Het jaar zonder zomer

We vonden ze overal in het lege huis, de flesjes Otrivin neusdruppels. Achter de kleren in de mooie mahonie klerenkast met ramen. Een kast die mijn broers en ik alle drie graag wilden hebben. Op het nachtkastje natuurlijk. In de keuken bij de kruiden. In de douche en in de bovenste la uit het Tante Edu-kastje waar de bijzondere spulletjes werden bewaard. Mijn moeder was een Otrivin veelgebruiker geweest en had als een echte verslaafde overal flesjes paraat. In 1996 waren het nog mooie glazen flesjes met een echte pipet. Veel mooier dan de plastic spuitflesjes van nu. We riepen naar elkaar als we weer een flesje hadden gevonden. Het was een kleine zonnestraal in een donkere periode; de nazomer waarin we de oude boerderij van onze ouders leegruimden. De zorgvuldig verbouwde Saksische boerderij met de grote leefkamer met daarin de hoge Lundia boekenkasten met honderden boeken waarvan de bovenste planken alleen te bereiken waren met een trapje. Honderden romans, allemaal door mijn moeder gelezen en vele geschiedenisboeken waaronder het complete werk van Lou de Jong. En dan nog de slaapkamer, logeerkamers en de schuren waarin de balen hooi voor de schapen lagen opgestapeld. De kleinkinderen vonden het heerlijk om er  op te klauteren en af te glijden.

En niet te vergeten de grote zolder. De zolder waar wij als kinderen bijna nooit kwamen. Er bleken grote stalen boekenkasten te staan vol met nog meer boeken en ordners. Er waren grote kisten met opschriften als P. Voerman en U.J.M. De legerkist van Paul Voerman, broer van  mijn opa en de reiskoffer van Ubbo Johan Mansholt, de opa waarnaar mijn vader werd vernoemd. De koffer is gebruikt op de reis die Ubbo Mansholt maakte als rijkslandbouwleraar naar Canada. Tijdens die reis werd hij ziek en hij zou op jonge leeftijd overlijden. Op de ordners stond vooral N.V. Rahder Machinale Turf, het bedrijf van mijn opa. En dan dozen en mappen vol studiewerk van mijn opa en van mijn overgrootvader Voerman, de kunstschilders. De nalatenschap van de familie Voerman, Rahder en Mansholt. Dat alles onder een laagje stof vermengd met stro en vogelpoep. De zolder was goed bereikbaar via de ûleborden op het dak. 

Het grote huis was akelig stil en voelde leeg. Maar we hadden al snel gemerkt dat we alle spulletjes nooit in onze eigen huizen kwijt zouden kunnen; de antieke meubelen, de boeken, de schilderijen. Mijn vader, die steeds meer last had van Parkinson, was plotseling gestorven en mijn moeder stierf zeer kort daarna op de dag van zijn begrafenis. Ze had haar Ubbo zo lang mogelijk geholpen met zijn ziekte maar na zijn dood zat die taak erop. De dag voor de begrafenis had ze nog verzucht dat ze niet wist hoe ze die dag zonder Ubbo zou moeten doorkomen. Mijn moeder die altijd alles aankon en nooit opgaf. Die ochtend lag ze vredig, maar dood in haar bed. Het boek over ‘De Westpolder’ dat we de dag ervoor hadden gekregen van de familie Mansholt nog in haar handen. We hadden een tochtje gemaakt naar Vierhuizen in de Westpolder waar een groot deel van de familie Mansholt ligt begraven en waar ook Ubbo een plekje had uitgezocht. Mijn moeder wilde zien waar Ubbo naar toe zou worden gebracht. Ze vond het een prachtig kerkhofje, maar zelf wilde ze in het dorp waar ze nu woonde begraven worden, onder de treurwilg.

Gevolg van een onverwacht overlijden is dat je niet de tijd hebt om alles te ordenen. Wat is voor het nageslacht en wat moet weg? Die keuze moesten wij nu maken. Over de meubels, het antiek en de schilderijen waren we het snel eens. Een deel om te verdelen en een deel voor de rest van de familie. Maar wat te doen met de dozen en mappen van onze voorouders? Mijn jongste broer ging rigoureus te werk. Hij laadde de aanhanger vol en reed veelvuldig naar de stortplaats in het nabijgelegen Oosterwolde. Een paar keer viste ik er nog wat schilderstudies uit. Alle drie hadden we jonge gezinnen en drukke banen. We hadden geen tijd en rust om alles op waarde te schatten. Het huis moest leeg en verkocht. We hadden nauwelijks tijd om na te denken over die voorouders. 

