Een huwelijk in 1923 verbindt de families Voerman en Mansholt.

Mijn opa Jan Voerman Jr. en mijn oma Hetty Mansholt hadden ieder hun eigen ‘bewogen’ geschiedenis. Jan was als oudste zoon van kunstschilder Jan Voerman Sr. ‘verkozen’ om in zijn vaders voetsporen te treden. Hij kreeg privé lessen in zijn vaders atelier en mocht geen regulier onderwijs volgen. Pas 1912 ging hij naar de Academie der Kunsten in Amsterdam, waar hij voor het eerst op eigen benen kon staan. Hetty kwam uit het boerengeslacht Mansholt en verloor haar vader al toen ze 12 jaar was. Dit bracht het gezin in grote problemen mede omdat moeder Grietje veel depressies had. . Hetty voelde zich verlaten en was vaak somber. Ze vond maar moeilijk een eigen weg.  

In het boek “Gevangen in een paradijs” gebaseerd op het familiearchief en geschreven door Kees Opmeer staat het volgende fragment over hun huwelijk.

Hetty en Jan ontmoeten elkaar en waren verliefd en lang verloofd. Ze durfden de stap naar een verbintenis niet te maken.

Op 20 april 1923 was Hetty jarig. Jan feliciteerde haar in een brief vol woorden van liefde.

…Ik kom je niets beters wensen dan om rust te hebben en te wachten en heel veel schoons te zien waar het zich geeft om te zien. O, dat ik jou heb…

Ging het wel goed met Hetty? In de woorden zit ook zorg opgesloten. Haar antwoord zei genoeg.

…Ik verlang naar je stille troost en rust. ’t Briefje van Joost (Hudig). Dat greep me zo aan. Dat troosteloze verloren zijn en zich niet terug te vinden. Dan blijft er niet anders over dan de Dood. De ‘Dood lief te hebben’ zoals Rilke predikt. Dan sta je zo absoluut voor de dood, dat je zacht glimlachend kunt genieten van het Leven…

Het zijn woorden waar ik van schrok. Voor het eerst werd me duidelijk hoe diep mijn oma in de put zat. Zelf schreef ze er openhartig over. …Mijn terugkerende depressies leerden me om te staan op de diepe grondtoon van het leven, van dood en armoede, waaruit mysterieus het Leven opbloeit…

Jan probeerde haar op te beuren met zijn verhalen. Met hem ging het beter. Hij was productief, verkocht regelmatig schilderijen, kalenders en litho’s en kreeg opdrachten. Hij schreef er enthousiast over in zijn  brieven.

Het was niet genoeg voor Hetty. Wie kon haar goede raad bieden? Op 9 mei 1923 ontving Jan een briefkaart van zijn verloofde waarin ze opgewonden schreef over een gesprek dat ze met professor Révèz had gehad, iemand van Duitse afkomst die ze via haar familie kende. Het betekende een ommekeer. Deze professor had haar onomwonden gevraagd:

…‘Weshalb heiraten Sie sich nicht?’ Hij ging op de man af en dat werkte als een schok, want alle andere mensen ontweken deze vraag uit fijngevoeligheid. ‘Wenn ein Mann nach seinem 30en Jahre sein Gehalt nicht Verdient, soll er heiraten. De verantwoordelijkheid maakt hem vindingrijk en sterker. Dan zal hij vanzelf de juiste uitvindingen doen, die maken dat hij zich ontplooit en de kost verdient. Ook verdient een man getrouwd, meer als ongetrouwd’…

Het was precies wat Hetty nodig had. De woorden gingen erin als zoete  koek. Volgens Hetty was de professor een man die uit een vreemd land was gekomen, zelf grote moeite had om vaste grond onder de voeten te krijgen, tussen al die vriendelijke maar gereserveerde Hollanders. Hij wist waar hij het over had.

Jan was opgelucht. Eindelijk meer duidelijkheid over hun toekomst. Ze werden gesterkt door de reacties van anderen die allang hadden gedacht dat het tijd was voor een huwelijk. Jan en Hetty begonnen plannen te maken.

Ze besloten na hun huwelijk in Amsterdam te gaan wonen. Het duurde niet lang of ze vonden een étage bij een bevriende familie. Het was vooral Hetty die zich daarvoor had ingezet. Ze maakte zich druk over hun financiële situatie. Jan verdiende best aardig, maar of het voldoende was? Ze werkte inmiddels zelf in een laboratorium in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam, maar dat was ook geen vetpot. Haar familie waarschuwde haar voor dreigende armoede. Ik moet weer denken aan de bezwaren die Ericus Verkade had tegen het huwelijk van zijn dochter met de arme schilder Voerman sr. Hetty had nog recht op een erfenis van haar grootvader. Deze zou een deel van haar zorgen kunnen wegnemen, maar tot haar schrik ging daar een derde aan successierechten vanaf. Ondanks zijn opdrachten was ook Jan niet vrij van zorgen. Ik las het terug in één van zijn brieven.

…Mijn hand beeft een beetje, omdat ik zojuist stenen geslepen heb. Ons trouwen zal niet zijn een uiteindelijk uitbarsten in feestvreugde. Vind me niet laks, ik kan niet tegelijk werken en huizen zoeken. Ik verstook ongeveer 10 H.L goede anthraciet per winter…

Groot was de blijdschap toen Hetty de huissleutel kreeg. Jan besloot alvast te verhuizen naar de Valeriusstraat 161.

Zijn laatste brief uit Vogelenzang:

…Je lieve brief wees me weer de weg naar de veilige ruimte, die in ieder mens is waar je je kunt terugtrekken.

We zullen veel doen en verder komen als we maar eenmaal bij elkaar mogen blijven. In ieder geval wordt het geen droom of liever: we zullen leren op de juiste wijze te droomen. Wat we krijgen wordt echt!!…

De zomer ging voorbij. Op Koninginnedag, 31 augustus 1923, de laatste dag van de vakantie in Hattem, gingen Jan en Hetty in ondertrouw. Ze trouwden op 6 oktober in Hattem. Twee gemankeerde  mensen die steun en begrip vonden bij elkaar.

Volgens Hetty was het wel feestelijk en héél echt. Over haar huwelijk schreef ze met de haar kenmerkende filosofische inslag:

Vrijheid is vrijheid van het verleden

Vrijheid wil niet binden

Ook de geliefde is geen bezit.

Ze verwees naar een gedicht van Boutens met als titel: ‘Bezit is als een bloem zo broos’.

De aanloop naar het huwelijk was een weg vol twijfels en zorgen, maar het bleek een goede keuze te zijn. Het werd een gelukkig huwelijk dat stand hield tot de dood.

