Henny Werkman ( 1882-1945) neef van mijn oma Hetty Voerman-Mansholt, ‘drukker van het paradijs’.

Buitenbeentje

In één van haar notitieblokken schrijft Hetty over haar neef Henny Werkman. Hetty’s moeder Grietje was goed bevriend met haar naamgenote Grietje Werkman-Louwes. Ze is een aangetrouwd familielid van haar vader Stefanus Louwes. Ondanks het leeftijdsverschil, Grietje Werkman is een stuk ouder, is er veel begrip over en weer. Wat een band schept is dat ze allebei op relatief jonge leeftijd weduwe zijn geworden.

Hetty kon zich haar tante Grietje nog goed herinneren van de vele bezoeken die ze haar brachten. Tijdens een van die bezoeken ging ze mee naar de nieuwe drukkerij van Henny Werkman, de zoon van Grietje. Hetty was nog een kind. Ze was een beetje bang voor Henny, deze 25-jarige man, het buitenbeentje van de familie.

…Ik had er geen zin in, als een echt kind, en van Henny kreeg ik een weinig aantrekkelijke indruk. Ik vond hem wat griezelig. Maar we moesten mee en toen zag ik voor het eerst in mijn leven de veelbesproken Henny. Hij leek me klein met een hoofd met weinig haar. Maar wel een baardje. Hij had een werkmanskiel aan. Met een glimlach begroette hij de familie en begon uitleg te geven over zijn werk, wat mij maar weinig interesseerde. Ik was 9 jaar en mijn zusje Ada 7 jaar…

Later schreef ze over hem:

…Henny werd geen nuttig lid van de maatschappij, niet als mijn zus Ada en zijn broers Pieter en Tinus. En ik eigenlijk ook niet. We wisten onze richting niet en hadden onze grond  nog niet gevonden. En de man die zo vaak een weg gewezen had, spanningen had helpen oplossen, gemoederen had gekalmeerd was er niet meer…

Wat Hetty als meisje niet had kunnen weten was dat haar achterneef zich zou ontwikkelen tot een spraakmakend kunstenaar. Ze ziet veel overeenkomsten tussen zijn leven en dat van haar. Ook Henny verhuist met tegenzin van het platteland van de Marne naar de stad. Zijn vader, veearts, overleed toen hij negen was. Hij liep een zware verkoudheid op tijdens een sneeuwjacht die eindigde in een longontsteking. In Groningen ging hij net als Hetty naar de middelbare school, maar hij voelde zich daar niet thuis en haakte na de derde klas af om een opleiding tot drukker te volgen. Hetty begreep hoe hij zich daar voelde.

…Een fantasierijke jongen moet zich daar eenzaam hebben gevoeld. De omgeving was ook geheel anders. Niet meer iedereen groeten en geen bekenden zoals in Leens, maar er waren veel vreemden. Werkman was geen notabel meer maar ook iemand zoals alle anderen. Er werden allemaal eisen aan ze gesteld waar ze nooit aan gedacht hadden: aanspraak, kleding, manieren, sneller reageren. De stad was wel een boeiende wereld, maar je eigenheid was verloren…

Drukker van het paradijs

Jaren na zijn dood verschijnt er een boek over zijn leven met als titel ‘De drukker van het paradijs.’ Als Hetty het boek leest, borrelen weer allerlei herinneringen op. Ergens op een pagina schrijft ze in de kantlijn:

…Hijwas niet hard genoeg. Dat was precies wat de familie hem verweet. Aanpakken is het wachtwoord, studeren en tentamens halen. Een doel voor ogen hebben. Doorzetten. Iedereen bemoeit zich ermee en het help niet…

Waren dit woorden over Henny Werkman of sloegen ze ook op haar eigen jeugd? Hoe dan ook. Henny had wel een doel voor ogen, maar het was een ander doel dan zijn familie voor ogen had.

Henny Werkman was er de persoon niet naar om met zijn neus in de boeken te zitten. Hij wilde iets met zijn handen doen, iets maken. Tekenen was zijn grote liefde, afbeeldingen maken op papier. Hij is diep onder de indruk van het werk van Vincent van Gogh die na zijn dood steeds meer bewonderaars krijgt.

Bij een foto van de jonge Werkman in een boek over zijn leven schrijft Hetty: …Het was de eerste foto die me opviel in het boek. Hij lijkt daar net op Stefanus, na een nacht doordraaien…

Wat moet hij doen om in zijn levensonderhoud te voorzien? In de kunst was voor hem geen droog brood te verdienen. Het was ook niets iets wat zijn familie zag zitten. Op school blonk hij naast Tekenen uit in Nederlands. Dat duwde hem in de richting van een baantje bij de krant. Hij wordt verslaggever bij het Groninger Dagblad en later de nieuwe Groninger Courant, maar dat is niets voor hem. Het voelt als een keurslijf waarin hij zijn creativiteit niet kwijt kan. En… hij wordt verliefd op Jansje Cremer, een blonde dochter uit een welgestelde familie. Wat moet ze met een journalist die rond moet komen van een hongerloontje? Het roer gaat om. Henny keert terug naar zijn grote passie waar hij voor heeft geleerd, het drukkersvak.

Na een tijdje koopt hij met geld van zijn moeder een kleine drukkerij in de stad Groningen. Hij weet er aanvankelijk een succes van te maken. Nu hij goed in zijn vel zit, krijgt hij ook de ruimte om zich als kunstenaar te ontwikkelen. Hij maakt tekeningen, schilderijen en vooral kunstdrukken die druksels worden genoemd en waarmee hij zijn naam weet te vestigen. Mooi om te vermelden is dat hij vanaf 1910 ook de Verkadeplaatjes ging drukken die onder meer door de echtgenoot van Hetty, Jan Voerman jr., werden getekend. Hij wordt lid van De Ploeg, een kunstenaarsvereniging uit het noorden van het land die vooral in het begin van de twintigste eeuw veel opzien baarde.

