Johannes Koning op de 10 daagse veldtocht

Mijn verre voorouder Johannes Sixtus Koning (1809-188) ging al op zijn zestiende vanuit zijn ouderlijk huis in de Borg van Wedde studeren in de stad Groningen. Via een oom uit de Eckringa, een predikant in Sleen, had hij Grieks en Latijn kunnen leren. Het was voor de dominee en zijn gezin een mooie bijverdienste. In die tijd was het bestaan als predikant een karig bestaan. De dominee moest het net als de onderwijzer vaak doen met een vergoeding in eten en maaltijden. Johannes liep dan met een vriend door de uitgestrekte zandverstuivingen door Drenthe. Eenmaal midden op het Ellertsveld werden de jongens overvallen door een, naar later bleek, ontsnapte dief met een lang mes. Hij stond ineens voor hun neus want hij had zich ingegraven in een kuil in het zand.

In 1830 neemt Johannes Koning met de Groningse studenten deel aan de 10 daagse veldtocht naar België dat zich dan net onafhankelijk heeft verklaard. De Verenigde Nederlanden waren het levenswerk van koning Willem I, en hij kon de onafhankelijkheid van de Belgen niet verkroppen. Duizenden jongemannen pakken de wapens op. Ze gaan op een veldtocht naar België en strijden er 10 dagen. Johannes vertrekt in grenadiers uniform met daarop het wapen van “Vindicat atque Polit”. Ze dienden in de regimenten Flankeurs onder leiding van Abraham Rutgers van der Loeff. Na hun toch die al met al tot in 1831 duurde krijgen ze van Koning Willem I het Metalen Kruis Vrijwilligers 1830-1831. Deze tocht was voor Johannes het mooiste deel van zijn leven. Nog jarenlang vertrok hij om de vijf jaar uit Wedde naar de Flankeurreünies met zijn oude wapenbroeders. In Groningen zijn nog steeds het Vaandel en een erebeker te zien.

 


 

De burcht in Wedde

Onlangs zag ik deze prachtige foto’s van de burcht in Wedde rond 1905 gemaakt door Tonnis Post (1877-1930). Post is de fotograaf uit Winschoten die samen met huisarts Middendorp een indrukwekkende serie heeft gemaakt over de armoede in Westerwolde.

In deze periode woonden de familie Koning (voorouders van mijn over grootmoeder Eduarda Thalia Verkade – Koning) nog op de burcht. Mijn opa Jan Voerman Jr. is er nog op bezoek geweest en heeft het tekenboek van zijn oud tante Thalia Koning gebruikt als inspiratie voor het maken van de Verkade plaatjes.

De J.C. Rahderschool in Tiendeveen

In 1850 komt Johan Coenraad (Coen) Rahder met zijn gezin naar Drenthe. Hij is wijnkoper maar begint aan een nieuw avontuur om turf te gaan graven in de Veengebieden ten oosten van Hoogeveen. De nieuwe plek voor de directeurswoning is mede uitgezocht door Coen’s echtgenote Wilhelmina Petronella Cornelia van Voorthuijsen (Mien). Ze heeft twee eisen waaraan de plek moet voldoen. Een goede dokter in de nabijheid en een onderwijzer voor de kinderen. Ze doet dat niet zonder reden. Voor de verhuizing hebben Coen en Mien in korte tijd twee kinderen verloren bij of kort na de geboorte. In Zuid-Drenthe zijn nog maar weinig artsen en de apothekers zijn lang niet allemaal goed geschoold. Zowel in 1853 als in 1866 zijn er cholera epidemieën mede vanwege de slechte hygiëne. Een ziekenhuis is er niet in Hoogeveen. Coen Rahder zal zich daar als lid van de gemeenteraad nog hard voor maken. De tweede wens vult Rahder zelf in. Om zijn kinderen maar ook de kinderen van de arbeiders, die dan nog regelmatig ook in het veen werken, betere kansen te bieden dan hun ouders “sticht hij in 1860 een schooltje en onderwijzerswoning in Tiendeveen op voor de gemeente Beilen zeer gunstige voorwaarden”, zoals Mr. C.L. Kniphorst het beschrijft in het eerste standaardwerk over de Verveeningen in Drenthe uit 1872. Het schooltje zal uiteindelijk in 1972 de ‘J.C. Rahderschool’ gaan heten. Inmiddels staat er in Tiendeveen een prachtig nieuw schoolgebouw “OBS Tiendeveen” maar nog steeds wordt J.C. Rahder geëerd in de schoolgids.