Het boek Gevangen in een paradijs is hier te bestellen. Het verhaal van de Familie Mansholt “Uit Zeeklei gebakken” is ook beschreven door Kees Opmeer en is hier te bestellen.

Hetty Mansholt en Jan Voerman Jr.

Het bruidspaar met zittend links Grietje Mansholt-Louwes en zittend rechts Anna Voerman-Verkade. Staand links Jan Voerman Sr.

Vader Derk (1842-1921) en oudste zoon Ubbo Mansholt (1869-1911) zijn vernieuwers in de landbouw

In mijn Mansholt-familiearchief zitten veel tastbare herinneringen aan de activiteiten van vader en zoon Mansholt (mijn overgrootvader en over-overgrootvader) oorkondes en medailles met inscriptie. Prijzen voor verbetering van zomertarwe, pootaardappelen die beter bestand zijn tegen ziekten, andere bemesting die zorgt voor een hogere opbrengst van gewassen. Derk en Ubbo laten zien dat boeren niet ieder jaar dezelfde gewassen op de akkers moeten inzaaien; iets wat tegenwoordig vanzelfsprekend is. Uitgekiende bemesting en afwisseling op de landbouwgronden met vlinderbloemigen, planten die peulen voortbrengen en de bodem verbeteren met voedingsstoffen, dragen bij aan rijke oogsten. Derk en Ubbo, maar ook Derks broer Jochum, zijn vernieuwers die veel voor de landbouw hebben betekend, maar zelf profiteert Derk er minder van. Als dwarsligger jaagt hij veel herenboeren op het Groninger land tegen zich in het harnas. Het maakt het voor hem moeilijk zijn producten op de markt te brengen. Later, als de aversie geleidelijk is afgenomen, verdient hij meer respect.

Basis van de welvaart

Aan het eind van de negentiende eeuw richt Derk een tijdschrift op, met de eenvoudige en krachtige titel: De Grond (centraal orgaan voor de agrarische belangen in Nederland). In dit veelgelezen blad dat elke maand verschijnt, kan hij ervaringen en ideeën kwijt die steeds meer weerklank vinden.

Het is een periode waarin de prijzen voor graan en andere agrarische producten een dramatische daling laten zien. Derk vindt dat landbouwprijzen beschermd moeten worden om te voorkomen dat de boeren en hun arbeiders tot armoede vervallen. Geen vrijhandel zoals in liberale kringen wordt bepleit.

Hij had zich al eerder sterk gemaakt voor vaste prijzen voor landbouwproducten, zoals voor graan, om de boeren een redelijk  inkomen te kunnen garanderen en de voedselproductie te stimuleren.

Hij schreef:

…Het broodkoren neemt onder alle handelsartikelen de eerste plaats in en kan door geen enkel ander artikel worden vervangen. Gebrek aan broodkoren staat gelijk aan hongersnood… En ook: …De landbouw heeft niet zozeer belang bij hoge dan wel bij constante graanprijzen…

Toen wist Derk nog niet hoezeer zijn opvattingen invloed zouden krijgen op het gedachtengoed van zijn kleinzoon Sicco die daarmee de basis legde voor een Europees landbouwbeleid.

Het is de stellige overtuiging van Derk dat de boerenstand de basis vormt van de welvaart in Nederland. Geen vreemde gedachte als je bedenkt dat ongeveer de helft van de mensen in die tijd nog werk vindt in de agrarische sector. Maar Derk ziet ook dat er een kentering plaatsvindt. Steeds meer landarbeiders keren het platteland de rug toe. Ze vinden een beter betaalde baan in de fabrieken in de grote steden. Ook in Nederland rukt de industriële revolutie op.

In de voetsporen van Derk

Een nieuwe generatie Mansholt treedt in de voetsporen van vader Derk. Jammer genoeg zal hij niet meemaken dat zijn kleinzoon Sicco, kind van zijn zoon Bert, ooit de beroemdste boer van Nederland zal worden.

In 1906 verhuizen Aaltje en opa Derk, zoals hij nu in de familie wordt genoemd, naar de stad Groningen. Beiden zijn inmiddels in de zestig. Ze willen het rustiger aan gaan doen. Met een gerust hart kan hij Torum aan zijn zoon Bert overlaten. Ze gaan in de buurt van het nieuwe Noorderstation wonen, zodat ze snel met de trein terug kunnen naar de polder en hun geliefde Torum als ze het boerenland weer willen ruiken en het graan willen zien wuiven.

Derk is vereerd, maar ook verrast als hij in 1920 een koninklijke onderscheiding ontvangt. Hij wordt benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In het conservatieve Nederland van die tijd gebeurde het niet vaak dat personen met linkse opvattingen een koninklijke onderscheiding ontvingen. Het zegt genoeg over zijn verdiensten voor de samenleving.

Een jaar later, op één augustus 1921 overlijdt hij in Groningen. Hij is dan 79 jaar. Ubbo’s oudste dochter en mijn oma Hetty Mansholt schrijft erover:

…Dat opa Derk in alles domineerde vond Oma Aaltje best, dat hoorde zo. Haar jongste dochter Theda was eerst hulp in de huishouding (op Torum) en later haar plaatsvervanger. Ik herinner me nog een logeerpartij waar ik direct ziek werd en het waren Tante Theda en oom Bert die meehielpen en me verpleegden, niet Oma. Oom Bert was toen nog thuis en niet getrouwd. Hij was knap en heel vriendelijk, vonden wij kinderen. Familie is als een boom, stamboom, en alle leden zijn als takken, elk op eigen wijze gegroeid en aan elkaar aangepast en toch samen één geheel vormend…

Dit is een fragment uit het boek “Uit Zeeklei gebakken” van Kees Opmeer. Het boek bevat verhalen en beelden uit het Mansholt familiearchief en is hier te koop. Op de Borg Verhildersum in Leens is een kleine tentoonstelling te zien over de familie Mansholt. Het boek is daar ook te koop.

Ubbo Mansholt met zijn dochter Hetty

Derk Roelfs Mansholt

Nieuw luister verhaal over de Westpolder in Verhildersum.

Bij de kleine expositie over de families Mansholt, Louwes, Zijlma en Dijkhuis in de museumboerderij van Verhildersum te Leens staat nu ook een paal met een QR code waarmee je een verhaal over de Westpolder kan horen en zien. De verhalen over de stormvloeden die de jonge polder in 1874 en 1877 teisterden zijn ook te lezen.

Het is ook hier te zien/ horen.

Theda Mansholt (1879-1956) grondlegster van het onderwijs voor meisjes uit boerengezinnen.