Het is bijzonder om opnieuw te zien hoe de verschillende families van Peter Voerman elkaar op dit soort punten raken.

Gefusilleerd

Hetty blijft de loopbaan van haar achterneef volgen, maar het voert te ver om hier nog uitgebreider op het leven van Henny Werkman in te gaan, hoe verleidelijk dat ook is. Anderen hebben al uitvoerig over hem geschreven.

Ter afsluiting alleen nog het volgende. Tijdens de Tweede Wereldoorlog sluit hij zich aan bij het uitgeverscollectief De Blauwe Schuit. Onder deze vlag brengt Henny druksels uit die in bedekte vorm kritiek leveren op de Duitse bezetter. Het zou hem zijn leven kosten.

Aan het eind van de oorlog wordt hij gearresteerd. Nog geen maand later wordt hij op tien april 1945 in Bakkeveen gefusilleerd, als het kanongebulder van het Canadese leger bij wijze van spreken in de verte al is te horen. Een grafmonument in het Friese plaatsje vormt een blijvende herinnering aan deze dappere en vernieuwende kunstenaar.

Dit is een fragment uit het boek “Uit Zeeklei gebakken” over de families Mansholt, Louwes, Dijkhuis en Zijlma. Geschreven door Kees Opmeer en het is hier te koop.

Hendrik Nicolaas Werkman, ofwel neef Henny

Monument voor oorlogsslachtoffers waaronder Henny Werkman in Allardsoog bij Bakkeveen

De Kremboong bossen bij Hoogeveen.

Ten noorden van Tiendeveen kocht Frederik s’Jacob (1822-1901, de zakenpartner van mijn voorouder Coen Rahder) in 1857 een groot stuk woeste grond om er naaldbomen en eiken aan te planten voor de houtproductie. Het was Coen Rahder die zich met deze taak mocht belasten als natuurliefhebber en iemand die kennis van zaken had. Het aanplanten gebeurde vaak als er niet in het veen gewerkt kon worden. Coen had bedacht dat de boomplanters in duo’s moesten werken. Eén persoon deed het zware werk door gaten te graven. De tweede persoon, iemand die geen zwaar werk kon doen, plaatste het jonge boompje in het gat.

Samen met zijn zoon Herbert hield Coen toezicht op het bos dat Kremboong, bamboespruit, werd genoemd naar de oude suikerplantage van s’Jacob op Java. Na verloop van tijd kwam er een ‘o’tje’ bij en werd het Kremboong genoemd. Waar die extra ‘o’ vandaan kwam weet niemand. Het kan zijn dat het beter in het gehoor lag bij de mensen in de streek, maar dat is een gok van mijn kant.

In de loop der jaren groeide Kremboong uit tot een prachtig en uitgestrekt bos, doorsneden door romantische waterloopjes en schitterende lanen die werden omzoomd door eiken en beuken. Voor het onderhoud werd een boswachter aangesteld, Evert Kersten, en kwam er een boswachterswoning aan de Drijbersche Hoofdvaart, vlakbij de Kremboongbrug. Kremboong ontwikkelde zich in de loop der jaren tot een bekend en populair toevluchtsoord voor de bewoners uit de wijde omgeving. Vanuit Hoogeveen konden er met een punter dagtochtjes worden gemaakt. Vooral op zondag krioelde het er van de dagjesmensen en gezinnen. Er kwam een uitspanning met terras waar je kon genieten van flensjes en allerlei drankjes.

Coen en zijn vrouw Wilhelmina waren regelmatig in de bossen te vinden voor lange wandelingen en om tijdelijk te ontkomen aan het jachtige bestaan van de turfwinning en andere beslommeringen. Zijn zakenpartner s’Jacob ging zelf niet in Drenthe wonen, maar logeerde wel geregeld op Valkenheim. Ook hij was dan vaak met Coen in het bos te vinden. Al wandelend genoten ze niet alleen van de natuur, maar hadden ongetwijfeld ook het nodige te bespreken. Als commissaris voelde hij zich nauw bij de firma Rahder betrokken en bemoeide hij zich intensief met het reilen en zeilen van het bedrijf.

In het boek ‘Levend Morgenland’ (1987) beschrijft Hero Moorlag, voormalig docent biologie en amateur-veldbioloog, uitgebreid de natuurgebieden in en rond Hoogeveen. Veel aandacht besteedde hij aan het bos Kremboong.

Deze gigantische bossen, zo dicht bij Hoogeveen, vormden voor menige Hoogevener een welkome verpozing tijdens de weekenden. Men kon er wandelend, fietsend en punterend naar toe. Door verenigingen werd wel gebruik gemaakt van de Jan Plezier. Over de Drijberse Hoofdvaart lag de Kremboongbrug, een houten ophaalbrug, bij een prachtige kastanjelaan die toegang gaf tot de bossen. Deze bossen, met een enorme diversiteit aan zeldzame planten en dieren, waren zo groot dat je er gemakkelijk in kon verdwalen.

Coen bezat al bosgebieden tussen het buurtschap Siberië en Kremboong en aan de Kerkweg in Tiendeveen. Hij had dus verstand van landbouw en bosbouw, zoals ook bleek uit een bericht van 9 november 1872 in het Weekblad voor Hoogeveen bij zijn overlijden.