F27b-School-Tiendeveen-circa-1870

De Prins van Kattenburg

Willemina Petronella Cornelia (1813 – 1887) is mijn naamgeefster. Ze trouwde met J.C. Rahder die vanuit Amsterdam waar hij partner was in de wijnhandel de Weduwe Rahder en zoon, naar Drenthe verhuisde om daar vervener te worden. Willemina (Mien) is de dochter van een zakenrelatie van de Rahders, Jan Evertsz. Van Voorthuijsen, reder en houthandelaar op Kattenburg. Hij wordt ook wel ‘de prins van Kattenburg’ genoemd. Hij was een machtig en vermogend man wiens schepen van Kattenburg over het Pampus en het Marsdiep de wereldzeeën bevoeren. Er zijn nog steeds lakens van damast in de familie waarin het wapen van de Van Voorthuijsens is geborduurd. Kattenburg is een eiland aan de oostkant van Amsterdam dat in de eerste helft van de zeventiende eeuw in het IJ gedempt is. Het is in die tijd het domein van de Admiraliteit van Amsterdam, een orgaan dat zorgt voor de bescherming op zee van de koopvaardijvloot. Daarnaast zij er vele scheepswerven en de meeste arbeiders wonen ook op Kattenburg en worden ‘de Bijltjes’ genoemd, naar hun gereedschap. De bijltjes vormen een geheel eigen gemeenschap, zijn eigenzinnig en uitermate Oranjegezind. Ze roeren zich vaak en komen geregeld in opstand tegen de rest van Amsterdam. Het woord bijltjesdag vind daar zijn oorsprong.

Wilhelmina’s moeder is Jonkvrouwe Maria Anna de Villeneuve uit Leerdam. De familie is van adel en komt oorspronkelijk uit Frankrijk. Voorouders waren edelieden met hun eigen familiewapens zoals Jean de Villeneuve uit Masnosque (1642, Frankrijk) en Raymond Gaufried de Castelane (1266-1304) In die tijd bekende edelieden. Moeder Maria overlijdt in 1818 Mien is dan pas 5 jaar oud. Vader Jan hertrouwd en krijgt nog 5 kinderen.

Magne Pete

Jentje Rahder voelt zich, zoals haar ouders hadden verwacht, thuis in het studentenleven van Groningen. Ze is vol energie en vrolijk. Al bij de introductiedagen is ze lid geworden van de Vrouwelijke Studentenvereniging Magne Pete en de VCSB. In de jaaralmanak van Magne Pete over het studiejaar 1949-50 duikt haar naam voor het eerst op. Ze is lid van de literaire faculteitsvereniging. Ook Ubbo Voerman staat genoemd als ab actis van het bestuur van de VCSB. Een jaar later is Ubbo praeses en Jenneke lid. Jenneke is dan ook lid van de VCJC en, tot vreugde van vader en tuinliefhebber Jaap. lid van de Tuicommissie.

Met de VCSB vergaderen ze overal, ook in Jenneke’s huis ‘de Tippe’ in Nieuw Amsterdam. Jenneke’s hartsvriendin Truus van Zanten is lid van de Academische Lichamelijke Opvoedings Commissie.
Vanaf 1952 is Jenneke lid van het bestuur ook als ab actis. Ze staat als een nette jonge vrouw op de foto in het jaarboek. Van dag tot dag is in de jaaralmanak beschreven wat de bestuursleden doen. Aanzitten op een diner ter ere van Hare Majesteit de Koningin in de Statenzaal van het Provinciehuis. Aanwezig bij de overdracht van de oude naar de nieuwe rector Magnificus. Inzamelingsactie organiseren voor de slachtoffers van de watersnoodramp in Zeeland. In een landauer rijden naar feestjes in de stad. Verhuizen naar een nieuw clubgebouw. Te paard met het vaandel van Magne Pete door de straten van de stad. Met de Eettafelcommissie zorgen voor goede studenten maaltijden in de Mensa. Er zijn vele foto’s en kaartjes van diners en lunches. Op foto’s is te zien dat Jenneke straalt. En tussen alle activiteiten door haalt ze in 1953 ook nog haar kandidaats Geschiedenis.

