloop van tijd ’t Huis Ewer te kopen, een monumentale kop-hals-rompboerderij.

Ewer zelf is niet meer dan een gehucht vlakbij het dorp Zuurdijk en het Reitdiep. Het is gebouwd op een van de oudste wierden van Groningen. Uit bodemvondsten blijkt dat hier al sinds het begin van de jaartelling mensen woonden.

De naam Ewer komen we voor het eerst in de vijftiende eeuw tegen. Deze is afgeleid van de persoon ‘Iwe toe Ewer’ die een huis van steen bewoonde op de wierde. Iwe moet een steenrijk man zijn geweest. Het woord steenrijk verwijst naar mensen die zich in het verleden een huis van steen konden veroorloven. Veel meer is er niet bekend over Iwe, behalve dat hij in 1500 sneuvelde in de slag bij Warfumerzijl tegen de ‘gevreesde en wrede Saksen’ onder aanvoering van de hertog van Brunswijk.  In de rand van de torenklok van Zuurdijk staat zijn naam als tastbare herinnering vermeld.

Hendrik Jan Zijlma trouwt in 1823 met Hilje Hopma, afkomstig uit een rijke boerenfamilie die een grote boerderij in Ellerhuizertil bewoont. Op die boerderij is nog steeds een gedenksteen te zien met alle namen van de kinderen die er geboren werden en met de tekst:

De veeteelt is onze bezigheid

Naast ’t eerlijk akkerploegen

Weldoen gepaard met matigheid

Geeft rust en vergenoegen

Het huwelijk van Hendrik Jan en Hilje

De huwelijksplechtigheid van Hendrik Jan Zijlma en Hilje Hopma is in stijl met veel uiterlijk vertoon. Hetty beschikte over de bruidsjurk van Hilje die ze in latere jaren schenkt aan de Borg Verhildersum. Nog steeds is deze te bewonderen in Museum Landgoed Verhildersum.

Hetty omschreef de jurk als volgt:

…gemaakt van bedrukte katoen, mosterdgeel, bezaaid met rode bloempjes, zoals de bloeiende weiden rondom haar huis. Zoals de empire-mode het wilde was vanaf de zeer hoge taille het rugpand van rok en jak wijd gerimpeld aan het korte lijfje met de open hals. Van onder de bolle kopmouwtjes kwamen lange mouwen, die in mitaines eindigend bij de vingers. Zij schijnt geen wit schort te hebben gedragen, maar een zwart met kant en een lila doekje om de hals. Vond haar schoonmoeder haar te stads en wuft zonder schort en batisten inzetje? Maar een warme cashmire sjaal moet onmisbaar geweest zijn om door de bruidegom om haar schouders te worden geslagen, op de lange reis naar haar eigen nieuwe huis het ‘Gansehuis.’

Het paar vestigt zich in het “Gansehuis” vlakbij Huize Ewer. In 1823 wordt deze boerderij op orde gemaakt om de nieuwe boerin te ontvangen. In maart worden nieuwe knechten en meiden ingehuurd. Het volgende jaar wordt zoon Jan geboren, Henriëtte volgt in 1828.

Hilje Hopma was een vooruitziende moeder die ervoor had gezorgd dat Henriëtte goed onderwijs kreeg. In de Franse tijd had ze zelf verplichte Franse lessen gevolgd op school en misschien daarom had ze haar dochter Henriëtte een Franse naam gegeven. Hetty Mansholt is weer naar haar vernoemd.

 Geuchien is een nakomertje en wordt in 1842 geboren. Er is in die tijd behoefte aan geboortebeperking, omdat er minder kinderen nodig zijn in het boerenbedrijf en omdat er minder kinderen sterven. De Groningse boer, die zijn vrouw ‘in ere houdt’ door haar niet jaarlijks een kind te geven, is een bekend begrip. De verburgerlijking van de boerenfamilies zorgt zelfs voor meer preutsheid. Dat komt vooral omdat veel boerendochters na de lagere school nog de kostschool bezoeken of gaan ‘jufferen’ in de grote stad. Ze leren daar nieuwe gebruiken en omgangsvormen. Ze gaan zich beter kleden en de aandacht voor hygiëne neemt toe.

Geuchien

Hendrik Jan boert goed. Ze kunnen het zich veroorloven om in 1844 Ewer grondig te verbouwen. Er worden veel  kinderen geboren, maar een aantal sterft al op jonge leeftijd. De kinderen die later nog een belangrijke gaan spelen zijn Jan, Henriëtte en nakomertje Geughien.

Oudste zoon Jan neemt het boerenbedrijf van zijn vader over. De jonge Geughien is daardoor gedwongen zijn eigen weg te gaan, maar doet dat met verve. Hij vertrekt naar de net drooggelegde Westpolder en laat daar in 1875 de boerderij ’Nieuw Zeeburg’ bouwen.