In het laatste weekeinde voor de verkoop van het huis nam ik de drie grote kisten mee. Ze kwamen terecht in de garage en later op de zolder van ons nieuwe huis “De Oude School” in Westervelde. De zolder liep door over het woonhuis, de oude bovenmeesterswoning en de twee klaslokalen. De kisten vielen er nauwelijks op. Toen de kinderen uitvlogen en we kleiner gingen wonen, kwamen de kisten weer in zicht. Onze nieuwe woning had helemaal geen zolder. Het was tijd om ze te openen, tijd om te ordenen, tijd om mee te nemen wat waarde heeft en achter te laten wat ballast is. Het ordenen heeft me 5 jaar gekost. Stapels brieven, schrijfsels van mijn oma Hetty Voerman-Mansholt, dagboekaantekeningen van mijn moeder, foto’s, tekeningen, testamenten, oude paspoorten en rijbewijzen, spelden, oorkondes, bedrijfsadministratie. Vaak heb ik me afgevraagd of die brieven en aantekeningen vol liefde, maar ook vol onbehagen voor mijn ogen bestemd waren. Als zoon van een lerares geschiedenis zie ik de levens van mijn voorouders ook in de tijd waarin ze leefden. De archiefstukken gaan terug tot circa 1850, de tweede helft van de 19e eeuw, een periode waarin Nederland het onder koning Willem III lastig had. Strenge winters, armoede, aardappelziektes, een tekort aan voedsel en een periode van grote politieke en culturele verschuivingen.

Dit verhaal begint met een vulkaanuitbarsting in 1815 die de hele wereld enkele jaren in het duister zet. Hoe het eindigt is nog onbekend, maar nieuwe tekenen van toekomstige uitbarstingen met wereldwijde gevolgen zijn er volop.

Het was de grootste uitbarsting van een vulkaan die de mens ooit had gezien. Net voor middernacht op de 10e april 1815 werd de top van de ‘Tambora’ op het eiland Soembawa in Nederlands-Indië weggeblazen. De vreselijke uitbarsting, heftiger dan duizenden atoombommen, was tot op een afstand van wel 2.500 kilometer te horen. Het eiland kwam op verschillende plaatsen meters uit de zee omhoog en werd bedekt met meters puin en as. Een hele cultuur verdween. 150 kubieke kilometer puin en vulkanische as kwamen in de atmosfeer terecht, dwars door de ozonlaag, 43 kilometer hoog.

Na twee maanden bereikte die vulkanische as Londen. Er waren bloedrode zonsondergangen gevolgd door zware regenbuien die niet meer leken te stoppen. Er viel zoveel regen dat de legers van Napoleon vastliepen in de modder bij Waterloo. Het bleek het einde van Napoleon, het einde van een tijdperk in Europa.

Het werd erger. Het nieuwe jaar 1816 werd later wereldwijd het jaar zonder zomer genoemd. In de zomer viel er sneeuw in Noord-Amerika en in Europa was er vanaf augustus nachtvorst. Veel ingezaaide velden kwamen niet tot bloei. De extreem lage temperaturen zorgden achtereenvolgens voor mislukte oogsten, hongersnood, voedselrellen en plunderingen. Het weer was jarenlang van slag waardoor in Nederland door alle stormen en regenval de dijken verzwakten. Na weer zo’n stormseizoen en een stormvloed ontstonden in 1825 ernstige watervloeden die half Nederland onder water zetten. 

Na drie jaar met misoogsten werd de gemiddelde prijs voor voedsel bijna 3 keer zo hoog. Hele volksstammen moesten buiten hun vertrouwde omgeving op zoek naar voedsel. Hongersnood en overstromingen veroorzaakten tyfus- en cholera-epidemieën. Het jaar zonder zomer zorgde alleen al in Europa voor de dood van 200.000 mensen. Veel mensen scheepten zich in voor een nieuw begin in Amerika. De nieuwe migranten trokken van de oostkust door naar het onontgonnen westen.