De Kracht van goed onderwijs

Eindelijk is er tijd op met mijn familieverhaal te gaan schrijven. Ik ben vele dagen naar het archief geweest, gezocht op internet, boeken gelezen en ik heb mijn eigen archief uitgepluisd en geordend. Op zoek naar de laatste puzzelstukjes. En zodra ik begin met schrijven zie ik iets dat mijn voorouders verbindt. De kracht van goed onderwijs. Het begint al met over-over grootmoeder Hilje Hopma die in 1814 van haar moeder de kans krijgt om in de Franse tijd wat langer naar school te gaan. Ze leert Frans en een nieuwe wereld gaat voor open. Ze is een van de eerste boerenvrouwen die een eigen boekenplank heeft in huis. Haar dochter Henriette krijgt dezelfde kans op onderwijs, zoals veel andere meisjes en vrouwen in de Marne en het Oldambt. Herenboeren en boerinnen lezen veel en er zijn volop boeken en leesclubjes waar men de literatuur bespreekt. De welvaart van de boeren in die tijd is daar een direct gevolg van.

Dan Derk Mansholt die rond 1850 in het gehucht Ditzummerhammrich op een klein schooltje met 80 kinderen in één klaslokaal lessen natuur- en scheikunde krijgt van een inspirerende leraar die later professor zal worden aan de Universiteit van Hannover. Het is de basis voor zijn werk om landbouwproducten te verbeteren. Hij stuurt zijn zonen later naar de eerste Landbouwuniversiteit in Nederland. De familie zal Statenleden en ministers afleveren tot in het Europese parlement. Zijn dochter Theda is de grondlegger voor het huishoudonderwijs voor meisjes.

Dan Jan Voerman Sr. die in Kampen wordt begeesterd door zijn tekenleraar Belmer die zijn talent herkent en stimuleert. Een boerenzoon wordt kunstschilder. En Edu Koning die tijdens de lange winters in de afgelegen Borch te Wedde privéles krijgt van haar vader en notaris Johannes Koning. Ze mag als ze ouder is reizen maken naar Duitsland waar ze haar talen leert. Haar dochter Anna Verkade start een eigen schooltje in Hattem waar ze kinderen met leerproblemen helpt. Ook geeft ze vrouwen les in hygiëne en opvoeden. Het kindersterftecijfer in Hattem is in die periode veel lager dan de omgeving. Samen met dochter Edu verdiept ze zich in de lessen van Maria Montessori.
De familie Verkade die voor kinderopvang zorgt in haar fabrieken aan de Zaan. Kinderen van werknemers krijgen daar ook lessen in van alles zodat ze goed voorbereid zijn als ze naar school gaan.

Een andere voorvader, Jan Coenraad Rahder, sticht als vervener in Drenthe halverwege de 19e eeuw een schooltje in Tiendeveen waar de kinderen van zijn arbeiders naar toe kunnen. Het schooltje droeg lang zijn naam, de J/.C. Rahder school. Overgrootvader Hendrik Uiterwijk pleit in het begin van de 19e eeuw als gemeenteraadslid in Hoogeveen voor betere salarissen voor de onderwijzers. Zijn dochter, en mijn oma, Femmy Rahder – Uiterwijk wordt zelf ook onderwijzeres. Mijn andere Oma Hetty Voerman – Mansholt is jarenlang bestuurslid van het landelijk Montessori onderwijs.

En dan natuurlijk mijn moeder Jenny die veel generaties inspireert met haar lessen geschiedenis en maatschappijleer. Ook haar kinderen worden ermee besmet ook al zijn de verhalen over Jane d’Arc en de vele kastelen en kerken, iedere keer als we op vakantie zijn in Frankrijk, soms te veel van het goede. Mijn vader Ubbo die als kinderrevalidatie arts op Lyndensteijn een school startte om de kinderen die er langdurig opgenomen werden toch een goede opleiding te bieden.

