Mijn overgrootvader Jan Voerman Sr. (1857-1941) was de jongste zoon vrije stadsboer Gerrit Voerman uit Kampen. Het ouderlijk huis aan de Achterstraat deed ook dienst als winterstal voor het vee. Als jonge jongen maakte Jan Voerman al tekeningen van het vee, vooral van de koeien. Hij tekende op de papiertjes die om de medicijnen zaten van zijn moeder die vaak ziek was. Later tekende hij ook de paarden. Om te zien hoe de houding was van hun voeten tijdens de draf lag hij op zijn buik in het weiland.
Toen Jan Voerman, na zijn studie in Amsterdam, in Hattem ging wonen hield hij daar, in zijn grote achtertuin, ook kleinvee en zelfs een paar koeien. Op zijn schilderwerk zien we vaak de IJssel onder prachtige wolkenluchten maar er zijn ook vaak koeien en soms paarden te zien. Als kleine jongen vond ik die schilderijen met de koeien, vaak half in het water van de IJssel staand, het allermooist.
Kijk voor meer verhalen uit het privé archief over vader en zoon Jan Voerman in het boek “Gevangen in een paradijs” geschreven door Kees Opmeer. Het is hier te bestellen.
Jan Voerman Jr. (staand geheel links) in 1913 op de Akademie der Kunsten in Amsterdam. De lessen werden gegeven door schilders Marius Monnickendam en Spoor. Jan moest staan terwijl híj dat in zijn eigen atelier nooit deed. Hij moest achteruit kunnen stappen om zijn werk beter te overzien. Hij leerde zo ook om afstand te nemen van wat hij in Hattem had gedaan. Jan kreeg zo de mogelijkheid om te gaan experimenteren.
Net als zijn vader wilde mijn opa Jan Voerman Jr. hij naar de Akademie der Kunsten in de hoofdstad, maar hij wilde niet wachten totdat hij toelatingsexamen kon doen. Hij vond de tijd rijp om het benauwende paradijs in Hattem te verlaten waarvoor hij een haat-liefdeverhouding had ontwikkeld. Hij wilde daar weg, maar hij kon het ook niet missen.
Wat hielp was dat zijn broer Tijs in Amsterdam een baan had gevonden en daar onderdak had gevonden. Tijs woonde in de Marnixstraat, vlakbij het Leidse Plein, waar hij over 2 kamers beschikte, een woonkamer en een kleine slaapkamer. Hij had er geen bezwaar tegen dat Jan bij hem introk. Jan sliep op de divan in de woonkamer.
Begin 1912 had mijn opa de Akademie al aangeschreven om toegelaten te worden, maar hij kreeg pas antwoord op 19 december 1912. In afwachting daarvan had hij een plaats gevraagd in het atelier van kunsthistorica freule De Jonghe waar leerlingen les kregen van de schilders Monnickendam en Spoor.
Het antwoord was als volgt:
‘Het toelatingsexamen wordt slechts één maal per jaar afgenomen, en wel ongeveer eind september, begin oktober. Door dit toelatingsexamen krijgt men toegang tot de Eerste Teekenklassen. Men kan zich echter onmiddellijk opgeven voor een hoogere klasse. Voor de Groote (Tweede) Teekenklasse vraagt dit een tekening naar torso (antiek). Men kan dus niet midden in een loopende cursus invallen. Maar wel is het mogelijk de wintercursus te volgen en ’s zomers in Hattem buiten te schilderen, wat, dunkt mij voor U onder de uitmuntende leiding van Uw vader, een groot voordeel is.’
Jan Jr. heeft in 1913 examen gedaan voor de ‘Groote (Tweede) Teekenklasse’. Voor de somma van Honderd Gulden mocht hij ‘alle lessen van den Cursus 1913/14 bijwonen’. Het diploma is gedateerd 28 november 1913…
In de nalatenschap van mijn opa vond ik onderstaande studie. Het is, zo te zien, het doek waaraan het meisje op bovenstaande foto (zittend 1e van links) werkt. Hoe dit bij mijn opa is terechtgekomen weet ik niet.
Lees hier meer over de studietijd van Jan Voerman Jr. in Amsterdam
Marinus Rahder begint met zijn zwager Johannes Meyes (1829-1922) een steenbakkerij in Tiendeveen. Marinus is de 7e zoon van Coen Rahder, grondlegger van de Rahder turfmaatschappij NV en Willemina Rahder-Van Voorthuysen. Johannes Meyes stamt uit een geslacht van reders in Amsterdam die bevriend zijn met de familie Van Voorthuysen. In 1867 worden al voorbereidingen getroffen voor de steenbakkerij. Die zijn dan nog geheim, zoals blijkt uit een brief van moeder Mien Rahder aan haar dan 16 jarige zoon Marinus die dan op de kostschool zit in Wijk bij Duurstede:
“Vader heeft een uitstapje gemaakt naar Rijssen, gij lieden weet immers dat Jan Meyes zoo’n lust heeft om eene steenbakkerij hier op te zetten? Maar bedenk toch vooral dat het een groot geheim is dus dat gij er met geen woord met wie dan ook over spreekt. Want ten eerste is het nog niet zeker en ten tweede weet niemand in Amsterdam er nog een kiezel van”.