‘Scheppende geest en ziel’

Behalve zijn twee stiefdochters Hendrika en Wiepke had Derk Mansholt nog een dochter: Theda. Zij voelde zich nauw verbonden met het lot van boerenmeisjes die in de wereld van herenboeren over het algemeen een ondergeschikte rol speelden. Het was haar missie om door middel van goed onderwijs hun positie te verbeteren. Anders zouden ze in deze mannenwereld niet de kans krijgen zich verder te ontwikkelen. Ze sprak uit eigen ervaring:

…Niet zonder enige bitterheid ervoer ik, dat mijn broers, die géén boter hadden te maken, zoals ik, die geen kalveren hadden op te fokken, daarin te Wageningen wel onderwijs hadden gehad en enige minachting hadden voor de onsystematische, overgeleverde manier, waarop ik deze werkjes uitvoerde…

Ook in haar aderen stroomde het bloed van de familie, met dezelfde betrokkenheid en pioniersmentaliteit. We kunnen gerust zeggen dat zij aan de wieg stond van het Nederlandse Landbouwhuishoudonderwijs, zoals dat toen werd genoemd. In Delfzijl staat het Theda Mansholt College, een vmbo-school. Het geeft haar betekenis voor het onderwijs aan. Of zoals Hetty het noemde: de scheppende geest en ziel van het landbouwhuishoudonderwijs.

Ze begon als huishoudlerares. Daarnaast gaf ze zomercursussen en in de winter kookles aan plattelandsmeisjes op de Rijkslandbouw-winterschool in Veendam, een van de eerste scholen in zijn soort.

Haar inzet voor onderwijs aan deze meisjes trok de aandacht. In 1910 bracht ze in opdracht van de regering een werkbezoek aan België, Denemarken en Noord-Duitsland. Doel was te onderzoeken hoe het onderwijs aan boerendochters in die landen was vormgegeven. Haar bevindingen leidden ertoe dat drie jaar later de eerste Rijksschool voor Landbouwhuishoudonderwijs wordt gesticht. De school, Rollecate genaamd, wordt gevestigd op het landgoed Den Hulst in de buurt van Dedemsvaart. Baron Van Dedem, een zoon van de bekende vervener naar wie Dedemsvaart is vernoemd, stelt een deel van het grote huis op het landgoed met boomgaard en moestuin beschikbaar voor de nieuwe school. Het wekt geen verbazing dat Theda de eerste directrice wordt.

Door de afgelegen ligging was Rollecate een school zonder moderne voorzieningen, zoals waterleiding en elektriciteit, maar Theda benadrukte de voorbeeldfunctie die van deze nieuwe opleiding uitging. In de praktijk van alle dag moesten de docenten immers ook goed kunnen inspelen op de sobere omstandigheden waaronder de boerenmeisjes werkten en leefden. De docenten kregen zelf ook land- en tuinbouwonderwijs. Daar hoorde het werken in de tuin niet bij, vonden ze. Dat werd overgelaten aan de tuinman.

In 1930 verhuist de school naar Deventer en Theda verhuist als directrice mee. De naam wordt omgedoopt tot ‘Nieuw Rollecate.’ Een hoogtepunt voor Theda was het bezoek van koningin Juliana aan haar school in 1957.

Groot hart

Wat Theda dreef bleek uit haar volgende woorden:

…De lerares dient haar leerlingen de ogen te openen voor het vele goede dat buiten wonen heeft en haar leren van dit goede zoveel mogelijk partij te trekken ook door haar produkten van eigen bedrijf en tuin beter dan veelal het geval is te gebruiken…

In het gedenkraam van Rollecate staat: ‘Die altijd geeft van het goede dat zij heeft.’ Het lijkt op het lijf van Theda geschreven.

Haar drijfveren kwamen voort uit een groot hart en inlevingsvermogen. Als jong meisje had ze gehuild toen haar vader Derk een oude afgeleefde arbeider die zestig jaar bij de familie in dienst was geweest, wegstuurde, zonder een cent mee te geven en zonder een dak boven zijn hoofd. Het excuus van Derk was dat hij de diaconie betaalde om in de levensbehoeften van uitgewerkte arbeiders te voorzien. Theda begreep het niet. Hoe kon haar vader zo gevoelloos zijn?

Al op relatief jonge leeftijd, toen ze nog volop in het werkzame leven stond, kreeg ze een tastbaar eerbewijs voor haar verdiensten. Ze werd benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Dit is een fragment uit het boek, “Uit Zeeklei gebakken” over de familie Mansholt. Het boek is geschreven door Kees Opmeer en is hier te koop. Het boek ligt ook in de museumwinkel van het landgoed Verhildersum in Leens.

Kijk ook hier: Theda Mansholt voorbeeld voor mijn oma Hetty Mansholt.

Theda Mansholt

Koningin Juliana bezoekt Rollecate en wordt ontvangen door Theda Mansholt

Herinneringen aan grootmoeder Henderika Dijkhuis – Beukema (1810-1876)

De echtgenote van Derk Roelfs Mansholt, Aaltje Dijkhuis (1837-1915) , komt uit een bekend geslacht van Groninger herenboeren die in de voorspoedige jaren 1760-1770 welvarend waren geworden. Aaltjes vader is Willem Lammerts Dijkhuis (1804-1893). Hij werd geboren op  de boerderij ”Menneweer’ in de Westpolder vlak onder Vierhuizen. Op 18-jarige leeftijd wordt hij bedrijfsleider op deze boerderij die dan in bezit is van zijn moeder, zijn vader is vroeg overleden. Willem is een goede ondernemer en een landbouwer met visie. Het bedrijf groeit en hij koopt een tweede boerderij die hij geheel opnieuw laat opbouwen, “Midhuizen”. Hij behoort dan tot de vijf grootste boeren in de Marne.

Dijkhuis gaat zich ook als bestuurder hard maken voor de belangen van de boeren. Hij is ouderling en kerkvoogd, volop betrokken bij de inpoldering van de Westpolder. Samen met de families Torringa, Zijlma, Beukema en Sijpkens is hij de grondlegger van de nieuwe polder. In de nieuwe polder bouwt hij boerderij “Nieuw Midhuizen” voor zijn zoon. Daarnaast is hij een bekwaam bestuurder. Van 1849 tot 1868 is hij lid van Provinciale Staten van Groningen en van 1870 tot 1891 burgemeester van Ulrum. Later is hij Gedeputeerde des Konings en verblijft daartoe geregeld in de stad Groningen. Ook bezoekt hij de vergaderingen met Koning Willen III in Den Haag.

Zijn vrouw Hendrika Dijkhuis Beukema is een ontwikkelde vrouw die geregeld boeken leest. Zodra de meiden en knechten om vier uur in de ochtend gaan melken gaat ze zitten lezen in de kamer van de boerderij. Ze las vooral over de kerkelijke kwesties die toen in de protestantse kerk speelden met Hofstede de Groot en Meijboom (circa 1870).