Vanuit zijn  maatschappelijke betrokkenheid wordt hij, net als veel andere herenboeren, politiek actief. Hij had geen socialistische opvattingen als Derk, maar behoorde wel tot de vooruitstrevende liberalen. Van gemeenteraadslid werkte hij zich op tot gedeputeerde. Vanuit zijn district Zuidhorn werd hij vervolgens gekozen tot lid van de Tweede Kamer, waarin hij van 1892 tot 1909 zitting had. Daarna was hij nog eens vijf jaar lang lid van de Eerste Kamer. Als woordvoerder voor landbouw en waterstaat was zijn invloed groot.

In zijn privéleven kreeg hij de nodige tegenslagen te verwerken. Zijn vrouw Ijte, Dijkhuis, dochter van Willem Lammerts, overleed al op jonge leeftijd na de bevalling van haar eerste kind. Het was een zware slag voor Geuchien. Zijn leven lang bewaarde hij een haarlok van haar in een flesje.

Een aantal jaren later hertrouwde hij met Hillegonda Zuidema. Eén van de dochters uit dit huwelijk, Hilda, trouwde met Thedoor Mansholt een zoon van Derk. 

Geughien Zijlma en zijn eerste vrouw Itje Dijkhuis

Dit is een fragment uit het boek “Uit Zeeklei Gebakken” van Kees Opmeer, over de families Mansholt, Louwes, Dijkhuis en Zijlma. Het boek is hier te bestellen. Ook te verkrijgen bij Landgoed Verhildersum te Leens

Verkadealbum “Langs de Zuiderzee” 110 jaar oud

Deze maand is het 110 jaar geleden dat het Verkadealbum “Langs de Zuiderzee” uitkwam. Op dat moment het 9e album in de serie. Zelfs het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kon dit niet verhinderen. Ook in die tijd waren er plannen om de Zuiderzee af te sluiten. Verkade en Thijsse waren hiervan op de hoogte, zoals blijkt uit de inleiding van Thijsse in het album.

…Ga nu de Zuiderzee zien, eer het te laat is. Want lang zal ’t niet meer duren of groene polders vervangen de kabbelende golfjes. Hoe dat in zijn werk zaal gaan, en wat dat te beduiden heeft, vertelt een man van zaken in een afzonderlijk hoofdstukje…

Later schreef hij:

…’t Is toch al jammer genoeg, dat de zee hier later moet verdwijnen, maar daar is niets aan te doen en van die droogmaking verwachten we toch ook weer een boel goede dingen, maar we raken er heel wat moois door kwijt, bewaar dus dit album voor uw achterkleinkinderen…

Mijn opa, Jan Voerman Jr., komt in de tijd net terug uit Amsterdam waar hij lessen heeft gevolg aan de Akademie der Kunsten. Het was voor hem, na zijn beschermde jeugd bij zijn ouders in Hattem,  een openbaring om in de grote stad te zijn. Hij had Van Gogh gezien in het Rijksmuseum en het werk van Breitner. En hij wandelde uren door de stad op zoek naar kunsthandelaren. Voor het album de Zuiderzee mag hij 24 plaatjes maken daarvoor reist hij naar de kust van Friesland en Overijssel. Tacozijl, Lemmer, Blokzijl, Kuinre. Allemaal plaatsen die niet lang meer ‘aan zee’ zouden liggen.

Verkadeplaatje “Blokzijl” van Jan Voerman Jr.

Artikel uit november 1914 bij het verschijnen van het album

Logeren bij opa en oma Rahder in Nieuw Amsterdam (1963)

De belangrijkste herinneringen aan mijn opa Jaap, Jacob Rahder (1900-1965), heb ik aan de periode dat ik tijdelijk bij hem woonde.  Toen kwam ik voor het eerst in aanraking met de activiteiten van de familie Rahder als verveners. Het was in het voorjaar van 1963 dat mijn broertje Jacob Jan, net 3 maanden oud, en ik, een jochie van vier naar zijn huis De Tippe in Nieuw-Amsterdam verhuisden, naar later bleek voor een periode van een half jaar. Het ruime, vrijstaande huis is gelegen aan de Vaart NZ 20, langs de Verlengde Hoogeveensche Vaart en vlakbij het spoor.

Mijn moeder was in het academisch ziekenhuis in Groningen opgenomen. Na de bevalling van Jacob Jan werd ze moe, doodmoe. Mijn vader Ubbo begreep als arts-assistent al snel dat het niet de gewone vermoeidheid van een kraamvrouw kon zijn. Het bleek om een zware bloedvergiftiging te gaan. Ze was gedwongen veel penicilline te slikken, zoveel dat ze er na enige tijd allergisch voor werd. Alleen rust kon haar er weer bovenop helpen. Dit betekende dat ze tot haar spijt niet voor haar kinderen kon zorgen. Mijn vader was niet in staat deze rol over te nemen; niet alleen door zijn drukke baan met zijn coschappen. Hij was er ook de man niet naar.