Later blijkt het plan toch serieus te worden opgepakt en Marinus wil wel meedoen blijkt uit een brief van Mien aan Marinus uit 1868.
“Er zijn al vier steenbakkers gekomen die al druk bezig zijn om de boel klaar te maken, dus lieverd uw werk en administratie kan al dadelijk een aanvang nemen”.
Marinus start de steenbakkerij in de zomer van 1869. Zijn vader had al sinds 1854 een vergunning. Er staan grote advertenties in de Hoogeveensche en Asser Courant van de Steenbakkerij Valkenheim. De zaken gaan echter niet zo goed. De Drentse leem is beduidend minder dan de zee- en rivierklei. De stenen verkopen slecht. In 1872 staat er een bericht in de Hoogeveensche Courant dat de steenbakkerij nog niet aan de verwachtingen voldoet. Herbert verkoopt de zaak datzelfde jaar aan Janse en Boogerd. In 1889 gaat de steenbakkerij failliet.
Marinus trouwt met de welgestelde vervenersdochter Johanna Cornelia van der Lely. Ze gaan in 1887 wonen in het huis Veenendal in de Hoofdstraat in Hoogeveen. Het huis is daar in 1653 gebouwd door jonkheer Johan van Echten, zoon van de stichter van Hoogeveen Roelof van Echten. Johan zag in dat niet Echten, zoals zijn vader had gehoopt, maar Hoogeveen het centrum van de turfhandel zou worden. Marinus verbouwt het huis grondig en wordt boom- en rozenkweker. Hij noemt de firma die hij samen met partner Post bestiert “De Lelie”. Hij verwerft bekendheid en wint prijzen met zijn rozen. Vanaf 1887 klust hij bij als hoofdagent voor een maatschappij die handelt in levensverzekeringen en is hij correspondent bij de Nieuwe Drentse Volksalmanak.
Op 5 september 1895 verzorgt Marinus de bloemen bij het bezoek van de koninginnen Emma en Wilhelmina aan Hoogeveen. Bij zijn huis, waar de oranjevlag en de vlag van Waldeck Pyrmont zijn opgehangen, bieden zijn vrouw en dochter Miesje de koninginnen nog een boeket bloemen aan.
Maar in het zakendoen is Marinus toch minder gelukkig. In de Hoogeveensche Courant van 26 november 1896 staat een advertentie van Mr. F.L. Tonckens.
“Bij vonnis der Arrondissements Rechtbank te Assen van 24 November 1896 is de Heer Marinus Rahder Rozenkweker te Hoogeveen verklaard te zijn in staat van faillissement”.
Hij is ook gedwongen persoonlijk bezit te verkopen. Is Marinus in de problemen geraakt omdat hij in 1890, net als zijn andere familieleden, nog 6 aandelen van de Rahder N.V. heeft gekocht voor een bedrag van 2.700 guldens? Marinus verkoopt het huis Veenendal in 1898 en leeft nog een paar jaar tot hij, net als zijn meeste familieleden, vrij jong sterft in 1904. Hij is dan 53 jaar oud. Zijn vrouw Johanna overleeft hem vele jaren.
Mijn oma Hetty Voerman-Mansholt (1898-1987) heeft het interieur van de boerderij van haar opa en oma Mansholt ‘Torum’ nauwkeurig beschreven.
Je kwam binnen door een brede gang met zachte biezen matten en vele tussendeuren. Een van de deuren gaf toegang tot een ‘alkoofachtige’ kamer waar een enorm hemelbed met groene gordijnen stond. Dubbele glazen deuren kwamen uit op het balkon. Aan de andere kant van de gang bevond zich een lange smalle kamer waar oom Bert sliep. Daarnaast lag een grotere kamer met grote kasten en twee bedsteden. Dit was de logeerkamer voor de kleinkinderen. Achter die kamer was nog een kleine slaapkamer voor ‘Teeke’ zoals tante Theda werd genoemd.
De voorkamer was de pronkkamer, zoals in veel statige boerderijen, en verboden terrein voor de kinderen. Ze mochten er alleen komen als er volwassenen bij waren. Hetty had de neiging om op haar tenen te gaan lopen, zo deftig vond ze deze pronkkamer. In het midden stond een grote tafel van mahonie met rondom zware stoelen die versierd waren met prachtig houtsnijwerk. Tegen de muur stond een sofa die kenmerkend was voor de negentiende eeuw; weelderig bekleed en voorzien van ietwat protserige ornamenten. Hetty durfde er niet op te zitten. Aan de muur met het kleurrijke behang vol bloemen hingen de familieportretten. Voor een van de vier met blinden gesloten ramen stond een piano. Wat de meeste indruk maakte was de grote klok met het beeld van Adam die de wereld torst, omgeven door engelen, de zon en de maan.
Sommige beelden van opa zijn haar altijd bij gebleven.