Uit as en chaos ontstaat vaak iets nieuws. Het bestuur kreeg een nieuw gezicht, omdat overheden inzagen dat ze een taak hadden om inwoners te ondersteunen. Het is niet toevallig dat in deze periode in Nederland de Koloniën van Weldadigheid ontstonden.

Nieuwe middelen van vervoer, zoals de fiets, werden bedacht, omdat door het aanhoudende tekort aan voedsel veel minder paarden konden worden ingezet. Wetenschappers gingen aan de slag om nieuwe misoogsten te voorkomen en de landbouw te vernieuwen met nieuwe, sterkere gewassen en kunstmest.  Er was een grote belangstelling voor studies naar klimaat en vulkanologie. En de rampen waren inspiratie voor nieuwe uitvindingen, zoals het reddingsvest en pijnstillers. Zelfs in de wereld van de kunst was er een onverwachte, misschien wat duistere bloei. Vanwege het slechte weer zaten schrijvers, zoals die van Frankenstein, binnen en bedachten de meest vreselijke griezelverhalen. Kunstenaars als de Engelse schilder William Turner schilderden dreigende landschappen met roodzwarte luchten.

De periode, in het eerste kwart van de 19e eeuw, was ook voor mijn voorouders aanleiding om nieuwe stappen te zetten. Aaltje Schraat zakt met haar familie vanuit Duitsland de IJssel af naar waar de rivier in de Zuiderzee stroomt bij het Kampereiland. Alle bezittingen van de familie Schraat, inclusief de beesten en de dienstmeid bevinden zich op het schip. Daar trouwt de levenslustige jonge vrouw met boerenzoon Reinder Voerman. Een paar jaar later krijgen ze weer te maken met een grote watersnood die bijna alle boerderijen rondom Kampen wegspoelt.

Op de terpen in Noord-Groningen zoals ‘Ewer’ bij Zuurdijk en bij Vierhuizen waren de boerenfamilies Hopma, Zijlma en Dijkhuis druk doende hun voeten en landerijen droog te houden. Grote stukken land werden ingepolderd. En hoewel er nog vaak overstromingen waren werd er veel nieuwe landbouwgrond bijgewonnen, zoals in de nieuwe Westpolder waar grote boerderijen werden gebouwd. 

Even verderop in Wedde koopt notaris Koning, wiens zaken niet zoveel schade oplopen door het barre weer, de burcht in Wedde. Een steviger woonhuis is niet denkbaar. Vlak over de grens in de delta van de Dollard krijgt de jonge boerenzoon Ubbo Mansholt langzamerhand genoeg van de vele overstromingen. Hij zal echter pas 50 jaar later met zijn hele gezin naar hoger gelegen gronden bij Eexta in Groningen vertrekken. 

Tot slot de familie Rahder die aan het einde van de 18e eeuw vanuit Mülheim in Amsterdam zijn beland waar onder de naam “De weduwe Rahder” een succesvolle wijnhandel is gestart. Ook de jonge Johan Coenraad Rahder zoekt een nieuwe uitdaging en smeedt plannen om een avontuur te beginnen door turf te gaan winnen in het woeste hoogveen van het nog lege Drenthe. De nieuwe tijd heeft brandstof nodig voor haar stoommachines.

Het was een tijd waarin mannen nog de koers bepaalden, maar vrouwen zich geleidelijk gingen roeren. De vrouwen van de boeren in het Groninger land hadden al min of meer een gelijkwaardige plek in de familie en in het bedrijfsleven, maar ook in het onderwijs en de zorg eisten vrouwen hun plek op. Anna Verkade en de Mansholtvrouwen waren voorlopers en hadden een aandeel in de vooruitgang met hun inzet voor het vrouwenkiesrecht en beter onderwijs.

In de veelal slecht verlichte en slecht verwarmde huizen was er een groot verlangen naar een nieuwe tijd met meer licht. Maar om succesvol aan het duister te ontsnappen is beweging noodzaak. En de wereld kwam in beweging. Ik begin het verhaal van mijn voorouders daarom vanaf het jaar zonder zomer. Vanuit de chaos in het eerste kwart van de 19e eeuw naar een nieuwe chaos: het huidige eerste kwart van de 21e eeuw. Een tijd waarin ondanks nieuwe vooruitgang en welvaart veel mensen meer ontevreden en boos zijn dan ooit. “Het is niet dat we het niet goed hebben, maar we weten niet meer hoe het beter kan!”