Ze heeft drie maanden in het ziekenhuis gelegen. Door de penicilline heeft ze een beschadiging aan haar hartklep opgelopen, een hart dat toch al niet sterk was. Ze mocht ook geen kinderen meer krijgen. Het was een boodschap die hard aankwam. Mijn ouders waren dol op kinderen. Achteraf begreep ik goed waarom ze later pleegkinderen een thuis wilden geven.

Ik vond het heerlijk om een tijdje bij mijn opa en oma te mogen wonen. Ik ben geboren in de Wielewaalflat in Groningen, een begrip in de stad. Gebouwd in 1957 en modern door de combinatie van verschillende functies, gelegen aan de rand van de Oosterparkwijk. Inmiddels is het gebouw een rijksmonument. Kort daarna zijn we verhuisd naar een flat in de Illegaliteitslaan in Groningen, in een nieuwbouwwijk niet ver van het stadspark. En opeens kwam ik in Zuidoost-Drenthe terecht, in het buitengebied van Nieuw-Amsterdam. Wat een verschil met de grote stad. Vanuit het huis had ik een weids uitzicht op de omgeving. Ik vond het heerlijk om daar te mogen wonen en te genieten van mijn nieuwe vrijheid. Van heimwee had ik geen last. Daar kwam bij dat ik het eerlijk gezegd een beetje eng vond om mijn moeder in het ziekenhuis te bezoeken. Dat grote gebouw met al die gewichtige mensen in witte jassen. De steriele kamer waarin mijn moeder op bed lag. Ze zag er zo anders uit dan ik haar kende. Het hielp ook dat ik me thuis voelde bij mijn opa en oma. We werden  met open armen ontvangen. En mijn vader sliep om de andere dag bij ons, waar ik erg blij mee was, vooral in de eerste periode toen alles nog een beetje vreemd was.

Regelmatig kregen we ook bezoek van andere familieleden, zoals van mijn andere oma Hetty Voerman-Mansholt en tantes van de familie Voerman. Ik voelde me nooit alleen.

Wat me vooral is bijgebleven is de geur van veen en turf als ik in het uitgestrekte en open gebied rondstruinde met de wijken, de zijkanalen in het veen, de vaart met de brug waar altijd wat te zien was en de verspreid liggende boerderijen. Nog steeds als ik die geur ruik ben ik in gedachten terug in die tijd bij mijn opa en oma.

Het was wel anders dan thuis. Oma Femmie was niet alleen zorgzaam, maar ook een vrouw van regels. Dat was ik thuis niet zo gewend. Ze wilde met ‘u’ aangesproken worden. Als ik iets wilde, was ‘alstublieft’ een veelgebruikt woord. ‘Mag ik alstublieft nog een beetje vla?’ Alles gebeurde op vaste tijden. Eigenlijk vond ik die vaste structuur wel prettig. Het gaf duidelijkheid en binnen die vaste structuren had ik vrijheid genoeg om van mijn nieuwe leven te genieten. Soms overtrad ik de regels en kreeg ik straf. Ik weet nog dat ik een keer op de gang moest staan. Dat was ik thuis niet gewend. In het huis van mijn opa en oma was een zijdeur naar kantoor waardoor ik weer kon ontsnappen. Volgens mijn moeder heb ik toen triomfantelijk geroepen: ‘Wat heerlijk dat we hier een zijdeur hebben, hè?’ Mijn opa en oma konden daar de grap wel van inzien.

Dit is een fragment uit het boek: “Hoe de Rahders Drenthe veranderden” van schrijver Kees Opmeer. Het boek is hier te bestellen.

Bij opa en oma Rahder op de Canapé in Nieuw Amsterdam 1963

Bij opa in het veen (Jacobsladder) 1963

Een olijfboom op Teulada ter nagedachtenis aan Sicco Mansholt

Vandaag, 2 oktober 2024, was er in de Gemeente Teulada op Sardinië, een officiële ceremonie ter ere van Sicco Mansholt. De Nederlandse Ambassadeur in Italië, Willem van Ee heeft, heeft samen met de gouverneur van Sardinië, en de burgemeester van Teulada, een plaquette onthult met daarop de naam van Sicco Mansholt en een korte betekenisvolle tekst. Ook is er een olijfboom geplant.

De olijfboom en de plaquette zijn een herinnering aan de brief die Sicco Mansholt in 1971 op deze plek schreef aan Europese Commissie voorzitter Malfatti. Mansholt schreef dat hij tot het inzicht was gekomen dat het radicaal anders moest met de wereld en het landbouwbeleid. Ruim 50 jaar later, is dat inzicht actueler dan ooit.  Het initiatief hiertoe is genomen door Siert de Vos. Ook een kleindochter van Sicco Mansholt was aanwezig bij de ceremonie.

Lees er hier over op een pagina van het Ministerie van Landbouw

Het planten van de Olijfboom

De plaquette

Hendrik Voerman: de eerste stadsboer in Kampen uit de familie Voerman.