…Opa zat in de huiskamer aan zijn bureau te schrijven. Hij had een barometer en boeken en papieren om zich heen verspreid, want hij was erg knap en kon het weer voorspellen. Hij schreef in de krant en hij schreef ook boeken. Oom Bertus had de leiding over het werk op de boerderij. Tante Theda deed de huishouding. Beide waren ongetrouwd.
Al gauw werd de tafel gedekt voor het middageten. Opa zat in zijn armstoel en Oma zat op een stoel die een erg hoge en rechte rug had. Zelfs als er thee werd gedronken zaten de anderen mensen op ‘gewone’ stoelen om de tafel. Voor kinderen werd een laag voetenbankje op een stoel gezet en dat wiebelde. Boven de tafel hing de petroleumlamp met de wit porceleinen kap en drie gietijzeren krularmen. En in de hoek stond de mand voor Nellie, Oom’s hond…
‘Een machtige persoonlijkheid’
Wat Hetty zich als klein meisje nog goed herinnerde was de rol die muziek in Torum speelde. Vanuit zijn jeugd in Duitsland had opa Derk zijn smaak voor goede muziek meegebracht. Componisten als Beethoven en Brahms waren favoriet bij hem. Maar muziek maken deed je niet alleen, vond hij. Hij nodigde graag andere mensen bij hem thuis uit om samen te zingen of een instrument te bespelen. In de weinige vrije tijd die hij had leidde hij zelfs een tijd een koor in het nabijgelegen Ulrum.
Muziek werd de kinderen met paplepel ingegoten. Ze zongen duetten of kwartetten en genoten van de liederen van Schubert en Schumann.
…Een door de hele schaar jongelui uit volle borst aangeheven Duits ‘Wändervögel’-lied was niet zelden een aanleiding om eens uitbundig pret te maken…
Torum was in de uitgestrekte Westpolder een oase van cultuur en wetenschap. Overal kwam je boeken tegen, schilderijen hingen aan de muur en in alle kamers vond je wel een muziekinstrument. De schrijver Multatuli kwam er regelmatig en ook nog voor langere tijd logeren. Iedereen in huis nam deel aan de levendige discussies over cultuur en politiek die niet zelden in een chaos van armgebaren en stemverheffing uitmonden, maar nooit in echte ruzie. En dat allemaal gestimuleerd door Derk die mensen met zijn uitgesproken en gedurfde standpunten wist te inspireren. Geen gemakkelijk man, weerbarstig soms, maar altijd boeiend.
… Een meisje van zeven jaar weet dit nog niet zo allemaal, maar zij voelt in die grootvader met zijn hangsnor en onderzoekende lichte ogen een machtige persoonlijkheid…
Dit is een fragment uit het boek “Uit Zeeklei gebakken” van Kees Opmeer. Het boek is hier te koop. Ook bij de boekwinkel te bestellen of bij de museumwinkel van Landgoed Verhildersum te Leens.
Hetty Mansholt (2e van links) met haar zus Ada (geheel links) en een neef en nichtje bij Torum
Met zijn Europese benoeming sloot Sicco een loopbaan van meer dan twaalf jaar als minister van Landbouw af. In zijn tijd als minister maakte hij ondanks zijn volle agenda in het weekend regelmatig tijd vrij om vanuit zijn nieuwe woonplek, een villa aan de prinses Marielaan in Wassenaar, naar zijn boerderij in de Wieringermeer te reizen. Voor de dagelijkse werkzaamheden op de boerderij had hij een bedrijfsleider in dienst genomen. Maar het boerenbloed stroomde nog steeds door zijn aderen. Hij verruilde zijn pak voor een overall en klom op de trekker. Aan zijn gezicht kon je zien hoe hij daar nog steeds van genoot.
Als minister had hij deel uitgemaakt van zes kabinetten. Het was een uitzonderlijk lange periode.
Maar nu wachtte Brussel. Dat betekende een heel ander leven. Hij moest verhuizen naar de mondaine Belgische hoofdstad; met frisse tegenzin, maar hij begreep dat hij geen keus had. Zijn boerderij in de Wieringermeer moest hij ook opgeven. Dat waren de regels vanuit Europa. Als lid van de Europese Commissie moest hij volledig onafhankelijk zijn. Geen nevenfuncties en geen eigen bedrijf.
Als eurocommissaris met de belangrijkste portefeuille hield hij vast aan de weg die hij als minister was ingeslagen. Het zou de basis vormen voor de Europese eenwording die door de Verenigde Staten, in de persoon van president Kennedy, waar mogelijk werd gestimuleerd. Diens belang was dat een verenigd Europa een stevige vuist kon maken tegen de dreiging van de Sovjet Unie.
Uitgebreide trukendoos Sicco liet er geen gras over groeien. Vanaf zijn eerste dag maakte hij zich sterk voor de garantie van vaste prijzen voor landbouwproducten, alsof hij de hete adem van opa Derk in zijn nek voelde. Deze vaste prijzen moesten voor de hele Europese markt gaan gelden.