Dit beeld is in 1942 beschreven door haar oudste kleindochter Hendrika Tonkes:

Als kinderen sliepen Wiepke en ik in een alkoof van de huiskamer. ’s Morgens scheen daar de zon, de kamer lag op het oosten. Blijkbaar ben ik door dat sterke licht vroeg wakker geweest en dan zag ik de lieve vrouw aan tafel zitten lezen. ‘t Was dan zo rustig en alles baadde in de zon”.

Hendrika beschrijft hoe ze als klein meisje de tocht maakt van Meeden (waar ze op een boerderij woont met haar vader Harmannus Tonkes en moeder en later met haar stiefvader Derk Roelfs Mansholt) naar de Westpolder.  Eerst met Barge vanuit Zuidbroek naar de stad Groningen. Ze kwamen binnen vanaf het Winschoterdiep naar het Schuitendiep door het Kleine Poortje.

“Het was zo knus in de kajuit, af en toe het trapje op naar boven, waar ook altijd wat te beleven was”.

De stad maakte grote indruk op het meisje. Ze ging er met moeder boodschappen doen en af en toe gingen ze naar “Het blauwe Peerd” waar opa verbleef als hij in de stad was voor de vergaderingen van Gedeputeerde Staten. Dan met paard en wagen de Boteringepoort uit via de mouskertoenen het vrije land in. Via Adorp, Sauwert, Winsum, Wehe en Leens naar de grote, witte staldeuren van ‘Midhuizen’.

“Grootmoe was de ideale gastvrouw. Ze lette op al haar gasten, richtte zich ernaar, maar zo dat niemand dat merkte. Dat gold ook voor ons. Ze wist dat we graag poffertjes lusten en die mochten wij dan bakken op een komfoor met gloeiende kolen. Een feest!”

Hieronder het schilderij van Albert Jurardus van Prooijen (Groninger Museum) met daarop het Klein Poortje waar de zussen Henderika en Klazien meermalen zijn langsgekomen met de Barge. Het Klein Poortje werd samen met de kazematten en de portierswoning ernaast in 1875 afgebroken bij het slechten van de stadswallen in het kader van de Vestigingswet.

Henderika Dijkhuis – Beukema

De schaakpartijen per post tussen Eduard Douwes Dekker (1820-1887) en Derk Roelfs Mansholt (1842-1921)

Eduard Douwes Dekker (bekend geworden als schrijver met het pseudoniem Multatuli) was een verwoed schaker. Hij speelde het liefst correspondentieschaak omdat daarmee door geduld zijn gebrek aan talent goed gemaakt zou worden, terwijl bij schaken ‘uit de hand’ onstuimigheid en ongeduld ten koste van de kwaliteit van het spel zou gaan.

Ook in zijn correspondentie met Derk Roelfs Mansholt werden schaakzetten vermeld. In onderstaande briefkaart van Douwes Dekker aan Mansholt is dat te zien.  De briefkaart is op 15 juli 1880 verstuurd vanuit Geisenheim aan de Rijn, waar Douwes Dekker een huis huurde. Niet lang daarna verhuisde Douwes Dekker naar een nieuw huis aan de Rijn. Het werd zijn eerste koophuis.

Derk Roelfs speelde ook een partij met de toenmalige vrouw van Douwes Dekker, Mimi Hamminck Schepel, die is neergeschreven in een notitie, gedateerd september 1881, die te vinden is in het persoonlijk archief van Sicco Mansholt.

Zoals hier valt te lezen is Derk Roelfs Mansholt ook voorzitter geweest van de Groninger schaakclub Staunton.

Een boek over de geschiedenis van de Familie Mansholt is hier te koop.

Het kerkhofje van Vierhuizen

Vandaag (13 maart 2024) is het 28 jaar geleden dat mijn vader Ubbo, Johan Voerman (1926-1996), plotseling stierf. In het boek “Uit Zeeklei gebakken” over de familie Mansholt staan de herinneringen aan zijn dood van mij en mij zoon Tijs beschreven.

In mijn jeugd hoorde ik vaak de verhalen over mijn familie: de kunstschilders, vader en zoon Jan Voerman en de verveners, de familie Rahder. Het huis hing vol met schilderijen van de Voermannen en mijn moeder had een grote bibliotheek met Rahderboeken. Pas na de plotselinge dood van mijn vader leerde ik de familie Mansholt goed kennen.

We kwamen als gezin bijeen om mijn vader te gedenken, afscheid te nemen en de begrafenis te regelen. Mijn moeder vertelde dat hij in het kleine dorpje Vierhuizen in Noordwest-Groningen begraven wilde worden. Er is een klein kerkhof met vele leden van de familie Mansholt die daar in grote boerderijen in de Westpolder hebben gewoond.

Ik was verrast door die keuze. Ik wist dat Hetty, de moeder van mijn vader, uit die Mansholtfamilie kwam en dat mijn vader dezelfde voornamen had als zijn opa die hij nooit persoonlijk had gekend, Ubbo Johan. Het bleek dat mijn vader zich, in zijn laatste jaren, in de Mansholtfamilie had verdiept; de ‘rode’ boeren uit Groningen. De neef van mijn oma, Sicco Mansholt, was na de Tweede Wereldoorlog jarenlang minister van Landbouw voor de PvdA geweest. Daarna was hij een nog bekender Eurocommissaris geworden in de toen net opgerichte Europese Gemeenschap. Maar ook ‘opa Derk’ was een strijdbaar socialist geweest, die bevriend was met de schrijver Multatuli en de socialistische voorman Domela Nieuwenhuis. Met zijn Duitstalige achtergrond was hij een van de eerste lezers van de ideeën van Karl Marx.

Opa Derk was met zijn ouders in 1866 vanuit Noord-Duitsland naar Groningen verhuisd. Ik begreep opeens dat de naam Ubbo, die ik altijd wat vreemd had gevonden, uit  het Ostfriesische taalgebied kwam.

Mijn moeder had er wat moeite mee dat ‘haar Ubbo’ zou worden begraven op een klein kerkhofje in de Groningse klei, maar natuurlijk had ze ingestemd met zijn wens. De dag voor de begrafenis gingen we er kijken. Mijn moeder, haar zus Mieneke, mijn vrouw Katinka en onze kinderen Jens, Tijs en Jort. We reden op een kille dag in maart over de lange wegen door de polder, met aan weerskanten de kale vlakten bestaande uit zeeklei waarop zomers het graan groeide en verder langs dijk van de Westpolder bij de Waddenzee. De eerste boeren die hier gingen wonen hadden de dijken zelf, in 1875, opgeworpen, maar in de eerste jaren werden die nog geregeld doorbroken door de zee.