Ik doe ook mee, als is het bescheiden en aan het einde van mijn loopbaan. Vanuit de Drentse regiegroep Onderwijskwaliteit, met beleidsmakers en bestuurders van gemeenten en onderwijsbestuurders, met als instrument de Onderwijsmonitor, zien we iets vreemds: de Drentse jeugd doet het goed bij de eindtoetsen in het basisonderwijs. Maar dan kiezen ze vaker dan elders voor een schoolloopbaan onder hun niveau. Het zijn zowel ouders als leraren die te voorzichtig keuzes maken. Zo missen deze kinderen kansen. Dat kan beter. Juist kinderen in Zuid en Oost Drenthe, waar al jarenlang veel armoede en werkeloosheid is, verdienen kinderen het beste onderwijs. Na mijn jarenlange werk in de jeugdzorg ben ik ervan overtuigd dat goed onderwijs aan de basis staat voor een gelukkig en zinvol leven. Met goed onderwijs vinden kinderen gemakkelijker werk dat bij hen past. Met goed onderwijs is er minder (jeugd-) zorg nodig. De Regiegroep maakt daar een plan voor. Meer aandacht voor het kind en de ouders. Een goede verbinding met welzijn en zorg. Betere faciliteiten in de klas. Goede overgangen van voorschool naar het basisonderwijs en daarna weer van basisschool naar het voorgezet onderwijs. Een positieve sfeer op school. Werken met methodes die kinderen aantoonbaar verder helpen zoals de Weekend school. Er gebeuren al heel veel mooie dingen in het onderwijs, laten we die meer aan elkaar zien. Het plan zal slagen.

Vechten tegen het water in de Marne

Eeuwenlang leefden de bewoners rondom het verdronken land van de Lauwerszee op verhogingen in het landschap: ‘wierden’ en ‘kwelderruggen’. Een van deze kwelderruggen strekte zich uit van de wierden van Wehe, Leens, Ulrum, Elens en Menneweer tot Vierhuizen. Vanaf ongeveer het jaar 1000 werden de eerste bescheiden dijken aangelegd om de woonplaatsen en landbouwgebieden te beschermen tegen overstromingen. Hierna ging men verder met het indijken van opgeslibde gebieden langs de noordkust van Groningen, rondom de Lauwerszee en aan weerszijden van het Reitdiep. Aan het eind van de dertiende eeuw had de Lauwerszee haar grootste omvang.

Op het Marne-eiland lagen de wierden Lydense (Leens), Werfhusen (Warfhuizen), Oldrum (Ulrum), Hoorhusen (Hornhuizen), Oldenclooster (Kloosterburen), Wherahusen, (Wierhuizen), Weij (Wehe), Sutherdicke (Zuurdijk) en Fledorp (Vliedorp). Door de eeuwen heen is deze zeewering steeds verder naar het noorden komen te liggen en werden steeds nieuwe gebieden ingepolderd.

Uit het gemeenschappelijk belang in de strijd tegen het water ontstonden waterschappen, de zogeheten ‘zijlvesten’. Ondanks al deze inspanningen bleven overstromingen het land teisteren. Zo kwamen bij de Sint Luciavloed in 1287 vele mensen om.

Vanaf 1850 nam de welvaart in het Marne gebied toe. Vanwege de Krimoorlog gingen de graanprijzen enorm omhoog. Het waren goede jaren voor de grote boeren. Er kwam geld binnen, de boeren en ook hun echtgenoten kregen meer vrije tijd om te lezen en zich verder te ontwikkelen. Er was optimisme en levenslust. De Marne was in deze periode de rijkste gemeente in de Nederlanden. Landbouw was de bron van welvaart. Mijn overgrootouders uit de families Dijkhuis en Zijlma profiteerden volop. Binnen de boerenhuizen kwam er meer behoefte aan privacy. Voor inwonende knechten werden huisjes gebouwd. De oude gewoonte dat gasten overdag maar ook nachts vrijelijk de boerenhuizen in konden lopen om iets te eten of te overnachten werd langzamerhand afgeschaft. Er kwamen sloten op de deuren.

Er was ook behoefte aan geboortebeperking omdat er minder kinderen nodig waren in het boerenbedrijf en er minder kinderen stierven. De Groningse boer houdt zijn vrouw ‘in ere’ door haar niet jaarlijks een kind te geven, werd een bekend gebruik. De verburgerlijking bij de boerenfamilies zorgde zelfs voor meer preutsheid. Dat kwam vooral omdat veel boerendochters na school nog de kostschool bezochten of gingen ‘jufferen’ in de grote stad. Ze leerden daar nieuwe gebruiken en omgangsvormen. Ze gingen zich beter kleden en de aandacht voor hygiëne nam toe.