Dat was nogal wat. De landen van de Europese Economische Gemeenschap moesten daarvoor bereid zijn veel keuzevrijheid op te geven. Ze stonden huiverig tegenover deze voorstellen van Sicco die een breuk met het verleden betekenden.
Maar als deze Groningse boer eenmaal iets in zijn kop had, liet hij niet meer los. Als voorzitter leidde hij de bijeenkomsten die eindeloos lang konden duren. Het deerde hem niet. Nu kwamen zijn kwaliteiten als politicus in volle omvang naar voren. Hij combineerde zijn kennis met een grote mate van intellectuele behendigheid en doorzettingsvermogen. Lichamelijk was hij ook niet kapot te krijgen, hoe lang de slopende bijeenkomsten ook doorgingen, soms tot wanhoop van zijn tafelgenoten.
Tijdens die marathonzittingen verloor hij nooit het overzicht. Als ver na middernacht de hoofden begonnen te hangen en de onderhandelingen vastliepen, omdat niemand door de bomen het bos nog zag, leek Sicco op te leven. Hij rekte zich uit, keek met een opgewekt gezicht de tafel rond en zei handenwrijvend: ‘Mijne heren, we schieten lekker op.’
Speelde hij een rol of meende hij wat hij zei? Hij heeft zich daarover nooit uitgelaten, maar we weten wel dat hij over een uitgebreide trukendoos beschikte.
In de brochure 100 jaar Sicco Mansholt, van boer tot eurocommissaris komen we de volgen
de passage tegen:
…Legendarisch waren de zittingen van einde 1961 en begin 1962, waarbij de Europese eenwording met grote stappen voorwaarts ging. Volgens de overlevering had Mansholt op een nacht in die periode slechts één velletje papier voor zich met daarop trefwoorden, krulletjes, haakjes en enkele aantekeningen in rood over wat de landen onderling konden ruilen. Overeenstemming was ver te zoeken. In een vijf minuten durende bedenktijd tekende Mansholt, in een uiterste poging een compromis te bereiken, nieuwe lijntjes op papier. Daarop vroeg hij uitsluitend met een ‘ja’ of ‘nee’ over het laatste voorstel te stemmen. Bij eventuele discussie zou hij zijn voorstel intrekken. De Duitse minister van Landbouw, Schwarz, die iets wilde zeggen, kreeg te horen dat hij achteraf mogelijk nog iets kon wijzigen, maar eerst moest er gestemd worden. Vijf landen stemden voor. Schwarz aarzelde, totdat iemand hem vroeg: ‘Ja oder nein, Herr Minister?’ Het antwoord van de excellentie luidde positief. ’s Ochtends om half zes openden de deuren van de vergaderruimte met een verheugend bericht: de EEG was de tweede fase ingegaan. Het waren de eerste afspraken voor de organisatie van een gemeenschappelijke markt voor granen, groenten en fruit, wijn, varkensvlees, gevogelte en eieren.
Nog op dezelfde dag na die ware marathonzitting ontspande Mansholt zich alweer tijdens werk aan zijn boot…
‘Bauernkiller’
De gevolgen van de gemeenschappelijke Europese markt waren ook voor ons land groot. Hoewel de landbouwproductie opzienbarend groeide nam het aandeel boeren en landarbeiders in de totale beroepsbevolking snel af: van 19,3 procent in 1947 naar 10,7 procent in 1960. En dat terwijl aan het eind van de negentiende eeuw nog meer dan de helft van de beroepsbevolking aan de landbouw was verbonden. Nederland was bezig zich in hoog tempo te ontwikkelen van een agrarische gemeenschap tot een land van industrie en diensten.
Het doortastende beleid bleek ook een schaduwzijde te hebben. De schaalvergroting en modernisering van de landbouw leidden tot een verschraling van het landschap. Europa werd er niet mooier op.
Een ander gevolg van zijn beleid was een toenemende onvrede onder boeren. Voor kleine boeren was het moeilijk het hoofd boven water te houden. De groeiende regelzucht van de Europese Gemeenschap was een doorn in het oog van de boeren. Waar bemoeit die lange Hollander zich mee?
Brussel en andere Europese steden werden het toneel van demonstraties waarbij het er soms gewelddadig aan toe ging. Aanvankelijk stond Mansholt hier nogal laconiek tegenover. Dit was nu eenmaal de prijs van noodzakelijke, ingrijpende veranderingen. Het kon niet anders. Boeren moesten verder kijken dan hun neus lang was. Hij onderschatte de frustraties die zich verder en verder opbouwden.
In Duitsland gaven boeren hem de bijnaam ‘Bauernkiller’. Andere landen van de EEG hadden zo hun eigen benamingen. Ook in Nederland broeide de onvrede als een ondergrondse veenbrand. In het Drentse Hollandscheveld, onder de rook van Hoogeveen, kwam het in maart 1963 tot een uitbarsting die bekend zou worden als de ‘Opstand der Braven.’ Leider van de boerenopstand was Hendrik Koekoek die kort daarna met zijn boerenpartij met drie zetels in de Tweede Kamer zou komen. Het was een signaal dat de traditionele partijen de belangen van boeren onvoldoende behartigden.