Familie Rahder voor “Huize Blokland”

Foto van de familie Rahder voor ‘Huize Blokland’ in Noordscheschut circa 1896: Met v.l.n.r. Dien (G.W.) Rahder (1876-1964), ‘jonge’ Jan Rahder (1858-1924), Margje Rahder – van Veen (1844-1925), ‘oude’ Jan Rahder (1834-1898), Lodewijk (F.L.) Heil (1865-1943), Leo (L.W.) Heil (1894-1980), Mien (W.P.C.) Heil – Rahder (1872-1945).

‘Oude’ Jan Rahder woont in 1896 met zijn tweede vrouw Margje Rahder – van Veen (1844-1934) op Huize Blokland. Hij heeft het gekocht van zijn jongere broer J.C. Rahder jr. die naar Amsterdam verhuisde om er wijnhandelaar te worden. Na de dood van oude Jan in 1898 verkoopt zijn vrouw Margje het huis aan Jan’s jongste broer die ook Jan heet (jonge Jan). Jonge Jan (mijn over-grootvader) ging er wonen met zijn vrouw Jentje Thomas, de dochter van molenaar Jacob Thomas ook uit Noordscheschut. Tussen de geboorte van oude Jan en jonge Jan zit 24 jaar. Ze waren de oudste en jongste uit het verveners gezin J.C. Rahder en W.P.C. Van Voorthuijsen dat in totaal uit 18 kinderen bestond.

Foto uit archief Lington/ Heil

F90 Familie Rahder voor Blokland ca 1985 zw-Colorized

Boek over de familie Rahder

Mijn familieverhaal wordt door schrijver Kees Opmeer en mijn zoon Tijs Voerman vastgelegd in drie boeken. In juni 2020 verschijnt het boek over de familie Rahder. Daarna in 2021 volgt deel 2 over de Familie Voerman – Verkade en in 2022 deel 3 over de families Mansholt, Louwes, Zijlma en Dijkhuis uit Noord Groningen. Deel 1 is alvast te bestellen voor een introductieprijs van € 25 via Ga Creatief

Vooraankondiging-uniek-boek--'Hoe-de-Rahders-Drenthe-veranderden'-small

Een dubbele beproeving

In 1850 verhuist het gezin van Coen Rahder, wijnkoper in Amsterdam, en zijn vrouw Willemina Rahder – Van Voorthuijsen naar Drenthe om er te gaan vervenen. Huize ‘Nieuweroord’ wordt de uitvalsbasis voor de vervening in de Tiendevenen. Rondom ‘Huize Nieuweroord’ ontstaat een nieuwe veenkolonie dat ook Nieuweroord wordt genoemd. In 1851 zijn er al 20 arbeiderswoningen gebouwd. De nieuwe maatschappij koopt in 1850 ongeveer 1.400 hectare veengrond aan rondom Nieuweroord en Nieuw-Balinge. In 1855 wordt nog eens 35 hectare aangekocht ten noorden van de Hoogeveensche Vaart.

Het nieuwe oord brengt het gezin Rahder nog geen geluk. Ondanks het gegeven dat ouders gewend zijn dat veel kinderen in die jaren niet oud worden, klinkt het verdriet en de wanhoop door in een stervensbericht dat op 15 december in de Drentse en Asser Courant staat.

“God sterkt ons bij deze dubbele beproeving. De 11e is onze jonge lieveling Willemine Petronella Cornelia oud 2 en een half jaar van ons opgeëischt en nu de 14e hebben een nieuw offer gebragt ons daaropvolgende dochtertje Christina Lydia in den leeftijd van 5 jaren”.