Ook de nieuwe grondwet van Thorbecke droeg bij aan het groende zelfbewustzijn van de boerenstand. Steeds meer boeren zoals Willem Lammert Dijkhuis en Jan Zijlma gingen de politiek in en werden kamerlid, statenlid en zelfs gedeputeerde des Konings. Kort na 1875 waren er in Groningen 19 statenleden die boer waren.

 kaart suurdijk ewer vierhuysen

Een huwelijk

Het gezin Uiterwijk kreeg het moeilijk in die jaren na het onverwacht overlijden van kapper en socialistisch gemeenteraadslid Hendrik Uiterwijk. Hij stierf op 44e jarige leeftijd in januari 1922. Dochter Margreet (mijn oud tante Gré) kon verpleging studeren in het verre Groningen. Haar uitzet met verpleegsters uniformeren werd door moeder Elisabeth Uiterwijk-Haarsma en zus Femmy zelf genaaid.

In 1939 stierf ook zoon Hendrik Jr. op zijn 18e jaar aan een blindedarm ontsteking. In december van dat jaar stierf weduwe Elisabeth Haarsma op 59 jarige leeftijd. Het overlijdensbericht komt van de gemeente Groenigen en is ingeschreven in Hoogeveen. Werd ze in Groningen verpleegd door haar dochter Gré?

In 1928 waren het gelukkiger tijden. Oudste dochter Femmy trouwde met vervenerszoon Jacob Rahder. Jacobs moeder, Jentje Rahder-Thomas, waarschuwde haar zoon voor deze relatie omdat ze bang was dat Jacob de zorg voor het gehele gezin Uiterwijk op zijn schouders zou krijgen. Uiteindelijk overwon de liefde. De huwelijksacte is getekend door de beide moeders want ook Jacobs vader Jan Rahder, was al vroeg overleden. De twee zusters tekenden de acte ook. Tante Gré en W.P.C. Rahder, ofwel tante Mien.

Ik heb nog de tekst van een bruiloftslied voor Fem en Jaap ter ere van hun 12 ½ jarig huwelijk, waar iets in staat over hun samenkomst:

“Geen mensch kon hun samenzijn verhinderen,

ook al sloeg ze je bont en blauw.”

De relatie kreeg gestalte tijdens hun treinreizen van Hoogeveen naar Meppel waar ze beiden naar school gingen.

“Toen zijn vele jaren vergleden,

Het leven dreef hen soms uiteen.

Maar 12 ½ jaar geleden

Was het bruiloft in Hoogeveen”.

Ze kregen daarna 3 mooie dochters. Mijn moeder Jentje, de oudste en daarna Elisabeth (Liesje) en Margaretha (Mieneke). Jaap wilde nog wel verder voor een zoon begrijp ik uit het lied. Maar Fem vond het wel genoeg zo.

HuwelijksacteJacobRahderFemmieUiterwijk
Huwelijksacte van Fem Uiterwijk en Jaap Rahder 1928

Zomers in de Westpolder

Hetty Mansholt maakte elke zomer de reis van de stad Groningen naar de Westpolder aan de Lauwerszeedijk waar haar familie woonde. Toen Hetty jong was maakte ze de reis met haar ouders en kleine zus Ada. Hetty’s vader Ubbo had kort na zijn aanstelling als Rijkslandbouwleraar in de provincie Groningen een woning laten bouwen in jugendstil stijl. Het Zuiderpark was de eerste wijk buiten de oude stadsmuren waar welgestelden een huis lieten bouwen. In de stad was het vol. Het stadsbestuur was bijna klaar met het afbreken van de wallen en de poorten die de stad lang hadden beschermd. Deze ontmanteling van de ‘vesting van Groningen’ was vanaf 1876 ingezet. De nieuwe bewoners van het Zuiderpark woonden er vlak naast de gammele huisjes van de mensen die al langer buiten de wallen woonden omdat het in de stad te duur was. De nieuwe villawijk werd mede gebouwd om de stad in het zuiden een meer representatieve entree te geven. Ubbo en Grietje Mansholt woonden met hun twee dochters naast bekende Groningers, hoogleraren, graanhandelaren, fabrikanten, burgemeesters en adellijke families.