Sicco Mansholt was een neef van mijn oma Hetty Voerman-Mansholt (1898-1988) . Ze waren beide kleinkinderen van Derk Roelfs Mansholt. Dit is een fragment uit het boek “Uit Zeeklei gebakken” van Kees Opmeer. Het boek is hier te koop.
Sicco Mansholt werd bij een lezing in Duitsland geconfronteerd met boze boeren
Hendrik Uiterwijk was de vader van mijn oma Femmigje Rahder-Uiterwijk
Hij ondersteunde vanuit zijn kapperszaak in Hoogeveen veel sociale initiatieven. Geleidelijk drong tot Hendrik door dat hij de politiek in moest als hij werkelijk veranderingen wilde bewerkstellingen. Zijn politieke loopbaan begon hij als lid van de lokale liberale partij, met een sociaalliberaal programma. In 1916 werd hij met een overweldigend aantal stemmen verkozen tot lid van de gemeenteraad en op 31 augustus werd hij geïnstalleerd. Van de 913 uitgebrachte stemmen op zijn partij kreeg hij er 518. De andere kandidaten kwamen er niet aan te pas, waaronder lijsttrekker Ogterop. Of het nu hierdoor kwam of door zijn eigenzinnigheid, maar Hendrik kreeg het al gauw aan de stok met Ogterop.
De liberalen kwamen regelmatig in botsing met de overwegend christelijke gemeenteraadsleden. Vooral Hendrik, met zijn strijdbare, onbuigzame karakter had keer op keer aanvaringen met raadsleden en het conservatieve college van burgemeester en wethouders. Wat niet hielp was dat hij een bekend figuur was in Hoogeveen met uitgesproken opvattingen die zich al eerder zeer kritisch over het gemeentebestuur had uitgelaten.
Voor de raadsverkiezingen van 1919 wilde hij zich opnieuw beschikbaar stellen. Hendrik had de smaak te pakken. Deze verkiezingen waren de eerste die werden gehouden na invoering van de nieuwe Kieswet, waarmee het algemeen kiesrecht van kracht werd. Het betekende dat iedereen vanaf 25 jaar het recht had om zijn of haar stem uit te brengen, ook vrouwen. Het gevolg hiervan was dat alle partijen een lijst met kandidaten moesten opstellen. Ogterop kwam als eerste op de lijst te staan, Hendrik werd overgeslagen en was van de lijst verdwenen. Hij was er de man niet naar om dat te pikken en begon een eigen partij, de Groep Vrijzinnige Kiezers, waarop hij zichzelf als enig lid plaatste. Dat was een vergissing. Het kon zijn dat hij het nieuwe kiesstelsel nog niet helemaal had begrepen of dat hij zijn eigen populariteit had onderschat. Hoe dan ook, hij kreeg 391 van de in totaal 2262 uitgebrachte stemmen. Daarmee had hij genoeg stemmen voor 3 zetels, maar er was slechts één kandidaat, Hendrik Uiterwijk. Dat betekende dat de 2 andere zetels als restzetel naar andere partijen gingen. In dit geval kregen de door hem verfoeide christelijke partijen ARP en CHU ongewild van hem allebei een restzetel cadeau.
De Hoogeveensche Courant schreef hierover:
De heer Uiterwijk, die een paar maanden geleden uit de Liberale partij is getreden, was voor de gemeenteraadsverkiezing candidaat gesteld door een groep kiezers.De uitslag was, dat de heer Uiterwijk 391 stemmen op zich vereenigde, terwijl op de candidaten van de Liberale lijsten in totaal 312 stemmen werden uitgebracht.De heer Uiterwijk behaalde 2 maal den kiesdeeler en had bovendien een rest van 89 stemmen; de lijst had dus recht op drie zetels, doch aangezien de heer Uiterwijk de eenigste candidaat op de lijst was en deze lijst niet verbonden was met die van de Liberale partij gingen twee zetels voor links verloren.De stand van den raad is nu 11 rechts en 4 links, ze had kunnen zijn 9 rechts tegen6 links.
Hendrik was een eenzame vechter. Plan na plan legde hij voor aan de gemeenteraad als een soort moderne Don Quichot die tegen de windmolens van Hoogeveen vocht. Het waren voor die tijd vooruitstrevende plannen, maar hij kreeg er de handen niet voor op elkaar. Hij wilde extra geld beschikbaar stellen voor kindervoeding en kleding voor de minderbedeelden. Arme inwoners die hun energierekening niet of nauwelijks konden betalen wilde hij tegemoetkomen. Hij wilde meer vrouwen benoemen in de commissie voor toezicht op het lager onderwijs. Hij verdedigde zijn plannen met vuur en met ‘klare taal’ zoals er toen over hem geschreven werd. Het werkte niet, op een enkele uitzondering na. Zijn plan voor betere toiletten en drinkwatervoorziening in de armere wijken werd uiteindelijk wel overgenomen.