Als woonplaats van de overleden kinderen worden de Westerborker- en Broekvenen genoemd. Nieuweroord heeft zijn naam kennelijk dan nog niet gekregen. In 1854 sterft ook de jonge Willem op twaalf-en-een-halfjarige leeftijd. De omstandigheden zijn rond 1850 niet ideaal voor jonge kinderen en kraamvrouwen. Er zijn besmettelijke ziekten als cholera, tyfus en zelfs malaria en het drinkwater is ook niet best. Elf kinderen Rahder blijven in leven. De oudste 8 kinderen zijn net als hun ouders geboren in Amsterdam en Baambrugge. De jongste vier zonen Marinus, Nico, Lydius en Jonge Jan zijn geboren in Drenthe. Tussen oudste zoon Jan die in 1834 in Amsterdam wordt geboren en zoon ‘jonge’ Jan zit een leeftijdsverschil van 24 jaar.

Voor de oudste Jan, die nog in een net pak met blauwe knopen naar de Amsterdamse beurs ging, is de verhuizing het meest ingrijpend. Het leven in Drenthe is totaal anders dan in de grote stad. In de omgeving van Nieuweroord en Noordscheschut zijn nauwelijks winkels waar je kleding en voedsel kan kopen. Veel Drenten verbouwen hun eigen voedsel. Jan heeft weinig aansluiting met leeftijdgenoten. Aanleiding voor zijn ouders om hem en later ook hun andere kinderen in hun tienertijd een aantal jaren naar de kostschool te sturen. ‘Oude’ Jan zal altijd de meest ‘stadse en aristocratische’ Rahder blijven.

De J.C. Rahderschool in Tiendeveen

In 1850 komt Johan Coenraad (Coen) Rahder met zijn gezin naar Drenthe. Hij is wijnkoper maar begint aan een nieuw avontuur om turf te gaan graven in de Veengebieden ten oosten van Hoogeveen. De nieuwe plek voor de directeurswoning is mede uitgezocht door Coen’s echtgenote Wilhelmina Petronella Cornelia van Voorthuijsen (Mien). Ze heeft twee eisen waaraan de plek moet voldoen. Een goede dokter in de nabijheid en een onderwijzer voor de kinderen. Ze doet dat niet zonder reden. Voor de verhuizing hebben Coen en Mien in korte tijd twee kinderen verloren bij of kort na de geboorte. In Zuid-Drenthe zijn nog maar weinig artsen en de apothekers zijn lang niet allemaal goed geschoold. Zowel in 1853 als in 1866 zijn er cholera epidemieën mede vanwege de slechte hygiëne. Een ziekenhuis is er niet in Hoogeveen. Coen Rahder zal zich daar als lid van de gemeenteraad nog hard voor maken. De tweede wens vult Rahder zelf in. Om zijn kinderen maar ook de kinderen van de arbeiders, die dan nog regelmatig ook in het veen werken, betere kansen te bieden dan hun ouders “sticht hij in 1860 een schooltje en onderwijzerswoning in Tiendeveen op voor de gemeente Beilen zeer gunstige voorwaarden”, zoals Mr. C.L. Kniphorst het beschrijft in het eerste standaardwerk over de Verveeningen in Drenthe uit 1872. Het schooltje zal uiteindelijk in 1972 de ‘J.C. Rahderschool’ gaan heten. Inmiddels staat er in Tiendeveen een prachtig nieuw schoolgebouw “OBS Tiendeveen” maar nog steeds wordt J.C. Rahder geëerd in de schoolgids.

F27b-School-Tiendeveen-circa-1870

De Prins van Kattenburg

Willemina Petronella Cornelia (1813 – 1887) is mijn naamgeefster. Ze trouwde met J.C. Rahder die vanuit Amsterdam waar hij partner was in de wijnhandel de Weduwe Rahder en zoon, naar Drenthe verhuisde om daar vervener te worden. Willemina (Mien) is de dochter van een zakenrelatie van de Rahders, Jan Evertsz. Van Voorthuijsen, reder en houthandelaar op Kattenburg. Hij wordt ook wel ‘de prins van Kattenburg’ genoemd. Hij was een machtig en vermogend man wiens schepen van Kattenburg over het Pampus en het Marsdiep de wereldzeeën bevoeren. Er zijn nog steeds lakens van damast in de familie waarin het wapen van de Van Voorthuijsens is geborduurd. Kattenburg is een eiland aan de oostkant van Amsterdam dat in de eerste helft van de zeventiende eeuw in het IJ gedempt is. Het is in die tijd het domein van de Admiraliteit van Amsterdam, een orgaan dat zorgt voor de bescherming op zee van de koopvaardijvloot. Daarnaast zij er vele scheepswerven en de meeste arbeiders wonen ook op Kattenburg en worden ‘de Bijltjes’ genoemd, naar hun gereedschap. De bijltjes vormen een geheel eigen gemeenschap, zijn eigenzinnig en uitermate Oranjegezind. Ze roeren zich vaak en komen geregeld in opstand tegen de rest van Amsterdam. Het woord bijltjesdag vind daar zijn oorsprong.