Door zijne ondernemingen herschiep hij een onafzienbare vlakte binnen weinige jaren in een wezenlijk fraaie landsdouw; dorre gronden werden vruchtbare velden; door af te wijken van den ouden sleur, kweekte hij in korten tijd boomen en heesters, nu rees bosschen en duinen.

Een schriftje met een uitgebreide verslag van de aanplant van bomen en een dikke map met correspondentie over het beheer van de bossen zitten in het familiearchief.

In  1937 werd het bos verkocht aan een drietal ondernemers waaronder een houthandelaar uit Steenwijk. Felle protesten tegen deze verkoop kwamen onder meer van de bekende onderwijzer, schrijver en natuurliefhebber Jac. P. Thijsse en de mede door hem opgerichte Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Het mocht niet baten.

1Noot: Er zit een brief in het archief waaruit op te maken valt dat de erven ’s Jacobs de protesten van de natuurorganisaties hebben aangewend om de prijs te verhogen. Uiteindelijk werd er 175.000 gulden betaald voor het Kremboong bos.

In de jaren daarna, de tijd van grote werkeloosheid en werkverschaffingsprojecten, is het bos met de grond gelijk gemaakt. Veel bomen werden als mijnhout afgevoerd. Het moet een onvoorstelbare verwoesting zijn geweest, zoals in het boek Morgenland valt te lezen. Eén grote vlakte van afgezaagde bomen en een enorme hoeveelheid takken her en der verspreid. In 1939 was er niet veel meer van Kremboong over. Wat er nu nog staat, zijn de uit die tijd overgebleven bomen die nog niet kaprijp waren en de opslag van bomen uit de periode na 1938. Zo bleef er toch nog wat over, een nieuw maar veel kleiner bos van 31 hectare. Het bos wordt sinds 1980 beheerd door de Stichting Het Drentse Landschap en is opgenomen in de knapzakroute rond Tiendeveen.

Dit is een fragment uit het boek “Hoe de Rahders Drenthe veranderden” door Kees Opmeer. Het boek is gebaseerd op mijn familiearchief en is hier te koop.

Frederik ’s Jacob, zakenpartner van Coen Rahder

Uit het archief Rahder, map beheer Kremboong

  1. De brief die namens de erven ’s Jacobs werd verzonden aan de adspirant kopers. ↩︎

De vriendschap tussen schrijver Multatuli (Eduard Douwes Dekker 1820-1887) en Derk Roelfs Mansholt (1842-1921)

Kleinzoon Sicco Mansholt benoemt een van de inspiratiebronnen van zijn opa Derk Roelfs Mansholt:

…We woonden op een boerderij die Thorum (oude benaming van het stadje Torum) heette, gekocht door mijn grootvader. Een Duitser… die naar Nederland was gekomen. Ook een bewogen mens, boer en socialist. Er waren toen nog maar weinig socialisten, maar ze waren zeer actief. Een van zijn vrienden, Eduard Douwes Dekker (pseudoniem Multatuli) was een van de beste politieke schrijvers van zijn tijd. Het was geen kleinigheid om in Indonesië tegelijk opstandig én ambtenaar te zijn. Multatuli heeft meerdere malen op de boerderij van mijn grootvader gelogeerd en dan schaakten ze met elkaar en maakten muziek…

De eerste ontmoeting

Financiële problemen leidden ertoe dat Multatuli gedwongen werd steeds meer lezingen te geven. Ook in het noorden was hij een veelgevraagd spreker. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat hij niet van deze optredens hield. Vaak kwam hij terecht in achterafzaaltjes van plaatselijke kroegen en cafés. Rokerig, rinkelende glazen, veel rumoer en geschreeuw. Hij voelde zich daar allesbehalve thuis, maar er moest geld in het laatje komen.

Voor Derk was dat niettemin een mooie kans om hem eindelijk persoonlijk te ontmoeten. Ze spraken elkaar voor het eerst op elf maart 1878 na afloop van een lezing in de Harmonie te Groningen, één van de oudste sociëteiten van ons land. Het was een plek waar Multatuli zich wat beter op zijn gemak voelde. Multatuli logeerde in Groningen bij een wederzijdse vriend, Versluys, waardoor een ontmoeting op het logeeradres snel was afgesproken.

Het leek meteen te klikken. Ze wisselden verhalen en ervaringen uit. Multatuli bleek erg geïnteresseerd te zijn in het boerenleven en in de beeldende verhalen van Derk over zijn jeugd en zijn verhuizing naar het platteland van Groningen. Heel graag zou hij een keer een boerenbedrijf willen bezoeken. Dat was snel geregeld. Stadsjongen Multatuli bezocht verschillende keren het boerenbedrijf in Meeden en later de boerderij Torum in de Westpolder die Derk in 1882 had betrokken. Ze discussieerden tot diep in de nacht en speelden schaak. Later zou Derk ook met de vrouw van Multatuli, Mimi, schaakpartijen spelen. Ze wisselden zetten uit via de brieven die Derk en Multatuli elkaar stuurden. Het waren partijen van de lange adem.

Multatuli was hem dankbaar voor de bezoeken. Hij liet het in één van zijn brieven weten:

…Ik ben met zoo veel genoegen by U geweest! Ik wist het wel dat die beschaafd-eenvoudige toon me bevallen zou! Hartelyk dank voor Uw lieve ontvangst…

Hij ondertekende met ‘Dek,’ een koosnaam van thuis en alleen bestemd voor vrienden. (zie briefkaart hieronder). Lees hier meer over de schaakpartijen tussen Douwes Dekker en Mansholt

Dit is een fragment uit het boek “Uit Zeeklei gebakken, Familie Mansholt generaties van nuchtere Groninger boeren en wereldverbeteraars”. Het boek is geschreven Kees Opmeer en uitgegeven bij Stichting Cultuurfilms Drenthe. Het is hier te koop

Eduard Douwes Dekker (Multatuli) schrijft aan de Max Havelaar

Coen Rahder (1812-1872) krijgt lof na zijn overlijden.