HettieAdaTorum
Hetty (2e van links) met neef en nichtjes in de Westpolder

De andere leden van de familie Mansholt, opa, oma, ooms en tantes, neven en nichten, woonden bijna allemaal in grote boerderijen ten noordwesten van de stad. Opa Derk Mansholt was als jonge jongen met zijn ouders vanuit het Eemsgebied in Duitsland naar Groningen verhuist omdat het daar beter boeren was. De Mansholten waren kundige akkerbouwers en legden zich toe op het verbouwen, telen en veredelen van gewassen, vooral graan. De gewassen konden daardoor beter tegen de weersomstandigheden en de oogsten konden worden vergroot. Sinds 1850 bloeide de graanhandel vanuit Groningen met het Oosten volop. De stad werd rijk en ook de ommelanden en de boeren profiteerden. Midden 19e eeuw woonden de rijkste boeren in Noord Groningen. De Marne was zelfs die periode de rijkste gemeente van Nederland. Omstreeks 1880 was de ‘Groninger boer’ een begrip geworden: een grote akkerbouwer met een bedrijf van ten minste veertig tot vijftig hectare. Ook de familie Mansholt had goed geboerd.

Mansholt1900HuisZuiderpark
Het Jugendstil huis in het Zuiderpark, Groningen

Niet lang nadat het huis klaar was kreeg Ubbo Mansholt, een sterke jonge man aan het begin van een veelbelovende carrière een mysterieuze ziekte. Een gezwel in zijn hoofd zorgde voor zware hoofdpijnen en later verlamde armen. Het was thuis niet meer gezellig. Moeder Grietje stuurde haar oudste dochter nu alleen naar de Westpolder. Het station was vlakbij huis. Daarna ging Hetty per trein naar Winsum. Het was een grote sprong voor een jong meisje om op het perron te komen. De paardentaxi naar Ulrum stond al klaar. Hetty betaalde het kaartje met geld uit haar kleine beurs. In Ulrum werd ze opgehaald door oom Bert die nog bij opa en oma inwonende en de boerderij had overgenomen. Ook tante Theda woonde nog thuis op de boerderij Torum en hielp in de huishouding.

Torumzomer
Interieur van Torum

Door de grote moestuin met kruisbessen, rode bessen, appels en blauwe pruimen liep ze naar het huis. Door de opvallend brede gang naar de huiskamer. Opa zat er aan het bureau te schrijven en had allemaal boeken en papier om zich heen verzameld. Oma Aaltje was druk bezig met het bereiden van de maaltijd. Na het eten verdween opa in zijn slaapkamer met hemelbed en groende gordijnen. Het was er altijd schemerachtig ondanks het feit dat er glazen deuren waren die uitkwamen op het balkon. In de voorkamer mochten de kinderen alleen komen als er bezoek kwam. Daar stonden alle deftige spullen. De klok met Adam die de wereld torst, met engelen, de zon en de maan. Een petroleumlamp boven een grote mahoniehouten tafel met prachtig gebeeldhouwde stoelen. en grote stevige kasten. Een sofa met rijke bekleding en ornamenten waar mensen uit de 19e eeuw zo van hielden. Familieportretten aan de muur op het gebloemde behang. Een piano voor de met blinden gesloten ramen.

30-01-07
De weg van Ulrum naar de Westpolder

Hetty was in die zomer in de Westpolder even verlost van het leven in de stad met een zieke vader en een vermoeide, onzekere moeder. De zomers duurden lang en kinderen konden vrij buiten spelen op het erf op de dijk en bij de waddenkust. Jurkjes en broekjes werden vies en niemand die er wat van zei. Het leven op een boerenerf heeft zijn eigen ritme. Elke dag was er iets te doen en de kinderen deden volop mee. Melk werd gekarnd en graan geoogst en gedorst. Fruit geplukt en ingemaakt voor de winter. Af en toe kreeg ze een brief van huis vol goede raad. Of Hetty wel genoeg werkjes deed voor oma Aaltje. De zorgen in de brieven over de gezondheid van vader Ubbo werden steeds ernstiger. Moeder Grietje maakte haar dochter van bijna 12 volop deelgenoot van haar zorg. Grietje was eenzaam in de stad en in haar mooie nieuwe huis. Net als haar man was ze afkomstig uit een boerenfamilie. Haar ouders bewoonden het ‘huis te Ewer’, gelegen op een terp vlakbij Zuurdijk naast het Reitdiep. Eeuwenlang hebben de mensen hier gewoond op terpen en de streek is meermalen overstroomd. De bewoners bouwden steeds weer nieuwe dijken want het land was goed.