Wilhelmina’s moeder is Jonkvrouwe Maria Anna de Villeneuve uit Leerdam. De familie is van adel en komt oorspronkelijk uit Frankrijk. Voorouders waren edelieden met hun eigen familiewapens zoals Jean de Villeneuve uit Masnosque (1642, Frankrijk) en Raymond Gaufried de Castelane (1266-1304) In die tijd bekende edelieden. Moeder Maria overlijdt in 1818 Mien is dan pas 5 jaar oud. Vader Jan hertrouwd en krijgt nog 5 kinderen.

Magne Pete

Jentje Rahder voelt zich, zoals haar ouders hadden verwacht, thuis in het studentenleven van Groningen. Ze is vol energie en vrolijk. Al bij de introductiedagen is ze lid geworden van de Vrouwelijke Studentenvereniging Magne Pete en de VCSB. In de jaaralmanak van Magne Pete over het studiejaar 1949-50 duikt haar naam voor het eerst op. Ze is lid van de literaire faculteitsvereniging. Ook Ubbo Voerman staat genoemd als ab actis van het bestuur van de VCSB. Een jaar later is Ubbo praeses en Jenneke lid. Jenneke is dan ook lid van de VCJC en, tot vreugde van vader en tuinliefhebber Jaap. lid van de Tuicommissie.

Met de VCSB vergaderen ze overal, ook in Jenneke’s huis ‘de Tippe’ in Nieuw Amsterdam. Jenneke’s hartsvriendin Truus van Zanten is lid van de Academische Lichamelijke Opvoedings Commissie.
Vanaf 1952 is Jenneke lid van het bestuur ook als ab actis. Ze staat als een nette jonge vrouw op de foto in het jaarboek. Van dag tot dag is in de jaaralmanak beschreven wat de bestuursleden doen. Aanzitten op een diner ter ere van Hare Majesteit de Koningin in de Statenzaal van het Provinciehuis. Aanwezig bij de overdracht van de oude naar de nieuwe rector Magnificus. Inzamelingsactie organiseren voor de slachtoffers van de watersnoodramp in Zeeland. In een landauer rijden naar feestjes in de stad. Verhuizen naar een nieuw clubgebouw. Te paard met het vaandel van Magne Pete door de straten van de stad. Met de Eettafelcommissie zorgen voor goede studenten maaltijden in de Mensa. Er zijn vele foto’s en kaartjes van diners en lunches. Op foto’s is te zien dat Jenneke straalt. En tussen alle activiteiten door haalt ze in 1953 ook nog haar kandidaats Geschiedenis.

De Kracht van goed onderwijs

Eindelijk is er tijd op met mijn familieverhaal te gaan schrijven. Ik ben vele dagen naar het archief geweest, gezocht op internet, boeken gelezen en ik heb mijn eigen archief uitgepluisd en geordend. Op zoek naar de laatste puzzelstukjes. En zodra ik begin met schrijven zie ik iets dat mijn voorouders verbindt. De kracht van goed onderwijs. Het begint al met over-over grootmoeder Hilje Hopma die in 1814 van haar moeder de kans krijgt om in de Franse tijd wat langer naar school te gaan. Ze leert Frans en een nieuwe wereld gaat voor open. Ze is een van de eerste boerenvrouwen die een eigen boekenplank heeft in huis. Haar dochter Henriette krijgt dezelfde kans op onderwijs, zoals veel andere meisjes en vrouwen in de Marne en het Oldambt. Herenboeren en boerinnen lezen veel en er zijn volop boeken en leesclubjes waar men de literatuur bespreekt. De welvaart van de boeren in die tijd is daar een direct gevolg van.