Op 3 november 1872 overleed Coen Rahder, de grondlegger van het bedrijf N.V. Rahder machinale turf.

Hoezeer Coen in die tijd werd gerespecteerd bleek uit een bericht in het Weekblad voor Hoogeveen op 9 november 1872 naar aanleiding van zijn overlijden waarvan ik eerder een passage heb aangehaald. Het bericht stond op de voorpagina.

In de afgeloopen week is op Valkenheim nabij deze gemeente overleden de heer Johan Coenraad Rahder. Hij was de eenige in onze gemeente, die den moed had een belangrijke industrieele onderneming aan te vangen en trots duizenden hinderpalen en moeilijkheden door te zetten. Door zijne ondernemingen herschiep hij een onafzienbare vlakte binnen weinige jaren in een wezenlijk fraaie landsdouw; dorre gronden werden vruchtbare velden; door af te wijken van den ouden sleur kweekte hij in korten tijd boomen en heesters, nu reeds bosschen en tuinen.

Niet alleen gaf hij aan honderden werk en aan duizenden brood, – dat doen er meer; – maar hij had bij dat werk en bij dat brood nog een goed woord over voor zijne arbeiders; hij waardeerde in hen menschen; hij beknibbelde hen niet in hun loon; hij was voor die goed oppasten een hulpvaardige vriend; hij spaarde moeite noch kosten als hij zijn volk blijde kon maken, het laatste Aprilfeest getuigt daarvan.

Voor allen die met hem in aanraking kwamen was hij minzaam en vriendelijk; voor zijn kennissen een gulle gastheer. Als lid van den gemeenteraad nam hij aan de beraadslagingen werkzaam deel en offerde moeite en kosten tot welzijn der gemeente. Zijne adviesen getuigde van zijne practische kennis; warm voorstander van onderwijs, stemde hij niet alleen voor alle uitgaven ten nutte der scholen, maar rigtte zelf uit eigen middelen te midden zijner uitgestrekte velden een school op. Zijn weduwe verloor in hem een geliefde echtgenoot, zijne kinderen een zorgend trouwe vader, de gemeente een waardige vertegenwoordiger en zijne arbeiders een raadsman en vriend.

Ook de landelijke krant, het Algemeen Handelsblad, stond uitgebreid stil bij zijn overlijden. Enkele passages uit de editie van 4 november 1872:

Een groot en zeer nuttig man is onlangs der maatschappij ontvallen, een man, die ten nutte der menschheid en in’t belang der zijnen geheel leefde, wiens streven was door industrie ’t volkswelzijn te behartigen en zijne eigen positie hoog op te voeren, en wiens pogingen daartoe met den besten uitslag mogten bekroond worden. ’t Is de heer J.C. Rahder te Valkenheim, gemeente Hoogeveen, groot vervener en fabrikant van de alom bekende machinale turf en lid van den Raad der gemeente Hoogeveen…

… Te Nieuweroord verrees een flinke directeurswoning, tuinen, wei- en bouwakkers werden aangelegd, waarna een groot aantal woningen voor de arbeiders gebouwd en wijken gegraven werden…

…Het Tiendeveensche onder de gemeente Beilen was den heer R. ten deel gevallen en dadelijk vatte hij het stoute plan op een breed en diep kanaal te laten graven, dat na vele tegenkantingen en stribbelingen werd voltooid en den naam van “Wilhelminavaart” erlangde. Over deze werd evenals te Nieuweroord eene doelmatige ijzeren draaibrug gelegd en voor den bruggewachter eene woning gebouwd.

Vol grootsche plannen, om voor zijn weldra talrijk gezin de meeste voordeelen uit zijne veenderijen te trekken, liet hij ook hier eene menigte arbeiderswoningen bouwen…

Dit is een fragment uit het boek: “Hoe de Rahders Drenthe veranderden” door Kees Opmeer. Het boek is gebaseerd op het familiearchief en rijk geïllustreerd. Het boek is hier te koop.

J.C.(Coen) Rahder oprichter van de Rahder turf N.V.

Drentse en Asser Courant

De jeugd van Derk Roelfs Mansholt (1842-1921) in het Reiderland

Het is 29 maart 1842, een bewolkte en kille dag, als Derk Roelfs Mansholt wordt geboren. Zijn wieg staat in Noord-Duitsland, het vruchtbare en open gebied waar de Eems uitmondt in de Dollard en dat het Reiderland wordt genoemd. Het is een landschap dat veel lijkt op de uitgestrekte polders van het Groninger land. Zijn ouders Ubbo en Tettje wonen op een boerderij in Ditzumerhamrich, op nummer veertien. 

Inwoners van Oost-Groningen en de mensen die in het gebied rond de Eems wonen, zoals Ubbo en Tettje spreken min of meer hetzelfde dialect. De landsgrens vormde een formele scheidslijn, maar meer was het niet. Eigenlijk bestond Duitsland nog niet als natie. Het was een allegaartje van vorstendommen waarin min of meer dezelfde taal werd gesproken. Van eenheid als natie was nog nauwelijks sprake.