We maakten een korte stop bij ‘Fletum’, één van de boerderijen die de familie Mansholt daar vanaf de negentiende eeuw had bewoond. Het was een grote, mooie boerenhoeve met nog grotere graanschuren. Ook nu woonde er nog familie. We kregen daar een boek over de geschiedenis van de Westpolder. Vandaar kwamen we langs die andere roemruchte boerenhoeve ‘Torum’ waar Opa Derk en oma Aaltje hadden gewoond en waar later Sicco is geboren.

Op het, door bomen omzoomde, kerkhof in Vierhuizen bekeken we de graven. Er was een mooie plek gevonden voor mijn vader, langs de rand van het kerkhof en vlak achter zijn grootvader en naamgenoot, ‘opa Derk’, zijn vrouw Aaltje Mansholt – Dijkhuis en hun dochter, onze tante Theda. Er bevonden zich nog veel andere grote familiegraven met bekende Groningse namen als Louwes, Dijkhuis en Tonkes. Ik wilde meer weten van deze families, pioniers in dit gebied. Hier begon mijn zoektocht naar de familie Mansholt en de mensen die ze kenden.

Op de ochtend van Ubbo’s begrafenis lag mijn moeder Jennie dood in haar bed. Het boek over de Westpolder nog in haar hand. Ze had er enorm tegenop gezien om haar man te begraven.

Mijn zoon Tijs heeft zijn eigen herinneringen aan die moeilijke dagen, zoals hieronder valt te lezen.

Ik was zes toen mijn opa en oma binnen vijf dagen overleden. Heel veel weet ik er niet meer van, maar een aantal dingen staat me nog goed bij; het ritje op de dag voor de begrafenis bijvoorbeeld. Ik weet nog dat we door de uitgestrekte vlakten reden, vooral omdat ik het apart vond om achterin de auto naast oma te zitten. Ze zei op een gegeven moment: ‘Wat jammer dat Ubbo er niet bij is, hij had  het prachtig gevonden hier met elkaar.’ Waarop ik antwoordde: ‘Als Ubbo er nog was geweest, waren wij hier niet geweest.’

Ik weet dit nog omdat ik me meteen na deze opmerking erg schuldig voelde. Het was bijdehand, en ik wilde oma niet kwetsen. Gelukkig reageerde ze lief, zoals altijd, met een lach en de woorden: ‘Dat klopt helemaal Tijs’. Wat ik ook nog weet is dat ik me afvroeg waarom opa hier in Noord-Groningen, begraven wilde worden en niet in zijn woonplaats Oldeberkoop. Wie zou hem hier, zo ver weg (helemaal in de beleving van een kind), nog komen opzoeken? Gelukkig heb ik deze vraag voor me gehouden, want ik denk dat oma dit stiekem ook wel jammer vond.

Nu we steeds meer in onze familiegeschiedenis duiken snap ik de keuze van opa steeds beter. Niet alleen het kerkhofje is prachtig. Sinds we met het boek over mijn voorouders van de familie Mansholt bezig zijn, heb ik Noord-Groningen zelf ook ontdekt. In twintig minuten fietsen vanuit de stad Groningen kom je terecht in een prachtig open landschap waar je je in een soort niemandsland waant. Het maakt je hoofd leeg en verdrijft de drukte die de stad met zich meebrengt. Overal zijn dieren: zwanen, roofvogels en met een beetje geluk spot je een ree. Hier en daar zie je een boerderij. Het voelt als vrijheid. Ik denk dat opa misschien hetzelfde gevoel kreeg in deze prachtige omgeving en ik snap nu nog beter wat oma bedoelde met haar opmerking vijfentwintig jaar geleden.  

De dag van de begrafenis van opa kan ik me nog goed herinneren. Het is ochtend als pap onverwacht een telefoontje krijgt van zijn broer. Wij zitten aan de eettafel. Pap loopt naar de woonkamer om de telefoon op te nemen. Ik hoor hem alleen maar ’Nee, godverdomme!’ roepen. Iets wat pap nooit zou doen over de telefoon. Ik besefte meteen dat er iets echt mis was. Even later vertelde pap ons het nieuws. Oma was overleden.

Wij als kinderen zouden niet mee naar de begrafenis van opa, maar zouden naar onze oppas Hennie gaan. Ik weet nog goed dat pap uiteindelijk toch voor de deur bij Hennie stond om ons  mee te nemen. Ik ben hier achteraf blij mee.

Het woord grafstemming tijdens de begrafenis van opa is nog mild uitgedrukt. Iedereen die daar was hoorde het nieuws van oma nu ook. Surrealistisch, ik kan me bijna niet voorstellen hoe dit voor pap en de rest van de familie moet zijn geweest.

Een tijdje na de uitvaartdienst, bij het opruimen van het ouderlijk huis, vonden we drie grote hutkoffers op zolder. Daar bleken archiefstukken in te zitten van de familie Rahder, Voerman en Mansholt. Samen met schrijver Kees Opmeer en uitgever en ontwerper Albert Smit hebben we vanuit deze familiearchieven drie prachtige boeken samengesteld. We hebben veel aanvullend onderzoek gedaan, familieleden en andere deskundigen gesproken en nieuwe bronnen gevonden.

Het zijn persoonlijke verhalen geworden die een prachtig tijdsbeeld geven. Ieder met een uniek verhaal met veel nog niet eerder getoonde beelden. De eerste twee delen over de families Rahder en Voerman zijn al uitgegeven. Het verhaal over de familie Mansholt heeft u nu voor zich. 

Peter en Tijs Voerman

Ik plaats dit stukje nu weer ter ere van mijn geweldige vader (en opa).

Dit is een fragment uit boek “Uit Zeeklei gebakken” over de familie Mansholt. Het is geschreven door Kees Opmeer en het is hier te koop.

Tijs bij het graf van opa Ubbo in Vierhuizen
Mijn vader en ik (1962)

De ‘vergeten’ overstroming in de Westpolder op 21 maart 1874

De grote stormvloed in de Westpolder van 1877 staat in het geheugen gegrift. Hier heb ik er een stukje over geschreven.

Veel minder bekend is de overstroming in maart 1874 die ook vele mensenlevens heeft gekost. De bedijking van de Westpolder was toen nog volop in aanbouw en er verbleven wel 500 arbeiders in de polder vaak gehuisvest in gammele hutjes of keten. Veel arbeiders werden verrast door de hoge zee, een combinatie van springvloed en harde wind uit het westen.