Het verhaal van de familie Voerman begint met een schilderij. Hoe kan het ook anders? Tijs Voerman, de broer van mijn opa Jan, noemt het in zijn opgeschreven herinneringen een ‘studietje.’ Hij kreeg het van zijn vader Jan Voerman sr. die het had geschilderd toen hij begin 20 was. Dat moet rond 1880 geweest zijn.

Wat je ziet is een kleine boerderij, gelegen op een verhoging in het landschap onder Kampen in de polder Kamperveen. Kamperveen is een laaggelegen en vruchtbaar gebied aan de rand van de Zuiderzee met boerderijen die op een terp stonden. De bevolking bestond voornamelijk uit streng gelovige boerenfamilies met hun dienstmeiden en knechten.

Het paneeltje van Jan Voerman Sr.

Op deze boerderij heeft de oudst bekende Voerman gewoond. Zijn naam was ook Tijs, geboren rond 1730. Hier liggen mijn wortels.

Tijs kreeg 2 zonen, Peter, de oudste en Reijnder (geboren 1764). Deze Rein Tijssen Voerman, zoals hij werd genoemd, was mijn voorouder van wie Jan Voerman senior en junior rechtstreeks afstammen. Rein liet een grote boerderij bouwen in de onmiddellijke nabijheid van de oude boerderij van zijn vader. Hij trouwde met Aaltje Schraat. Zij was zelf boerendochter en met haar ouders vanuit Duitsland hier terecht gekomen.

Wat we weten is dat Aaltje en haar familie rond 1800 vanuit het Rijnland met een schip naar ons land voeren. Het moet een vreemd gezicht zijn geweest, dat volgeladen schip. Vader, moeder, haar zusje, knechts en dienstmeiden. Alle bezittingen van de familie bevonden zich aan boord; huisraad, werktuigen, paarden, koeien en andere beesten. 

Ze voeren de Rijn af om in de buurt van Doesburg op de IJssel uit te komen. Vandaar gingen ze stroomafwaarts langs oude steden als Zutphen, Deventer en Zwolle om uiteindelijk in Kampen hun bestemming te vinden waar de IJssel uitmondde in de Zuiderzee. Verder konden ze niet.

Hun vertrek was een vlucht. Als welgestelde boer maakte boer Schraat moeilijke tijden mee, nu de Fransen daar onder aanvoering van Napoleon de baas waren. Zijn bezittingen waren niet veilig en hij zag geen toekomst meer in het Rijnland. Wellicht speelde mee dat de Fransen in 1807 een eind maakte aan de Erbuntertänigkeit van de boeren. Het is een vorm van horigheid die stamt uit de Middeleeuwen waarbij kleine boeren economisch en persoonlijk volkomen afhankelijk waren van de grillen van de grootgrondbezitters. Voor de kleine boeren was de maatregel van de Franse bezetters een bevrijding. Voor de rijke boeren zoals de familie Schraat betekende dat een einde aan hun bevoorrechte positie.

In een verre uithoek aan de kust van de Zuiderzee wilde hij een nieuw bestaan opbouwen. Op het Kampereiland kocht hij een hofstede. Waarschijnlijk hoopte hij hier minder last van de Fransen te hebben die weliswaar ons land in 1795 waren binnengevallen, maar toen nog minder zwaar hun stempel op het dagelijks leven drukten.

Rein kreeg verkering met de levenslustige Aaltje. Ze trouwden en kregen twee kinderen, een dochter Hendrikje en een zoon Hendrik die in 1811 is geboren. Enkele jaren later, in 1819, is Aaltje overleden. Op aandringen van Rein nam het dienstmeisje de zorg voor de kinderen op haar schouders.

Hendrik Voerman groeide op tot een sterke, energieke jongen die meehielp op de boerderij van zijn vader. De mensen in deze streek merkten niet veel van de armoede die vooral in de grote steden was ontstaan. Het leven op het platteland kabbelde voort, maar lang zou het niet duren.

In de nacht van 4 op 5 februari 1825 werd het land rond Kampen geteisterd door een enorme watersnoodramp die begon met een zware noordwesterstorm op 2 februari. Het water in de Noordzee werd opgestuwd en zocht een uitweg naar de Zuiderzee. Dijken, zoals die bij Zwartsluis, braken een paar dagen later door, zodat het water ongehinderd naar binnen kon stromen. Op oude kaarten is te zien hoe het water diep het land binnendrong, zelfs tot hoger gelegen gebieden rond Olst en Wijhe aan toe. Honderden mensen verdronken met hun vee en veel meer mensen raakten dakloos. Een enkele boer wist zijn vee te redden door ze naar de Bovenkerk en Buitenkerk van Kampen te drijven, maar in de buitengebieden was er geen redden meer aan. In Kampen is nog geprobeerd dammen op te werpen voor de stadspoorten, maar het water was niet meer te stuiten. Het duurde niet lang of het water stond zelfs tot aan de daken van de oude huizen.