Jonge jaren tussen graan en slik’

Derk blijkt een bijzondere jongen te zijn. Hij is slim, ondernemend en creatief. Dat we zoveel van hem weten hebben we te danken aan het feit dat hij zelf zijn jeugdherinneringen heeft beschreven. Aanleiding daarvoor was zijn veertigjarig huwelijksfeest in 1909. Hij wilde zijn inmiddels uitgebreide familie graag laten weten uit wat voor nest hij kwam en in wat voor omgeving zijn wortels lagen.

Bineke Mansholt en Eliza Gussenhoven-Mansholt, twee van zijn achterkleinkinderen, hebben zijn teksten verwerkt in een boek onder de titel: ‘Jonge jaren tussen graan en slik.’ Het leert ons veel over de omgeving waarin hij opgroeide en over zijn denkbeelden die van hem een Groninger boer maakte met een grote maatschappelijke betrokkenheid. Met zijn denkbeelden heeft Derk de kiem gelegd voor de loopbaan van zijn kleinzoon Sicco Mansholt die zich ontwikkelde tot een politicus van nationale en later zelfs internationale allure.

Winter

In de wintertijd hoopte Derk op ijs om te kunnen schaatsen. Het was een van zijn favoriete sporten. Jammer genoeg voor hem kwamen strenge winters met een langdurige vorstperiode niet zo vaak voor. Over het algemeen waren de winters nat en guur, met storm, regen of natte sneeuw, allemaal onder invloed van het zeeklimaat. Buiten viel er dan niet veel te genieten, maar binnen wel.

Na het avondeten deden ze spelletjes als kaarten en schaken. Met veel plezier maakten ze ook samen muziek. De grote drijvende kracht hierachter was zijn vader die graag met anderen meerstemmige liederen zong, vooral psalmen en gezangen. Derk vond het prachtig. Hij kreeg fluitles en later pianoles. Het maakte hem tot een verdienstelijk pianist.

Zijn vader en moeder hadden bovendien veel boeken waarin hij zich kon verliezen. Dat was best wel bijzonder en een geluk voor Derk. De meeste boeren lazen hooguit de bijbel en wat vaktijdschriften. De boeken van thuis lieten hem een wereld zien die groter was dan de geïsoleerde streek rond zijn ouderlijke boerderij. Het droeg bij aan zijn kennis en maatschappelijke betrokkenheid.

Dit is een fragment uit boek “Uit Zeeklei gebakken”, over de familie Mansholt: generaties van nuchtere boeren en wereldverbeteraars. Het boek is geschreven door Kees Opmeer en het is hier te bestellen.

De pacht boerderij van Ubbo en Tetje Mansholt in Ditzumerhamrich

Foto van de kolk, waarschijnlijk genomen rond 1910 toen Derk Roelfs terugkeerde naar zijn geboortehuis. Hij merkte op dat de ko0lk toen al deels was dichtgegroeid.

De huidige kust van het Reiderland aan de Dollard

Hattem als kunstenaarsstad

Wie aan Hattem denkt, denkt allereerst aan de uiterwaarden langs de rivier de IJssel. Maar er is meer; de oude stadswallen, de Dijkpoort, de schilderachtige straatjes, de bossen bij Molecaten met zijn oude eiken en beuken.

Hattem kreeg rond 1900 steeds meer een bijzondere aantrekkingskracht op kunstenaars. Schrijversvrienden van mijn overgrootvader Jan Voerman Sr. uit zijn Amsterdamse tijd, als Henriëtte Roland Holst, Bas Tholen, Piet Meiners en Frederik van Eeden, zochten ook hun toevlucht tot het stadje aan de IJssel; enthousiast gemaakt door de verhalen van de kunstenaars die er al woonden. Het paste ook bij de tijdgeest, weg van de drukte van de stad, op zoek naar de eenvoud van het leven op het platteland waarin de natuur nog een grote rol speelde. Het was ook niet verkeerd om in Hattem te gaan wonen. De historie van het stadje was zichtbaar in de stadwallen, poorten en de fraaie, eeuwenoude woonhuizen. De omgeving was betoverend met de brede rivier die door het laagland stroomde, omringd door de hoger gelegen bossen en de heide. En niet onbelangrijk: in logement Blom kon je voor weinig geld prima onderdak vinden.

Henriëtte Roland Holst leverde een belangrijke bijdrage aan de populariteit van Hattem. Alsof ze meewerkte aan een toeristische folder schreef ze:

…De stad was in hooge mate schilderachtig en dan de unieke ligging! Van de wallen af had men uitzicht over de haast onafzienbare meent, die zich tot aan de IJssel uitstrekte en waar honderden koeien graasden. Ja, Voerman wist wel wat hij deed, toen hij daar heen toog. Wie boschgezichten wilde schilderen, kon op het prachtige ‘Molecaten’, dat in de buurt lag, de heerlijkste oude beuken en eiken vinden, en den kant naar Heerde uit lag de grijze hei met schapen en den herder, zooals geen Mauve ze karakteristieker kon verlangen. Als men aan ’t einde van den  middag, moe, hongerig en dorstig thuiskwam, wachtte de wel voorziene tafel in Hotel Blom…

Zoals gebruikelijk zochten de jonge kunstenaars elkaar op om over de nieuwe tijdgeest te discussiëren en elkaar te inspireren met nieuwe ideeën. Hattem ontwikkelde zich zo tot een kunstenaarskolonie die vergelijkbaar was met Bergen in Noord-Holland, met Hotel Blom als levendig middelpunt. Later logeerden er ook kunstenaars in ‘T Velthuis.

Op een gegeven moment werd het mijn overgrootvader te gek. Het had zeker voordelen om met gelijkgestemden op te trekken, maar het moest niet te druk worden. Schilderen vond hij  belangrijker dan praten. Op een dag riep hij geïrriteerd uit dat hij naar Amerika zou vertrekken, als het nog drukker werd in Hattem. Gelukkig is dat er niet van gekomen.