Mijn voorvader Lammert Dijkhuis, die nabij in de oude polder woonde op boerderij Midhuizen, heeft er in een brief aan zijn kinderen verslag van gedaan.

….. Een andere man, bij ons was gelogeerd, was met zijn vrouw, met een kind bij zich op wat hout drijvende – toen eerst zijne vrouw en het eene kind verdwenen hem de hand toereikende, en later ook het andere kind hem werd ontrukt. Gij kunt U de radeloze toestand van dien man voorstellen.

Willem Dijkhuis

Ook in de Winschoter Courant staat een ooggetuige verslag met hartverscheurende momenten:

Omtrent deze ramp in den polder achter Vierhuizen schrijft een ander correspondent ons, Ulrum dd. 22sten Maart, nog het volgende: „Er heerschte leven en bedrijvigheid op de kwederlanden achter Vierhuizen. Het werk der binnendijkng, reeds bij tijds aangevangen, vorderde goed. Een kleine 500 poldergasten hield er zijn verblijf in keeten Die levenslustige lieden , welke zwaar werken , zwaar geld verdienen, maar ook zwaar geld verteren , waren vroolijk en welgemoed. De oude Noorman (de Noordzij) had zich sedert geruimen tijd rustig gehouden, ’ópgeschrikt uit die rust, wellicht door de stormen, welke voor eenigen tijd den Atlantischen oceaan teisterde, stelde hij zich in beweging, vloog op onze kusten aan , zocht met gapende muil naar buit en …. vond die, Het was Donderdag den 19den dezer moeielijk weder, dat des nachts en des Vrijdags voormiddags tot een storm uitgroeide. De vloed kwam met zoodanig geweld op , als zelden of ooit in dezen tijd ‘van het jaar plaats vindt. De keeten de polderwerkers waren wat ver, eigenlijk te ver, naar buiten gebracht, ten einde meer inde nabijheid ran het werk te zijn. De ringdijk was nog niet geheel afgesloten , het water overstroomde de kwelders en verhulde ineen oogenblik de woningen der arme werklieden, die met vrouw en kind zochten te vluchten , hetgeen , helaas ! niet allen gelukte. Hoe de ellende te schetsen ! “Een man kwam met een in der haast samengesteld vlotje, waarop hij zijn vrouw en twee kinderen had geplaatst, aandrijven. Der vrouw, die het jongste kind inden arm hield, begaven de krachten. Zij kon zich niet meer houden, viel van het vlot, stak voor het laatst haar echtgenoot de handen toe en verdween, met het kind, inde golven! Het vlotje drijft verder. Met zijn oudste kind zal hij dan toch den dijk bereiken. Weer komt er een baar aanrollen, voert ook zijn laatste kind mede, de arme behoudt alleen het leven. Allen, die hem op aarde lief en dierbaar waren, heeft hij verloren. Wie geeft hem troost?!! Twee andere mannen poogden zich ook op een vlotje te redden. Het dreef echter tegen een keet aan, in aanbouw om paarden te bergen, en geraakte er vast. De mannen klimmen op de spanten der keet. Akelig klinkt het gejammer der’ ongelukkigen. Alles wat gedaan kon worden om de ongelukkigen te redden, werd beproefd. Men stelde een vlot samen. Een geacht landbouwer wond een ljjn om bet middel, zette zich te paard en beproefde met levensgevaar hulp te verschaffen. Op korten afstand gekomen van hen , die hij wenschte  een wissen dood te redden, tuimelde zijn paard, door den sterken golfslag getroffen , achterover, en met groote moeite moest hij zijn eigen leven zien te redden- Eenigen tijd latei’ volgde zijn jongere broeder zijn voorbeeld en begaf zich insgelijks te paard te water. Ook hij kwam tot dicht bij de ongelukkigen , zag hoe een van hen bezweek, verdubbelde zijn pogingen om den nog overgeblevene te bereiken; maar ook zijn paard kon niet verder en hij moest, óndanks alle inspanning , terugkeeren. Dan , nog een poging in het werk gesteld. Twee personen , waaronder de landbouwer, die het eerst te paard zijn menschlievende poging had moeten opgeven, begaven zich wet het vlot te water, om, al was het met levensgevaar, den aan de spanten hangenden man te redden. Hun streven werd met een goeden uitslag bekroond. Met de grootste moeite bereikten zij den ongelukkige, die reeds bewusteloos en verstijfd was, en zich zoodanig aan bet houtwerk had vastgeklemd, dat hij niet dan met geweld ervan kon worden afgescheurd. Men legde hem op bet vlot, kwam gelukkig te land, bracht hem te bed , verschafte hem geneeskundige hulp en des avonds kon hij weder spreken. Hij was de dood ontkomen. Het lijk van den man, die bezweken was, werd gevonden en aan land gebracht. Voor hem was de dood geen ongeluk, want ook zijn vrouw en drie kinderen, alles wat hij had, had de zee verzwolgen.

De stormvloed in de Westpolder in Groningen van 1877

Het ontstaan van de Westpolder

Bedijking van de Westpolder begint in 1874 en werd voltooid in 1875. Op de nieuw gewonnen landerijen werden nieuwe boerderijen gebouwd. De familie Dijkhuis van ‘Midhuizen’ bouwde een nieuwe boerderijen ‘Nieuw Midhuizen’ en ‘Manneplaats’. Geughien Zijlma bouwde op nieuw verworven land zijn boerderij Nieuw Zeeburg, en Roelf Eijes Torringa bouwde de boerderij die later Torum ging heten. Jochum Mansholt en zijn vrouw Rena Loots bouwden er in 1876 de boerderij Fletum. De nieuwe boerderijen werden gebouwd met cement gemengd met zoet water dat speciaal daartoe werd gehaald. De goedkopere woningen voor de arbeiders werden gebouwd met cement gemengd met brak water uit de polder. Het cement werd daartoe minder sterk. Deze huizen waren daardoor bij overstromingen extra kwetsbaar.

Een jaar na aanvang van de werkzaamheden bleek al dat de dijk, die deels klaar was, niet bestand was tegen het water. In het voorjaar van 1874 sloeg het woeste water toe en verzwolg een groot deel van de dijk. En niet alleen de dijk verdween in de golven – ook dertien polderwerkers van wie de onderkomens niet voldoende versterkt waren. Vreemd genoeg is dit een redelijk onbekende ramp, zeker in tegenstelling tot die van drie jaar later. Er is een brief bewaard gebleven (gedateerd 21 Maart 1874) waarin Willem Lammerts Dijkhuis, wonende in de oude polder op boerderij ‘Midhuizen’, deze ramp beschrijft.

Lees er hier meer over.