Een ander, klein succes viel ook in de Hoogeveensche Courant te lezen:
In behandeling komt het voorstel Kikkert, Uiterwijk, Ogterop om aan de gemeenteambtenaren, die een inkomen hebben tot f. 800,- een duurtetoeslag te verleenen van 6 pct.Het advies van B. en W. luidt afwijzend. Door de voorstellers wordt betoogd, dat deze toeslag alleszins billijk zal zijn.In stemming gebracht werd de duurtetoeslag met 7 tegen 6 stemmen aangenomen.
Door zijn kritische houding en vasthoudendheid bleef hij in aanvaring komen met het college van burgemeester en wethouders en andere raadsleden. Ze konden hem niet meer luchten of zien. Zijn populariteit onder zijn collega’s bereikte een dieptepunt toen hij zich luid en duidelijk druk maakte over betaalde bijbaantjes van de andere raadsleden.
Een voorbeeld van zijn strijdvaardigheid en volharding lezen we in een ander bericht van de Hoogeveensche Courant:
Ten slotte brengt de heer Uiterwijk in ’t midden dat hij in de vorige zitting er op gewezen heeft, dat de vergoedingen aan de militairen in Hoogeveen zoo laag zijn en er op aangedrongen heeft deze te verhoogen.Naar aanleiding daarvan heeft een plaatselijk blad (christelijke Hoogeveensche) gemeend zijn lezers te moeten vertellen dat dit niet in de raadsvergadering thuis hoorde maar bij de commissie te Assen. Spreker wil in deze vergadering constateeren, dat genoemd blad met opzet zijn lezers in dezen misleid, want ze dienen te weten dat de vergoedingen worden geregeld ten gemeentehuize en dat de burgemeester tenminste de 15 % toeslag kan verleenen. Dit laatste naar aanleiding van de circulaire van den Minister aan de burgemeesters.Spreker dringt nogmaals aan om deze toeslag te verleenen.De burgemeester verklaart, dat deze bevoegdheid wel degelijk bij den burgemeester berust.
In 1922 werd Hendrik plotseling ziek. Een paar dagen later, op 2 februari, overleed hij, slechts een paar dagen nadat hij 45 jaar was geworden. Het was zijn hart. Geld voor een fatsoenlijke begrafenis was er nauwelijks, maar de belangstelling voor zijn uitvaart op de oude begraafplaats aan de Zuiderweg in Hoogeveen was overweldigend. Onder een groot deel van de bevolking was Hendrik populair. De kranten schreven lovend over hem. Hij werd geroemd om zijn ‘onuitputtelijke bijdragen voor de gemeenschap.’ Later werd op deze begraafplaats een monument voor hem geplaatst dat nog steeds te bewonderen is.
In de gemeenteraad is lang vergaderd over de vraag wie de plaats van Hendrik, met zijn eenmanspartij, kon overnemen. Er was voor ons land een unieke situatie ontstaan. Pas na tien maanden werd Hendrik opgevolgd, ook door een liberaal.
Dit is een fragment uit het boek “Hoe de Rahders Drenthe veranderden” door Kees Opmeer. Het boek is hier te bestellen.
Anna Henriette Gezina Verkade (die later zou trouwen met Jan Voerman Sr.) was de oudste dochter van Ericus Verkade en Eduarda Thalia Koning. Ze werd geboren in Zaandam op 26 maart 1866. Uit een eerder huwelijk had Ericus al een dochter gekregen die naar Duitsland was verhuisd.
Anna werd als kind Annetje genoemd. Ik denk dat ze zich het meest verbonden voelde met haar moeder die afkomstig is uit een notarisgezin dat op een oude Groningse borg in Westerwolde woonde, niet ver van de Duitse grens. Voor iemand als ik die in Groningen is geboren en daar zijn eerste jeugdjaren heeft doorgebracht, was dat een waardevolle ontdekking. Mijn oma Hetty en haar familie kwamen ook uit Groningen.
Vlak voordat Anna 7 jaar werd, in de strenge winter van 1872 – 1873, werd ze erg ziek. Haar moeder zat dagenlang aan haar bed en vertelde verhalen om haar af te leiden. Favoriet voor Anna waren de verhalen over de borg waar haar moeder was opgegroeid. Eduarda vertelde beeldend over de prachtige omgeving van de streek Westerwolde met de bossen en beken en over de borg die in Anna’s beleving uitgroeide tot een sprookjeskasteel. Haar moeder moest Anna plechtig beloven dat ze een keer naar dat sprookjeskasteel toe zouden gaan dat net buiten het dorpje Wedde was gelegen.
En zo gebeurde het. In de zomer, toen Anna was opgeknapt, begon de reis met haar moeder naar het voor Anna verre, onbekende Groningen. Het was in die tijd een hele onderneming. Ze reisden met de trein via Oldenzaal naar Duitsland. Deze omweg was noodzakelijk, omdat Westerwolde als een oase van bos en prachtige natuur, door het veen met zijn vele moerassen was omsloten en daardoor toen nog nauwelijks op een andere manier was te bereiken.