Op zich was het was niet opzienbarend dat in de winter een aantal keren water vanuit de Zuiderzee het Kampereiland en andere laaggelegen polders binnendrong. De dijken en kaden waren niet hoog genoeg om bij een flinke storm het opgezweepte water van de Zuiderzee te weerstaan. De bewoners van het Kampereiland waren dat gewend. De boerderijen waren niet voor niets op verhogingen, ‘belten’, gebouwd. Dat is ook in deze tijd nog goed in het landschap te zien.

Maar de overstroming van 1825 was van een geheel andere orde. Door deze enorme watersnoodramp werd ook de boerderij van Rein weggeslagen. Hij en de rest van zijn gezin wisten zich ternauwernood te redden door hun toevlucht te zoeken in de hooiberg. Door de verhalen van voorouder Tijs zie ik voor me wat er gebeurde. Hendrik, 13 jaar, was ooggetuige. Hij zou dit zijn leven lang niet vergeten. Ze waren zo hoog mogelijk in de hooiberg geklommen. In het flauwe licht van de maan, als een wolk wegtrok, zag Hendrik het water kolken. Zijn vader Rein had zijn zusje tegen zich aangetrokken. Haar schouders maakten schokbewegingen.

De blik van Hendrik ging naar de boerderij waar het water tegen de ramen aangolfde. Boven het loeien van de storm uit hoorde hij opeens geluiden. Het kwam uit de richting van de stal waarvan de deur door de kracht van het water was weggeslagen. Een paard dat hinnikte, het geloei van koeien, het klagelijk gemekker van de geiten. Beesten in doodsnood. Ze konden geen kant op. Hendrik kon het niet aanhoren. In een opwelling probeerde hij naar beneden te klimmen, maar zijn vader hield hem met een gestrekte arm tegen. Hendrik zou geen kans maken.

Er bewoog iets in het water, vlak voor de stal. Het kwam dichterbij. Nu zag Hendrik de grote angstogen van de merrie die wanhopig in de richting van de hooiberg zwom. Een touw dreef op het water achter haar aan. Ze heeft zich kunnen losrukken, dacht Hendrik. Eindelijk bereikte het dier de hooiberg dat op een verhoging was gebouwd. Het lukte haar uit het water te klauteren.

De andere dieren verdronken. Stel je voor, alles in één nacht weg; boerderij, vee, huisraad. Tijs, broer van mijn opa, geeft in zijn aantekeningen aan dat in zijn vaders jeugd, mijn overgrootvader, alleen de fundering en de waterput  als overblijfselen van de boerderij nog te zien waren. Een nieuwe behuizing is daar nooit meer opgebouwd. Dat gold voor de meeste boerderijen die door het water waren vernietigd. Ze moesten opnieuw beginnen. Hendrik verhuist naar de stad en gaat boeren als stadsboer op de Groenstraat 106. Hij is daarmee de eerste stadsboer uit het geslacht Voerman. Om 1840 koopt hij voor 100 gulden Grootburgerschap van de stad Kampen. In 1875 wordt zijn jongste zoon Jan Voerman geboren, de latere IJsselschilder.

Dit is een fragment uit het boek “Gevangen in een Paradijs” over de kunstschilders, vader en zoon Jan Voerman. Geschreven door Kees Opmeer. Het boek is hier te koop.

Ook in het boek “Vier eeuwen het geslacht Voerman-Boer” van Aalt Landman zijn deze gegevens terug te vinden. Het boek werd 16 september 2024 gepresenteerd en in ontvangst genomen door Sander de Rouwe, burgemeester van Kampen.

Een huwelijk in 1923 verbindt de families Voerman en Mansholt.

Mijn opa Jan Voerman Jr. en mijn oma Hetty Mansholt hadden ieder hun eigen ‘bewogen’ geschiedenis. Jan was als oudste zoon van kunstschilder Jan Voerman Sr. ‘verkozen’ om in zijn vaders voetsporen te treden. Hij kreeg privé lessen in zijn vaders atelier en mocht geen regulier onderwijs volgen. Pas 1912 ging hij naar de Academie der Kunsten in Amsterdam, waar hij voor het eerst op eigen benen kon staan. Hetty kwam uit het boerengeslacht Mansholt en verloor haar vader al toen ze 12 jaar was. Dit bracht het gezin in grote problemen mede omdat moeder Grietje veel depressies had. . Hetty voelde zich verlaten en was vaak somber. Ze vond maar moeilijk een eigen weg.  

In het boek “Gevangen in een paradijs” gebaseerd op het familiearchief en geschreven door Kees Opmeer staat het volgende fragment over hun huwelijk.

Hetty en Jan ontmoeten elkaar en waren verliefd en lang verloofd. Ze durfden de stap naar een verbintenis niet te maken.

Op 20 april 1923 was Hetty jarig. Jan feliciteerde haar in een brief vol woorden van liefde.

…Ik kom je niets beters wensen dan om rust te hebben en te wachten en heel veel schoons te zien waar het zich geeft om te zien. O, dat ik jou heb…

Ging het wel goed met Hetty? In de woorden zit ook zorg opgesloten. Haar antwoord zei genoeg.