De stormvloed

In de nacht van 30 op 31 januari 1877 zorgen een combinatie van springtij en hoog water voor een dijkdoorbraak in de nog jonge zwakke dijk. De vloed bereikt een hoogte van 3.90meter boven volzee. Er waren 13 slachtoffers, op het kerkhof van Vierhuizen staat een klein monument. Veel boeren en knechten konden op tijd met wagens naar hoger land komen, anderen gebruikten boten.

Jochem Helprig Mansholt (de broer van Derk Roelfs Mansholt) die al in polder woonde op boerderij ‘Fletum’ vluchtte met zijn vrouw Rena Loots, en zoontje (de latere Ing. Dr. Rijpko Mansholt en de eerst geborene in de nieuwe polder) met paard en wagen, die in  de schuur gereed stonden om het gezin naar de Middendijk te brengen. Buiten gekomen kreeg de noordwester storm echter de wagen te pakken, met het gevolg dat de disselboom uitschoot en zich in de grond boorde. Te voet werd de dijk bereikt, met het zoontje, in een deken gewikkeld, gedragen door de moeder, wier pantoffels in de modder waren achtergebleven. Jochem Mansholt was de enige boer die met zijn gezin kon vluchten en de Middendijk kon bereiken. De andere boeren vluchten naar hun zolder en werden de volgende dag gered.

Geuchien Zijlma, die juist een nieuwe boerderij ‘Klein Zeeburg’ in de polder had gebouwd waar hij nog niet eens woonde, beschrijft zijn herinneringen.

En Oh, toen ik daar op de dijk kwam en het terrein overzag! Zulk een verwoesting had ik mij toch niet voorgesteld. Achter onze polder was van de nieuwe zeedijk bijna niets meer te zien. Men kon weer vrijuit het wad inkijken. De gehele polder, alles water. Achter mijn buren Mansholt en Dijkhuis was het nagenoeg eender.

Geuchien beschrijft dan verder dat hij aangekomen bij zijn boerderij de paarden tot hun buik in het water in de stal staan. Zijn knecht die op het huis paste had zich op zolder gered. De arbeidersfamilie Mulder, die ook op zijn grond wonen roepen nog steeds om hulp vanuit hun huis. Geuchien maakt zich in zijn verslag echter vooral zorgen over de staat van zijn eigen boerderij en niet zozeer over de slachtoffers.

De grootste dijkdoorbraak was op het ‘zwet’ tussen beide Midhuizer boerderijen. Vooral de slecht gebouwde arbeiderswoningen (met slecht cement) storten in. De bouwgronden hadden veel schade. Maar daar houdt het niet op. Terwijl er gelijk met de herstelwerkzaamheden was begonnen in februari 1877, was het met Pasen weer raak. Een vloed zette de gehele polder wederom onder water en hoewel er geen slachtoffers vieren, zorgde de verzilting van de grond de jaren erop voor slechte oogsten. Op veel landerijen groeide zelfs geen onkruid. De herstelkosten moesten de inwoners zelf betalen. Maar de noeste Groningers wisten zich te handhaven en kwamen er weer bovenop.

Roelf Eyes Torringa de grote initiator van de bedijking was echter zo teleurgesteld in de dijkdoorbraak dat hij in 1882 zijn boerderij verkocht aan Derk Roelfs Mansholt. Hij schreef dat hij geen van zijn kinderen op een polder boerderij wilde laten wonen. Torringa wilde zo graag weg uit de polder dat hij Mansholt, die na de verkoop van zijn boerderij in Meeden 10.000 guldens te kort kwam, korting gaf op de aankoop prijs. Torringa was wellicht ook bang dat hij, als rijkste boer in  de older, het merendeel aan het herstel van de dijken zou moeten betalen.

Aaltje Dijkhuis, de vrouw van Derk Roelfs, kent de polder goed want haar ouders Willem Lammerts Dijkhuis en Henderica Dijkhuis-Beukema woonden daar al in boerderij ‘Midhuizen’. Geughien Zijlma beschrijft in zijn herinneringen na de stormvloed van 1877 hoe hij een bootje ziet op de golven in de ondergelopen polder dat Aaltje Mansholt – Dijkhuis vanuit haar ouderlijke woning naar de Middendijk brengt. Ze was op bezoek bij haar ouders en kon door de storm niet terugkeren naar haar huis in Meeden waar ze toen woonde. Derk Mansholt doopte de boerderij ‘Torum’ naar een verdronken plaatsje in de Dollard. Eerder al had zijn broer Jochem HelprigMansholt zijn boerderij ‘Fletum’ genoemd naar een ander verdronken dorpje in de Dollard.

De herbouw van de dijken startte weer snel en op voorstel van Jochem Mansholt werd er in 1883 een proef gedaan met het aanleggen van stenen beschoeiing. De proef had een gunstig resultaat. In 1904 werd er door de bewoners een waterschap opgericht, dat de naam ‘Lauwerzeemolenpolder’ kreeg. Er werd ondermeer een gemaal gebouwd aangedreven door een windmolen.

Het was uiteindelijk een klein groepje daadkrachtige boeren die de indijking hebben volbracht. Daarna heeft de Westpolder veel grote bestuurders en hoogleraren voortgebracht. Men kan zeggen dat vanaf de 2e WO het landbouw beleid lange tijd vanuit de Westpolder werd aangestuurd. De broers Stefan en Herman Louwes, minister Sicco Mansholt, burgemeesters en gedeputeerden. Ook werden er drie eredoctoraten aan Universiteiten verstrekt aan inwoners uit deze Westpolder (Dr. R.J. Mansholt, Sicco Mansholt en Stefan Louwes.

Meer over de boeren in de Westpolder is te lezen in het boek : “Uit Zeeklei gebakken” over de families Mansholt, Zijlma, Dijkhuis en Louwes. Het boek is gebaseerd op het familiearchief Mansholt en is geschreven door Kees Opmeer. Het boek is hier te bestellen

Bedijking van de Westpolder (Gronings archief)

Gedenksteen bij de kerk in Vierhuizen voor de slachtoffers van de Stormvloed

Henny Werkman ( 1882-1945) neef van mijn oma Hetty Voerman-Mansholt, ‘drukker van het paradijs’.

Buitenbeentje

In één van haar notitieblokken schrijft Hetty over haar neef Henny Werkman. Hetty’s moeder Grietje was goed bevriend met haar naamgenote Grietje Werkman-Louwes. Ze is een aangetrouwd familielid van haar vader Stefanus Louwes. Ondanks het leeftijdsverschil, Grietje Werkman is een stuk ouder, is er veel begrip over en weer. Wat een band schept is dat ze allebei op relatief jonge leeftijd weduwe zijn geworden.