Dit is een fragment uit het boek “Gevangen in een Paradijs”, over de kunstschilders, vader en zoon Jan Voerman. Geschreven door Kees Opmeer. Het boek is hier nog te koop.

Hattem aan de IJssel, door Jan Voerman Sr.

Jan Verkade wordt lid van kunstenaarsgroep “Les Nabis”

Jan Verkade (1868-1946) was een bijzondere man. Als lid van de familie Verkade speelde hij, zoals meer familieleden, een belangrijke rol in het leven van zowel Jan Voerman sr. als mijn opa Jan Voerman jr.

Net als mijn overgrootvader had hij maar één droom: kunstenaar worden. Maar om die droom werkelijkheid te laten worden volgde hij een ander pad dan mijn overgrootvader. Na de schilderlessen van onder andere zijn zwager en een tweejarig verblijf in Hattem, vond hij het tijd voor een volgende stap. Hij wilde naar Parijs, de stad van het opkomend impressionisme. Daar moest je zijn als jonge kunstenaar. Jan had het geluk dat zijn ouders het ook een goed idee vonden, maar om een andere reden. Ze vonden het maar niets dat hij in Hattem was gaan wonen, ver van de beschaafde wereld.

Toen hij na de barre winter tijdelijk naar zijn ouderlijk huis terugkwam, viel het zijn vader en moeder op dat hij zich ‘boerser’ was gaan gedragen. Zijn taalgebruik, doorspekt met krachttermen, paste niet bij een welopgevoede zoon. Zijn keurige uiterlijk begon hij te verwaarlozen. Dochter Anne was daar blijkbaar minder vatbaar voor, afgezien van het feit dat ze als getrouwde vrouw niet veel keus had als het om haar woonplaats ging.

Jan vertrok naar Parijs met een aanbevelingsbrief op zak van de schilder Jacob Meijer de Haan, een goede bekende van mijn overgrootvader. Meijer de Haan behoorde tot ‘Les Nabis’, letterlijk: de profeten, een club van impressionistische kunstenaars rond Paul Gauguin. Profeten van een nieuw program van leven, denken en kunst beoefenen, zoals mijn oma Hetty het omschreef.

‘Les Nabis’ was een genootschap van jonge schilders met een missie. Ze wilden  niet de werkelijkheid weergeven, zoals we die om ons heen zagen, maar een eigen impressie van de werkelijkheid laten zien. In zuivere kleuren moest een doek de natuur verbeelden, zoals de schilder die zag. Jan Verkade was een groot aanhanger van deze filosofie, maar ook mijn overgrootvader was daar in die tijd gevoelig voor. Elke maand kwamen de kunstenaars bij elkaar in het nog steeds bestaande restaurant l’Os à Moelle om vol passie over hun werk te praten, te luisteren naar hun grote voorbeeld Gaugin en tussendoor van het leven te genieten.

De brief die Jan Verkade op zak had, deed zijn werk. Al op de avond van de dag van aankomst werd Jan uitgenodigd door Meijer de Haan voor een etentje in een klein restaurant aan de Rue de la Grande Chaumière, vlakbij de kunstacademie. Tot grote opwinding van Jan was de grote meester Paul Gauguin ook aanwezig, een schilder die Jan altijd zou blijven bewonderen. Hij herkende hem direct. Gauguin vertrok al weer snel, maar Jan was verguld met deze ontmoeting.

Later schreef Jan over dit etentje:

…De kunstenaar maakte de indruk van een man van een jaar of vijftig, die moeilijke tijden achter den rug had, maar het lot steeds met moed trotseerde. Hij had lang zwart haar, dat tot ver op zijn voorhoofd groeide, en een korten dunnen baard, die echter den vastberaden mond met dikke lippen en het grootste deel van zijn geelbruine wangen onbedekt liet. Aan zijn oogen vielen de groote oogleden op, die aan zijn gelaat een woeste uitdrukking gaven; de fiere adelaarsneus wischte evenwel dezen indruk eenigszins uit en gaf scherpzinnigheid en energie te kennen. Ik werd aan Gaugin en aan de andere stamgasten, voor het grootste deel buitenlandsche kunstenaars, voorgesteld. Gauguin was erg stil en stond weldra op. Toen hij weg was sprak De Haan nog lang over diens kunst…

Kort daarna ontmoette Jan een ander vooraanstaand lid en medeoprichter van ‘Les Nabis’, Paul Sérusier. Ze bleken het goed met elkaar te kunnen vinden. Zo goed dat er al snel een hechte vriendschap ontstond. Dankzij die vriendschap werd Jan als volwaardig lid opgenomen in ‘Les Nabis.’ Hij mocht deelnemen aan de etentjes in  het restaurant en aan de bijeenkomsten in het atelier van de jong overleden schilder Paul Ranson in de kunstenaarswijk Montparnasse, waar ze elkaar elke zaterdagmiddag ontmoetten.