…Ik verlang naar je stille troost en rust. ’t Briefje van Joost (Hudig). Dat greep me zo aan. Dat troosteloze verloren zijn en zich niet terug te vinden. Dan blijft er niet anders over dan de Dood. De ‘Dood lief te hebben’ zoals Rilke predikt. Dan sta je zo absoluut voor de dood, dat je zacht glimlachend kunt genieten van het Leven…

Het zijn woorden waar ik van schrok. Voor het eerst werd me duidelijk hoe diep mijn oma in de put zat. Zelf schreef ze er openhartig over. …Mijn terugkerende depressies leerden me om te staan op de diepe grondtoon van het leven, van dood en armoede, waaruit mysterieus het Leven opbloeit…

Jan probeerde haar op te beuren met zijn verhalen. Met hem ging het beter. Hij was productief, verkocht regelmatig schilderijen, kalenders en litho’s en kreeg opdrachten. Hij schreef er enthousiast over in zijn  brieven.

Het was niet genoeg voor Hetty. Wie kon haar goede raad bieden? Op 9 mei 1923 ontving Jan een briefkaart van zijn verloofde waarin ze opgewonden schreef over een gesprek dat ze met professor Révèz had gehad, iemand van Duitse afkomst die ze via haar familie kende. Het betekende een ommekeer. Deze professor had haar onomwonden gevraagd:

…‘Weshalb heiraten Sie sich nicht?’ Hij ging op de man af en dat werkte als een schok, want alle andere mensen ontweken deze vraag uit fijngevoeligheid. ‘Wenn ein Mann nach seinem 30en Jahre sein Gehalt nicht Verdient, soll er heiraten. De verantwoordelijkheid maakt hem vindingrijk en sterker. Dan zal hij vanzelf de juiste uitvindingen doen, die maken dat hij zich ontplooit en de kost verdient. Ook verdient een man getrouwd, meer als ongetrouwd’…

Het was precies wat Hetty nodig had. De woorden gingen erin als zoete  koek. Volgens Hetty was de professor een man die uit een vreemd land was gekomen, zelf grote moeite had om vaste grond onder de voeten te krijgen, tussen al die vriendelijke maar gereserveerde Hollanders. Hij wist waar hij het over had.

Jan was opgelucht. Eindelijk meer duidelijkheid over hun toekomst. Ze werden gesterkt door de reacties van anderen die allang hadden gedacht dat het tijd was voor een huwelijk. Jan en Hetty begonnen plannen te maken.

Ze besloten na hun huwelijk in Amsterdam te gaan wonen. Het duurde niet lang of ze vonden een étage bij een bevriende familie. Het was vooral Hetty die zich daarvoor had ingezet. Ze maakte zich druk over hun financiële situatie. Jan verdiende best aardig, maar of het voldoende was? Ze werkte inmiddels zelf in een laboratorium in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam, maar dat was ook geen vetpot. Haar familie waarschuwde haar voor dreigende armoede. Ik moet weer denken aan de bezwaren die Ericus Verkade had tegen het huwelijk van zijn dochter met de arme schilder Voerman sr. Hetty had nog recht op een erfenis van haar grootvader. Deze zou een deel van haar zorgen kunnen wegnemen, maar tot haar schrik ging daar een derde aan successierechten vanaf. Ondanks zijn opdrachten was ook Jan niet vrij van zorgen. Ik las het terug in één van zijn brieven.

…Mijn hand beeft een beetje, omdat ik zojuist stenen geslepen heb. Ons trouwen zal niet zijn een uiteindelijk uitbarsten in feestvreugde. Vind me niet laks, ik kan niet tegelijk werken en huizen zoeken. Ik verstook ongeveer 10 H.L goede anthraciet per winter…

Groot was de blijdschap toen Hetty de huissleutel kreeg. Jan besloot alvast te verhuizen naar de Valeriusstraat 161.

Zijn laatste brief uit Vogelenzang:

…Je lieve brief wees me weer de weg naar de veilige ruimte, die in ieder mens is waar je je kunt terugtrekken.

We zullen veel doen en verder komen als we maar eenmaal bij elkaar mogen blijven. In ieder geval wordt het geen droom of liever: we zullen leren op de juiste wijze te droomen. Wat we krijgen wordt echt!!…

De zomer ging voorbij. Op Koninginnedag, 31 augustus 1923, de laatste dag van de vakantie in Hattem, gingen Jan en Hetty in ondertrouw. Ze trouwden op 6 oktober in Hattem. Twee gemankeerde  mensen die steun en begrip vonden bij elkaar.

Volgens Hetty was het wel feestelijk en héél echt. Over haar huwelijk schreef ze met de haar kenmerkende filosofische inslag:

Vrijheid is vrijheid van het verleden

Vrijheid wil niet binden

Ook de geliefde is geen bezit.

Ze verwees naar een gedicht van Boutens met als titel: ‘Bezit is als een bloem zo broos’.