Hetty kon zich haar tante Grietje nog goed herinneren van de vele bezoeken die ze haar brachten. Tijdens een van die bezoeken ging ze mee naar de nieuwe drukkerij van Henny Werkman, de zoon van Grietje. Hetty was nog een kind. Ze was een beetje bang voor Henny, deze 25-jarige man, het buitenbeentje van de familie.

…Ik had er geen zin in, als een echt kind, en van Henny kreeg ik een weinig aantrekkelijke indruk. Ik vond hem wat griezelig. Maar we moesten mee en toen zag ik voor het eerst in mijn leven de veelbesproken Henny. Hij leek me klein met een hoofd met weinig haar. Maar wel een baardje. Hij had een werkmanskiel aan. Met een glimlach begroette hij de familie en begon uitleg te geven over zijn werk, wat mij maar weinig interesseerde. Ik was 9 jaar en mijn zusje Ada 7 jaar…

Later schreef ze over hem:

…Henny werd geen nuttig lid van de maatschappij, niet als mijn zus Ada en zijn broers Pieter en Tinus. En ik eigenlijk ook niet. We wisten onze richting niet en hadden onze grond  nog niet gevonden. En de man die zo vaak een weg gewezen had, spanningen had helpen oplossen, gemoederen had gekalmeerd was er niet meer…

Wat Hetty als meisje niet had kunnen weten was dat haar achterneef zich zou ontwikkelen tot een spraakmakend kunstenaar. Ze ziet veel overeenkomsten tussen zijn leven en dat van haar. Ook Henny verhuist met tegenzin van het platteland van de Marne naar de stad. Zijn vader, veearts, overleed toen hij negen was. Hij liep een zware verkoudheid op tijdens een sneeuwjacht die eindigde in een longontsteking. In Groningen ging hij net als Hetty naar de middelbare school, maar hij voelde zich daar niet thuis en haakte na de derde klas af om een opleiding tot drukker te volgen. Hetty begreep hoe hij zich daar voelde.

…Een fantasierijke jongen moet zich daar eenzaam hebben gevoeld. De omgeving was ook geheel anders. Niet meer iedereen groeten en geen bekenden zoals in Leens, maar er waren veel vreemden. Werkman was geen notabel meer maar ook iemand zoals alle anderen. Er werden allemaal eisen aan ze gesteld waar ze nooit aan gedacht hadden: aanspraak, kleding, manieren, sneller reageren. De stad was wel een boeiende wereld, maar je eigenheid was verloren…

Drukker van het paradijs

Jaren na zijn dood verschijnt er een boek over zijn leven met als titel ‘De drukker van het paradijs.’ Als Hetty het boek leest, borrelen weer allerlei herinneringen op. Ergens op een pagina schrijft ze in de kantlijn:

…Hijwas niet hard genoeg. Dat was precies wat de familie hem verweet. Aanpakken is het wachtwoord, studeren en tentamens halen. Een doel voor ogen hebben. Doorzetten. Iedereen bemoeit zich ermee en het help niet…

Waren dit woorden over Henny Werkman of sloegen ze ook op haar eigen jeugd? Hoe dan ook. Henny had wel een doel voor ogen, maar het was een ander doel dan zijn familie voor ogen had.

Henny Werkman was er de persoon niet naar om met zijn neus in de boeken te zitten. Hij wilde iets met zijn handen doen, iets maken. Tekenen was zijn grote liefde, afbeeldingen maken op papier. Hij is diep onder de indruk van het werk van Vincent van Gogh die na zijn dood steeds meer bewonderaars krijgt.

Bij een foto van de jonge Werkman in een boek over zijn leven schrijft Hetty: …Het was de eerste foto die me opviel in het boek. Hij lijkt daar net op Stefanus, na een nacht doordraaien…

Wat moet hij doen om in zijn levensonderhoud te voorzien? In de kunst was voor hem geen droog brood te verdienen. Het was ook niets iets wat zijn familie zag zitten. Op school blonk hij naast Tekenen uit in Nederlands. Dat duwde hem in de richting van een baantje bij de krant. Hij wordt verslaggever bij het Groninger Dagblad en later de nieuwe Groninger Courant, maar dat is niets voor hem. Het voelt als een keurslijf waarin hij zijn creativiteit niet kwijt kan. En… hij wordt verliefd op Jansje Cremer, een blonde dochter uit een welgestelde familie. Wat moet ze met een journalist die rond moet komen van een hongerloontje? Het roer gaat om. Henny keert terug naar zijn grote passie waar hij voor heeft geleerd, het drukkersvak.

Na een tijdje koopt hij met geld van zijn moeder een kleine drukkerij in de stad Groningen. Hij weet er aanvankelijk een succes van te maken. Nu hij goed in zijn vel zit, krijgt hij ook de ruimte om zich als kunstenaar te ontwikkelen. Hij maakt tekeningen, schilderijen en vooral kunstdrukken die druksels worden genoemd en waarmee hij zijn naam weet te vestigen. Mooi om te vermelden is dat hij vanaf 1910 ook de Verkadeplaatjes ging drukken die onder meer door de echtgenoot van Hetty, Jan Voerman jr., werden getekend. Hij wordt lid van De Ploeg, een kunstenaarsvereniging uit het noorden van het land die vooral in het begin van de twintigste eeuw veel opzien baarde.

Het is bijzonder om opnieuw te zien hoe de verschillende families van Peter Voerman elkaar op dit soort punten raken.

Gefusilleerd

Hetty blijft de loopbaan van haar achterneef volgen, maar het voert te ver om hier nog uitgebreider op het leven van Henny Werkman in te gaan, hoe verleidelijk dat ook is. Anderen hebben al uitvoerig over hem geschreven.

Ter afsluiting alleen nog het volgende. Tijdens de Tweede Wereldoorlog sluit hij zich aan bij het uitgeverscollectief De Blauwe Schuit. Onder deze vlag brengt Henny druksels uit die in bedekte vorm kritiek leveren op de Duitse bezetter. Het zou hem zijn leven kosten.

Aan het eind van de oorlog wordt hij gearresteerd. Nog geen maand later wordt hij op tien april 1945 in Bakkeveen gefusilleerd, als het kanongebulder van het Canadese leger bij wijze van spreken in de verte al is te horen. Een grafmonument in het Friese plaatsje vormt een blijvende herinnering aan deze dappere en vernieuwende kunstenaar.

Dit is een fragment uit het boek “Uit Zeeklei gebakken” over de families Mansholt, Louwes, Dijkhuis en Zijlma. Geschreven door Kees Opmeer en het is hier te koop.

Hendrik Nicolaas Werkman, ofwel neef Henny

Monument voor oorlogsslachtoffers waaronder Henny Werkman in Allardsoog bij Bakkeveen