Jan ging met nieuw elan aan het schilderen. De andere leden van het genootschap  noemden hem le nabi obéliscal. Het was een gewoonte onder ‘Les Nabis’ om hun leden bijnamen te geven. Jan kreeg deze bijnaam, obelisk of gedenknaald, vanwege zijn lange en magere postuur.  Meijer de Haan kreeg bijvoorbeeld de bijnaam le nabis hollandais en Sérusier werd le nabi à la barbe rutilante genoemd dat zoiets betekent als le nabi met de fel rode baard. Wie een portret van hem ziet, begrijpt wel waarom. Overigens droegen bijna alle leden de ‘Nabis’ een baard. Met bonzend hart legde Jan Verkade zijn werk op een dag voor aan Sérusier en Gauguin. Het oordeel van deze meesters betekende veel voor hen. Tot zijn grote opluchting liet Gauguin zijn tevredenheid blijken. Maar Gauguin zou Gauguin niet zijn als hij ook niet een kanttekening liet horen. Geheel in navolging van het gedachtengoed van ‘Les Nabis’ gaf hij Jan een goed bedoelde waarschuwing. Hij moest zich niet laat verleiden om de werkelijkheid na te bootsen. Slaafse navolging van de werkelijkheid was in de ogen van Gauguin het slechtste wat een schilder kon doen. In de kunst ging het om eenvoud en puurheid. Jan zoog de woorden in zich op.

Dit is een fragment uit het boek “Gevangen in een paradijs” over het kleven van de kunstschilders, vader en zoon Jan Voerman. Het boek is geschreven door Kees Opmeer op basis van het familiearchief Voerman/ Verkade. Het boek is hier te koop.

Jan Verkade als monnik Dom Willibrord

Zelfportret van Jan Verkade (1891-1894)

Oorlogsjaren in Blaricum

In het familiearchief zat ook een blauwe map met spulletjes die mijn oma (Hetty Voerman-Mansholt) in de oorlogsjaren had verzameld. Het mapje was door mijn vader gemaakt. Het waren, net als voor iedereen, spannende en lastige jaren voor het gezin Voerman. Mijn opa de kunstschilder Jan Voerman Jr. had geen werk en dus geen inkomsten meer maar er was zo nu en dan een bijdrage in bonnen of voedsel vanuit de familie Verkade. In de hongerwinter trok Jan Voerman Jr. er met zijn fiets op uit om aardappelen of anders voedsel te bemachtigen bij boerderijen in Noord Holland. Daar boerde ook de familie Mansholt. Soms nam Jan Jr. zijn tweeling zonen Ubbo (mijn vader) en Jan mee. Dochter Anneke was 12 jaar en had een zwakke gezondheid. In het mapje zit een bon voor een extra schoolmaaltijd. Mijn vader zou in die laatste oorlogsjaren nog kinderpolio oplopen.

Verder zitten er foto’s in van het Koningshuis, voedselbonnen, een persoonsbewijs van mijn oma, een boekje met tips voor het behouden van een goede gezondheid, een schaartje, potlood, en kaarten waarop mijn  oma nauwgezet de vordering van de geallieerden bijhield. De kaarten zijn van Frankrijk, Italië en het oostfront.

Op een briefje schreef mijn oma na de oorlog een korte uitleg:

Op deze kaarten  hield ik de frontlinie bij toen de terugtocht van de duitsers was begonnen. Elk Duits bulletin luidde: Wir ziehen zuruck nach Plan”. Wat duur4de het lang!!! Maar we kregen weer hoop. H.V.M.

Het boekje was vast goed verborgen tijdens die oorlogsjaren. Voor de tweeling Jan en Ubbo waren het spannende jaren. Ze groeven een vluchthol in de tuin waar ze allerlei spullen in hadden verschopt zoals wat houdbaar voedsel en een knijpkat. Misschien was die schuilplaats oom bedoelt voor de joodse onderduikers die een paar maanden bij de Voermannen in huis zaten. Ook van hun zaten er wat documenten in het mapje.

Aan het werk voor het Verkadealbum ‘Langs de Zuiderzee’ uit 1914

In 1913, na afloop van de cursus aan de Rijks Academie der kunsten in Amsterdam, keerde Jan Voerman Jr. terug naar Hattem. Hij moest dringend aan de slag met een nieuw album ‘Langs de Zuiderzee.’ Een van de andere illustratoren, Jan van Oort, was overleden. Edzard Koning, van de familie Koning uit Wedde in Groningen en achterneef van Jan, nam een deel van het werk over. Hij woonde niet ver van de familie Voerman vandaan, in Nunspeet, en stond bekend als een uitstekend landschapsschilder.

Het nieuwe album werd een echt ‘wandelboek,’ dat in 1914 uitkwam. Wandelen of fietsen van Stavoren over Lemmer, Vollenhove en zo verder langs de kust tot Enkhuizen. Om de illustraties van de oude stadjes en omgeving te kunnen maken moest mijn opa ook de fiets pakken, zoals Hetty beschreef:

…Jan had nu zijn schilder materiaal in kleine rieten mandjes achter op de bagage drager van zijn fiets, in zijn regenjas zat het al onmisbare kleine fototoestel.

Op zijn donkere krullebol droeg hij een pet, met voorop het jaarinsigne van de A.N.W.B. Zo fietste een echte fietser, die trots was op zijn ‘Wieler Bond’. Op de plaatsen waarvoor hij een opdracht had, werd gefotografeerd en geschetst. Hij kon een eind komen met de trein en bleef ook vaak overnachten in een plaatselijk hotel. Door de technische hulp van de foto’s kon  hij, in Hattem teruggekomen, de plaatjes maken met een zekere exactheid. En toch bleven ze kleurig en gevoelig het beeld weergeven, dat hij gezien  had. Tacozijl, Lemmer, Plaatje 11: Sondeler Leijen in Friesland lijkt helemaal een impressie van het IJssellandschap, zoals hij thuis had leren zien. Kampen, de geboortestad van zijn vader kreeg zes pittige afbeeldingen…

Het fototoestel had hij voor 60 gulden gekocht in Zwolle. Aan de hand van de foto’s kon hij thuis op zijn gemak de vastgelegde beelden nauwkeurig natekenen. In mijn archief bevinden zich nog de glasplaatnegatieven en tekenboekjes vol schetsen van onderwerpen die hij op aangeven van Tijsse heeft gemaakt. In de tekenboekjes schreef hij bij de schetsen de kleuren die hij moest gebruiken.