Grietjes vader was een zwakke man die het boerenleven niet goed aankon. Moeder Henriette, Hetty was naar haar vernoemd, was een Zijlma. Deze familie bewoonde al jaren de hoeves ‘Ewer’ en het nabijgelegen ‘Ganzehoes. Boerderijen met veel landerijen in de vruchtbare klei van Marne gebied. Henriette werd ook wel ‘Ka’ genoemd omdat ze een vrouw was met een sterke eigen wil. Groningse boeren waren liberaal en stonden er om bekend hun vrouwen ‘in ere’ te houden. Dat betekende vooral dat ze zo goed als kon aan geboorte beperking deden zodat hun echtgenoten niet constant zwanger waren of kleine kinderen moesten opvoeden. Omdat de herenboeren geld genoeg hadden voor knechten op het land en dienstmeiden in huis was er tijd voor lezen, breien en vertier.

KaZijlmaHettyMansholt
Hetty en Henriette Louwes – Zijlma

De leeskringen in de Marne floreerden rond 1850. Henriette, ‘Ka’, was nog iets vrijer dan in haar tijd gebruikelijk was. Toen haar oudere broer Jan wilde trouwen met een meisje uit een ander familie Herenboeren kon dat alleen als Henriette zou trouwen met de broer van de beoogde bruid. Henriette weigerde en maakte haar eigen keuze. Jan Zijlma is nooit meer getrouwd en heeft zijn zus nooit vergeven. Ka zou niets van het familiebezit erven.

Dochter Grietje bleek meer op haar vader te lijken dan op haar moeder. Ze was een onzeker en verlegen meisje. . Op school was ze een matige leerlinge en ze kreeg een strenge opvoeding die in die tijd ‘gewoon’ was. Haar moeder stuurde haar na de middelbare school naar een kostschool in Zwitserland in de hoop dat ze daar wat zelfstandiger zou worden. Grietje kwam eerder terug vanwege heimwee. Na haar huwelijk met Ubbo verhuisde het paar naar de grote stad. Grietje kon haar draai niet vinden tussen de stadse jufferen en de stadse gebruiken. Ubbo zorgde voor de sociale kontakten maar hij was veel op reis. Na een grote reis door Canada, waar hij de landbouwtechnieken bestudeerde werd Ubbo ziek. Hij overleed na een ziekbed van een jaar. Grietje moest zich zien te redden met haar twee jonge dochters. Met jongste dochter Ada kon ze het goed vonden maar Hetty was een puber met een eigen willetje. Een echte Mansholt, slim en direct. Grietje kon er niet tegenop. De banden met de familie in de Westpolder werden minder en minder. Zelfs de verhuizing van Opa Derk en oma Aaltje naar de stad Groningen veranderden daar niets aan. Grietje zocht en kreeg hulp van een vrouwelijke arts. Misschien heeft zij Grietje geadviseerd om opnieuw te beginnen. Met een schone lei. Grietje verhuisde met haar dochters naar Den Haag.

Hetty kon nog maar af en toe naar haar geliefde Torum. Oom Bert, inmiddels getrouwd met de lerares waar hij bijles kreeg, was daar de hoofdbewoner geworde. Hun zoon Sicco zou minister van landbouw worden in het naoorlogse Nederland en later zelfs in Europa.

30-01-11b
Torum in de Westpolder anno 2018

Tante Theda was naar de huishoudschool gegaan en ging daarna lessen geven aan de Rijkslandbouw-winterschool in Veendam, een van de eerste opleidingen voor plattelandsmeisjes. Nadat ze in dienst van het rijk onderzoek had gedaan naar het landbouw onderwijs in Denemarken, België en Duitsland werd ze een grondlegger van het landbouwonderwijs voor meisjes. Ze richtte in 1913 de Rijksschool voor Landbouwhuishoudonderwijs “De Rollecate” in Den Hulst op en werd daar ook de eerste directrice.

TorumMansohlttrap
Mansholt kinderen op de trappen van Torum