De aanloop naar het huwelijk was een weg vol twijfels en zorgen, maar het bleek een goede keuze te zijn. Het werd een gelukkig huwelijk dat stand hield tot de dood.

Het boek Gevangen in een paradijs is hier te bestellen. Het verhaal van de Familie Mansholt “Uit Zeeklei gebakken” is ook beschreven door Kees Opmeer en is hier te bestellen.

Hetty Mansholt en Jan Voerman Jr.

Het bruidspaar met zittend links Grietje Mansholt-Louwes en zittend rechts Anna Voerman-Verkade. Staand links Jan Voerman Sr.

Skûtsjesilen in 1917 en 2024

Midden in de Eerste Wereldoorlog ging mijn opa Jan Voerman Jr. (1890-1976) op pad om plaatjes te maken voor het Verkadealbum Friesland (dat in 1918 verscheen).

Hij maakte daarbij ook een plaatje van wedstrijdzeilen op het Sneekermeer. Anno 2024 is dat nog steeds te zien: Skûtsjesilen in Woudsend.

Wedstrijdzeilen op het Sneekermeer in 1917 Jan Voerman Jr.

Vader Derk (1842-1921) en oudste zoon Ubbo Mansholt (1869-1911) zijn vernieuwers in de landbouw

In mijn Mansholt-familiearchief zitten veel tastbare herinneringen aan de activiteiten van vader en zoon Mansholt (mijn overgrootvader en over-overgrootvader) oorkondes en medailles met inscriptie. Prijzen voor verbetering van zomertarwe, pootaardappelen die beter bestand zijn tegen ziekten, andere bemesting die zorgt voor een hogere opbrengst van gewassen. Derk en Ubbo laten zien dat boeren niet ieder jaar dezelfde gewassen op de akkers moeten inzaaien; iets wat tegenwoordig vanzelfsprekend is. Uitgekiende bemesting en afwisseling op de landbouwgronden met vlinderbloemigen, planten die peulen voortbrengen en de bodem verbeteren met voedingsstoffen, dragen bij aan rijke oogsten. Derk en Ubbo, maar ook Derks broer Jochum, zijn vernieuwers die veel voor de landbouw hebben betekend, maar zelf profiteert Derk er minder van. Als dwarsligger jaagt hij veel herenboeren op het Groninger land tegen zich in het harnas. Het maakt het voor hem moeilijk zijn producten op de markt te brengen. Later, als de aversie geleidelijk is afgenomen, verdient hij meer respect.

Basis van de welvaart

Aan het eind van de negentiende eeuw richt Derk een tijdschrift op, met de eenvoudige en krachtige titel: De Grond (centraal orgaan voor de agrarische belangen in Nederland). In dit veelgelezen blad dat elke maand verschijnt, kan hij ervaringen en ideeën kwijt die steeds meer weerklank vinden.

Het is een periode waarin de prijzen voor graan en andere agrarische producten een dramatische daling laten zien. Derk vindt dat landbouwprijzen beschermd moeten worden om te voorkomen dat de boeren en hun arbeiders tot armoede vervallen. Geen vrijhandel zoals in liberale kringen wordt bepleit.

Hij had zich al eerder sterk gemaakt voor vaste prijzen voor landbouwproducten, zoals voor graan, om de boeren een redelijk  inkomen te kunnen garanderen en de voedselproductie te stimuleren.

Hij schreef:

…Het broodkoren neemt onder alle handelsartikelen de eerste plaats in en kan door geen enkel ander artikel worden vervangen. Gebrek aan broodkoren staat gelijk aan hongersnood… En ook: …De landbouw heeft niet zozeer belang bij hoge dan wel bij constante graanprijzen…

Toen wist Derk nog niet hoezeer zijn opvattingen invloed zouden krijgen op het gedachtengoed van zijn kleinzoon Sicco die daarmee de basis legde voor een Europees landbouwbeleid.

Het is de stellige overtuiging van Derk dat de boerenstand de basis vormt van de welvaart in Nederland. Geen vreemde gedachte als je bedenkt dat ongeveer de helft van de mensen in die tijd nog werk vindt in de agrarische sector. Maar Derk ziet ook dat er een kentering plaatsvindt. Steeds meer landarbeiders keren het platteland de rug toe. Ze vinden een beter betaalde baan in de fabrieken in de grote steden. Ook in Nederland rukt de industriële revolutie op.

In de voetsporen van Derk

Een nieuwe generatie Mansholt treedt in de voetsporen van vader Derk. Jammer genoeg zal hij niet meemaken dat zijn kleinzoon Sicco, kind van zijn zoon Bert, ooit de beroemdste boer van Nederland zal worden.

In 1906 verhuizen Aaltje en opa Derk, zoals hij nu in de familie wordt genoemd, naar de stad Groningen. Beiden zijn inmiddels in de zestig. Ze willen het rustiger aan gaan doen. Met een gerust hart kan hij Torum aan zijn zoon Bert overlaten. Ze gaan in de buurt van het nieuwe Noorderstation wonen, zodat ze snel met de trein terug kunnen naar de polder en hun geliefde Torum als ze het boerenland weer willen ruiken en het graan willen zien wuiven.