Toen ze op het kleine station in Duitsland uitstapten, werden ze opgewacht door opa Johannes Sixtus Koning. Voor Anna was hij een soort sprookjesfiguur, deze grote, deftige man met zilverwitte haren en een lange zilverwitte baard. Opa Johannes was burgemeester geweest van Vlagwedde en werkte nu als notaris in Oude Pekela. Dat beeld van een sprookjesfiguur werd nog versterkt door het rijtuig met twee paarden ervoor dat op Anna en haar moeder stond te wachten.
Historicus en rijksarchivaris A.J. Feith beschreef Johannes Sixtus na een bezoek aan de borg als volgt:
…Nooit zal ik den aanblik vergeten, welke ons daar wachtte. In het oude poortje van den toren, den ingang van het huis, waarboven zich het gebeeldhouwde en kleurig geschilderde wapen van Schenck van Tautenburg vertoont, stond een kloeke rijzige figuur met zilverwitte haren en langen zilverwitten baard. Het was als een beeld uit vroegere tijden, hetwelk voor ons oprees, die oude zeventiende eeuwsche omgeving en die nobele grijsaard, die het, ‘formosa facies muta commendatio est’ tot een volkomen waarheid maakte. Die een wetenschappelijke oase creërde in een uithoek van het land. Die man was Mr. Johannes Sixtus Gerardus Koning, de bewoner en eigenaar van het slot te Wedde…
De uitspraak formosa facies muta commendatio est is een uitdrukking uit het Latijn dat zoveel betekent als een schoon gelaat is een stilzwijgende aanbeveling.
Er valt nog veel meer te vertellen over de boeiende figuur Johannes Sixtus en zijn voorouders, een eigen boek waard, maar ook hier moet ik me beperken.
In het rijtuig hobbelden Anna en haar moeder over de buitenwegen naar de borg in Wedde. Opa zat met wapperende haren op de bok en hield de teugels stevig vast. Anna voelde zich een echte prinses. Ze vroeg zich af of de kinderen in Zaandam haar avontuur zouden geloven.
Toen ze in de buurt van Wedde kwamen, kon Anna de toren van de borg al zien die hoog boven de bomen uitstak. De borg, die in 1360 werd gebouwd, was omringd door het water van de Westerwoldse Aa die als een heuse slotgracht bescherming bood. Over de lange oprijlaan en de ophaalbrug reden ze de borg binnen. Haar moeder had niets te veel verteld, de borg was een echt kasteel. Doodmoe van de lange reis en alle indrukken viel ze nog in het rijtuig in slaap.
Ze droomde dat ze een prinses was. Een prinses in een roze jurk die bijna de grond raakte met pofmouwtjes en strikjes. Ze woonde op een kasteel met een hoge uitkijktoren. Om het kasteel heen was water en verder alleen maar natuur, bossen en dieren. De koning was een lange man met witte haren en een witte baard die met een zware stem sprak, zoals het hoort bij een koning. En weet je wat het mooiste was? Ze hoefde niet naar school, maar kon de hele dag spelen. Glijden over de leuning van de lange trappen in het kasteel of verstoppertje spelen in het park bij de slotgracht. Elke dag mocht ze kiezen wat ze wilde eten . En later… later zou ze met een prins trouwen en heel veel kinderen krijgen, misschien wel vijf.
De volgende ochtend werd ze wakker in een nieuwe wereld, ver van het stadse leven in Zaandam. De familie op de borg ontfermde zich meteen over het lieftallige dochtertje van Eduarda. Tante Thalia en tante Dientje waren niet bij haar weg te slaan. De beide ongetrouwde dames woonden in het poorthuis net buiten de gracht. Tante Thalia was de oudste zus van Johannes Sixtus.
In Wedde had Anna de tijd van haar leven. Ze zou er nog veel aan terugdenken. Toen ze oud genoeg was, mocht ze op eigen houtje de lange reis naar Wedde maken. Ze heeft die reis vele malen gemaakt om daar ’s zomers van het leven op de borg te genieten.
Met beide ongetrouwde tantes ontstond een hechte vriendschap. Vaak maakten ze lange wandelingen in Westerwolde. Net als haar moeder is ze daar een echt buitenkind geworden. Ze bewonderde tante Thalia die prachtige tekeningen en schilderijen kon maken, net als haar vader en broers. Anna hield vooral van de afbeeldingen van de weelderige landschappen in de omgeving en de dieren en planten, zoals vlinders, kevers, bloemen en vruchten. Misschien dat ze daarom meteen dezelfde liefde voor de natuur herkende in de man op wie ze later verliefd werd, haar prins.
Sommige zaken worden steeds duidelijker voor mij. Het is niet alleen door mijn overgrootvader dat mijn opa een passie voor tekenen ontwikkelde. Het zat ook in het bloed van de familie van zijn moeder.
Een van de redenen dat ze zo graag naar de borg van Wedde reisde was de optimistische kijk die de beide tantes en de rest van de familie op het leven hadden. Het was altijd gezellig in Wedde. Er werd veel gelachen en het glas was altijd half vol. Die positieve ervaring heeft mijn overgrootmoeder meegenomen in haar leven met mijn overgrootvader die nogal eens aan de sombere kant kon zijn. Een passage in een brief aan haar moeder van 9 april 1910 laat zien hoe de familie Koning in het leven stond.