Dan Derk Mansholt die rond 1850 in het gehucht Ditzummerhammrich op een klein schooltje met 80 kinderen in één klaslokaal lessen natuur- en scheikunde krijgt van een inspirerende leraar die later professor zal worden aan de Universiteit van Hannover. Het is de basis voor zijn werk om landbouwproducten te verbeteren. Hij stuurt zijn zonen later naar de eerste Landbouwuniversiteit in Nederland. De familie zal Statenleden en ministers afleveren tot in het Europese parlement. Zijn dochter Theda is de grondlegger voor het huishoudonderwijs voor meisjes.

Dan Jan Voerman Sr. die in Kampen wordt begeesterd door zijn tekenleraar Belmer die zijn talent herkent en stimuleert. Een boerenzoon wordt kunstschilder. En Edu Koning die tijdens de lange winters in de afgelegen Borch te Wedde privéles krijgt van haar vader en notaris Johannes Koning. Ze mag als ze ouder is reizen maken naar Duitsland waar ze haar talen leert. Haar dochter Anna Verkade start een eigen schooltje in Hattem waar ze kinderen met leerproblemen helpt. Ook geeft ze vrouwen les in hygiëne en opvoeden. Het kindersterftecijfer in Hattem is in die periode veel lager dan de omgeving. Samen met dochter Edu verdiept ze zich in de lessen van Maria Montessori.
De familie Verkade die voor kinderopvang zorgt in haar fabrieken aan de Zaan. Kinderen van werknemers krijgen daar ook lessen in van alles zodat ze goed voorbereid zijn als ze naar school gaan.

Een andere voorvader, Jan Coenraad Rahder, sticht als vervener in Drenthe halverwege de 19e eeuw een schooltje in Tiendeveen waar de kinderen van zijn arbeiders naar toe kunnen. Het schooltje droeg lang zijn naam, de J/.C. Rahder school. Overgrootvader Hendrik Uiterwijk pleit in het begin van de 19e eeuw als gemeenteraadslid in Hoogeveen voor betere salarissen voor de onderwijzers. Zijn dochter, en mijn oma, Femmy Rahder – Uiterwijk wordt zelf ook onderwijzeres. Mijn andere Oma Hetty Voerman – Mansholt is jarenlang bestuurslid van het landelijk Montessori onderwijs.

En dan natuurlijk mijn moeder Jenny die veel generaties inspireert met haar lessen geschiedenis en maatschappijleer. Ook haar kinderen worden ermee besmet ook al zijn de verhalen over Jane d’Arc en de vele kastelen en kerken, iedere keer als we op vakantie zijn in Frankrijk, soms te veel van het goede. Mijn vader Ubbo die als kinderrevalidatie arts op Lyndensteijn een school startte om de kinderen die er langdurig opgenomen werden toch een goede opleiding te bieden.

Ik doe ook mee, als is het bescheiden en aan het einde van mijn loopbaan. Vanuit de Drentse regiegroep Onderwijskwaliteit, met beleidsmakers en bestuurders van gemeenten en onderwijsbestuurders, met als instrument de Onderwijsmonitor, zien we iets vreemds: de Drentse jeugd doet het goed bij de eindtoetsen in het basisonderwijs. Maar dan kiezen ze vaker dan elders voor een schoolloopbaan onder hun niveau. Het zijn zowel ouders als leraren die te voorzichtig keuzes maken. Zo missen deze kinderen kansen. Dat kan beter. Juist kinderen in Zuid en Oost Drenthe, waar al jarenlang veel armoede en werkeloosheid is, verdienen kinderen het beste onderwijs. Na mijn jarenlange werk in de jeugdzorg ben ik ervan overtuigd dat goed onderwijs aan de basis staat voor een gelukkig en zinvol leven. Met goed onderwijs vinden kinderen gemakkelijker werk dat bij hen past. Met goed onderwijs is er minder (jeugd-) zorg nodig. De Regiegroep maakt daar een plan voor. Meer aandacht voor het kind en de ouders. Een goede verbinding met welzijn en zorg. Betere faciliteiten in de klas. Goede overgangen van voorschool naar het basisonderwijs en daarna weer van basisschool naar het voorgezet onderwijs. Een positieve sfeer op school. Werken met methodes die kinderen aantoonbaar verder helpen zoals de Weekend school. Er gebeuren al heel veel mooie dingen in het onderwijs, laten we die meer aan elkaar zien. Het plan zal slagen.