Derk is vereerd, maar ook verrast als hij in 1920 een koninklijke onderscheiding ontvangt. Hij wordt benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In het conservatieve Nederland van die tijd gebeurde het niet vaak dat personen met linkse opvattingen een koninklijke onderscheiding ontvingen. Het zegt genoeg over zijn verdiensten voor de samenleving.

Een jaar later, op één augustus 1921 overlijdt hij in Groningen. Hij is dan 79 jaar. Ubbo’s oudste dochter en mijn oma Hetty Mansholt schrijft erover:

…Dat opa Derk in alles domineerde vond Oma Aaltje best, dat hoorde zo. Haar jongste dochter Theda was eerst hulp in de huishouding (op Torum) en later haar plaatsvervanger. Ik herinner me nog een logeerpartij waar ik direct ziek werd en het waren Tante Theda en oom Bert die meehielpen en me verpleegden, niet Oma. Oom Bert was toen nog thuis en niet getrouwd. Hij was knap en heel vriendelijk, vonden wij kinderen. Familie is als een boom, stamboom, en alle leden zijn als takken, elk op eigen wijze gegroeid en aan elkaar aangepast en toch samen één geheel vormend…

Dit is een fragment uit het boek “Uit Zeeklei gebakken” van Kees Opmeer. Het boek bevat verhalen en beelden uit het Mansholt familiearchief en is hier te koop. Op de Borg Verhildersum in Leens is een kleine tentoonstelling te zien over de familie Mansholt. Het boek is daar ook te koop.

Ubbo Mansholt met zijn dochter Hetty

Derk Roelfs Mansholt

Wandelen in Amsterdam in 1912

Mijn oma, beschrijft het leven van haar man, de kunstschilder Jan Voerman Jr. in zijn studietijd aan de Akademie der Kunsten in Amsterdam in de jaren 1912-1914.

Als hij schildermateriaal moest kopen, b.v. kwasten en doek, dan liep Jan van de Marnixstraat, waar hij met Tijs woonde, naar de Rozengracht, waar van der Linde zijn zaak had. Zijn vader had in zijn laatste studiejaar daar gewoond, boven een oud bedrijf van zilversmeden. Jozef Israëls had eens in dit zelfde atelier gewerkt; Van der Linde was dus toen al een oude relatie en is ook altijd Jan’s leverancier gebleven. Van de Rozengracht nam hij de Raadhuisstraat met de winkelgalerij waar het “Binnenhuis ” altijd alle kunstnijverheid tentoonstelde.

Vanuit de Raadhuisstraat liep hij vanzelf langs het Paleis op de Dam. Even verder lopen en stilstaan. Langs het Damrak kan je het Centraal station zien. Op een zachte nevelige herfstdag met lage zon, lag het C.S. heel in de verte. niet massief en toch sterk aanwezig, in volle breedte het Damrak afsluitend. Voor ons is het niet meer voor te stellen hoe weinig verkeer er was. Mensen wandelden graag door de stad, om een eindje “om te stappen ” zoals ook Jan deed. Er reden lawaaiige sleperskarren en fijne koetsjes en een enkele kleine paardentram. Het verkeer dat in die tijd nog niet strak rechts moest houden, maakte dat iedereen, door elkaar heen, de weg moest zoeken. Het was rommelig en levendig. Het was wel jammer, dat het open havenfront verdwenen was met de bouw van het Centraal Station in 1881, en dat je geen schepen, masten en hoge stoompijpen in de verte zag, die je lokten om er te gaan kijken. Des te meer omdat ook het einde van het Damrak, van de Amstel onzichtbaar was geworden door de tot stand komen van het nieuwe Beursgebouw, gebouwd met zware blok baksteen, ontworpen door Berlage.

Jan liep altijd de Kalverstraat in om bij kunsthandelaar “Buffa” te te kijken en dan liep hij door de steeg naar het Rokin. Daar lagen meer kunst en antiekzaken en boekwinkels naast elkaar: Wisseling, Scheltema, Holkema, Eijsselöffel, later Benneker. Hoe vaak liep Jan niet even binnen bij Scheltema om een nieuwe uitgave van de kalender van Theo van Hoytema te bekijken. Als er iets nieuws van Wenckenbach lag, was zijn dag goed. Hij zou nooit vergeten, hoeveel híj aan het werk van Wenkenbach te danken had voor zijn eigen werken aan de Verkade albums. “In dat opzicht heb ik meer geleerd van Wenckenbach dan van mijn vader”.

Lees hier meer over de studietijd van Jan Voerman Jr. in Amsterdam

Jan Voerman in Amsterdam circa 1912 (midden-links met pet)

Amsterdam 1912: Zicht op het Damrak met de Beurs van Berlage (rechts met toren) en helemaal achteraan het Centraal Station

Logo kunsthandel Frans Buffa en zonen uit de Kalverstraat