…In dit opzicht zijn we nu eenmaal anders moedertje. Het idealisme heeft u van de Konings – en al varieert uw kijk op zaken nogal eens – U ziet het liefst de dingen ‘mooi’. Dat is uw natuur hè, en als u daar gelukkig in is ben ik er blij om…
Een paar jaar voor haar overlijden heeft Anna de borg nog een keer terug mogen zien. …Het weerzien gaf haar een intense voldoening en was een gaaf slotaccoord van haar leven…
Dit is een fragment uit het boek “Gevangen in een Paradijs” over de kunstschilders Jan Voerman Sr, en zijn zoon Jr. en hun banden met de Families Verkade en Koning. Geschreven door Kees Opmeer. Het boek is hier te bestellen.
Derk Roelfs Mansholt heeft, ter ere van zijn vijftigste verjaardag, zijn jeugd in het Reiderland beschreven. Bineke Mansholt en Eliza Gussenhoven-Mansholt, twee van zijn achterkleinkinderen, hebben deze teksten vertaald en verwerkt in een boek onder de titel: ‘Jonge jaren tussen graan en slik.’ Het leert ons veel over de omgeving waarin Derk opgroeide en over zijn denkbeelden die van hem een Groninger boer maakte met een grote maatschappelijke betrokkenheid. Met zijn denkbeelden heeft Derk de kiem gelegd voor de loopbaan van zijn kleinzoon Sicco Mansholt die zich ontwikkelde tot een politicus van nationale en later zelfs internationale allure. Hieronder een fragment uit zijn lagere school tijd.
Lepel in zijn knoopsgat
Derk bezocht een plattelandsschool waar kinderen vanuit de hele regio naar toe gingen. Het was ongeveer een kwartier lopen naar deze school in het gehucht Aaltukerei, halverwege de dijkweg naar Ditzum. Hygiëne was ver te zoeken in dit bedompte gebouw met maar één ruimte waar alle kinderen les kregen, tachtig leerlingen, jong en oud bij elkaar. Dat was niet de ideale plek om goed te leren. Het was wel de ideale plek om kattenkwaad uit te halen met zijn vrienden. De arme leerkracht kwam ogen en oren te kort om de orde te handhaven. Voldoende aandacht voor iedere leerling was er lang niet altijd bij. Over die arme leerkracht die zoveel kinderen in toom moest houden, schreef Derk:
…De onderwijzer die zo karig werd betaald dat hij iedere avond bij één van de ouders aan moest schuiven voor zijn maaltijd, had de lepel in zijn knoopsgat…
Het was een zwaar en uitzichtloos leven voor deze onderwijzer, een leven waarin eenzaamheid en armoede de boventoon voerden. Van zijn salaris kon hij niet rondkomen. Hij bewoonde een kamer in een naast de school gelegen woning. Als een bedelaar ging hij ’s avonds bij de gezinnen van zijn leerlingen langs om zijn kostje bij elkaar te scharrelen. Dat waren de secundaire arbeidsvoorwaarden van die tijd. Er waren weken bij dat hij iedere dag hetzelfde te eten kreeg, vooral in de winter, zoals stamppot of wortels met spek.
De onderwijzer kreeg steeds meer last van sombere buien. Wat had hij voor toekomst? Uiteindelijk zag hij geen uitweg meer. Op een ochtend werd hij in zijn kamer gevonden, hangend aan een touw.
… De arme man was zo vermagerd dat hij het niet nodig vond een behoorlijk stuk touw te nemen, maar een stuk pakte waarmee destijds de ganzenveren werden samengebonden…
Deze tragische gebeurtenis heeft diepe indruk op de jonge Derk gemaakt. Maar ondanks de slechte omstandigheden op school heeft hij toch het nodige opgestoken, met dank aan de inzet van de onderwijzers. Het was zijn nieuwsgierigheid die hem verleidde om daarnaast veel aan zelfstudie te doen waardoor hij al met al behoorlijk wat kennis heeft opgedaan. Terecht was hij daar trots op.
Dit is een fragment uit het boek Uit Zeeklei gebakken geschreven door Kees Opmeer. Het is hier te bestellen of te koop via de boekwinkel of bij de museumwinkel van Landgoed Verhildersum
Deze maanden verschenen er drie mooie boeken met beelden en verhalen waarin onze familie wordt genoemd.
Het boek van Dirk Kome gaat over snelfotografie en bevat een foto van Derk Roelfs Mansholt en zijn kleinzoon Dirk. Wim Eikelboom schreef een boek met verhalen over de IJssel en bevat twee verhalen met foto over de kunstschilders Voerman. En Ed Buijsman maakte een boek over de Verkadelabums de Grootte rivieren en Waar wij wonen. Hij laat daarin zien hoe de plaatsen eruitzien die ooit door Jan Voerman Jr. en Jan van Oort werden geschilderd.