Dit is een fragment uit boek “Gevangen in een paradijs”, met veel teksten en plaatjes uit het familiearchief en geschreven door door Kees Opmeer. Het boek is hier te koop.

Studie voor een Verkadeplaatje

Foto van glasplaat

Verkadeplaatje “Tacozijl”

De Camera die Jan Voerman Jr. kocht

De gedwongen verkoop van boerderij ‘Torum’ in de Westpolder zorgt voor ruzie binnen de familie Mansholt.

Verontwaardiging

Hetty Mansholt logeerde al geruime tijd meer jaarlijks op haar geliefde Torum bij oom Bert en tante Wabien Mansholt. Toch werd ze opnieuw met Torum geconfronteerd, maar niet op een manier die ze graag  had gewild. In 1921 overleed opa Derk. Wat betekende dit voor Torum waarvan Derk nog steeds eigenaar was? Bert huurde de boerderij al sinds jaar en dag. Hij zag in het overlijden van zijn vader aanleiding de boerderij te kopen. Het was een kapitaal pand met bijgebouwen en vruchtbare grond. Maar Bert had niet voldoende geld om zijn broers en zussen uit te kopen. Diep in zijn hart rekende hij erop dat iedereen Torum in familiebezit wilde houden.

Het bod dat hij deed zorgde voor onbegrip in de familie. Hij wilde niet meer betalen dan 86.000 gulden. Nu lagen de prijzen in die tijd heel anders dan tegenwoordig, maar zelfs voor die tijd was dit een belachelijk laag bedrag. Uit een taxatierapport, dat in die tijd is opgemaakt, worden boerderij en landerijen gewaardeerd op 140.184 gulden.

Willem, die inmiddels directeur van het academisch ziekenhuis in Groningen was, sprak hierover namens de familie zijn verontwaardiging uit. Hiermee zou iedereen tekort worden gedaan, behalve Bert natuurlijk.

Bert vond een hogere prijs onverantwoord in deze eerste moeilijke jaren na de oorlog waarin de economie was ingestort. Daar kwamen zijn socialistische principes bij. Speculatie met grond was onverantwoord, vond hij, in navolging van zijn vader die hij hierbij aanhaalde.

Willem had zijn twijfels of hun vader de laatste jaren nog steeds deze principes over grond als gemeenschappelijk bezit huldigde. Tegen zijn broer haalde hij de woorden aan die Derk ooit had uitgesproken. …Zo lang er geen socialisatie van grond is, heb je te bedenken dat alles wat je te weinig krijgt een cadeau is voor wie het koopt…

In de biografie over Sicco Mansholt (2e zoon van Bert en Wabien) speelt de verkoop van Torum een belangrijke rol. Sicco heeft zijn leven lang getreurd over deze verkoop. In zijn biografie wordt Willem weggezet als een geldwolf. Hij zou Bert en Wabien de boerderij niet gunnen. Hiermee kreeg hij onterecht het stempel van iemand die uit was op eigen belang. Dat is niet de werkelijkheid. Door Hetty weten we dat Willem begaan was met het lot van Hetty en Ada die het zonder hun vader moesten zien te redden met alle financiële narigheid van dien. Met een deel van de opbrengst van Torum zouden Grietje en haar dochters uit de financiële problemen kunnen komen.

Bert en Willem kregen ruzie. Tegen haar zin kreeg Hetty met deze vervelende affaire te maken. Oom Bert had haar namelijk gevraagd om te bemiddelen tussen hem en de rest van de familie. Hij schreef zijn nichtje een emotionele brief waarin hij haar bijna wanhopig om steun smeekte. Waarom juist Hetty? Door alle logeerpartijtjes kende hij haar natuurlijk door en door, wetende dat Hetty een grote bewondering voor hem koesterde. Ze was een slimme, enthousiaste meid die met iedereen in de familie goed kon opschieten. Bovendien was ze de oudste dochter van zijn overleden en alom geliefde broer Ubbo.

Boeldag

Hetty die inmiddels in Den Haag woonde, voelde zich in grote problemen gebracht. Wat moest zij als meisje van 23 jaar met dit onmogelijke verzoek? Het ging om zaken waar ze totaal geen verstand van had. Het betekende ook dat ze tegen haar eigen belang in moest gaan. Ze voelde zich alleen staan en zocht hulp bij haar moeder Grietje en jongere zus Ada Maar Grietje wilde hier niets mee te maken hebben en ontvluchtte deze lastige kwestie door met Ada op vakantie naar Duitsland te vertrekken. Het kwam wel vaker voor dat Grietje haar huis in de villawijk ontvluchtte. Ze voelde zich niet thuis in het drukke leven van de stad waarin ze wegzonk in de anonimiteit en het kleinschalige, dorpse leven miste.

In één van haar notitieblokjes schreef Hetty:

…Hoe graag ik wilde, dit was iets wat ik niet kon oplossen! Ma zat in Duitsland met Ada en vond dat ik mijn boontjes zelf moest doppen. Zij kon het ook niet, maar ze gaf mij geen begrip of medeleven, zoals zo vaak in die jaren. Ik heb oom Bert nooit geantwoord…

Er zat niets anders op dan een boeldag te houden nu de familie niet tot een vergelijk kon komen. Het was buurman Smit die er met de buit vandoor ging. Hij verwierf de opstallen voor 128.000 gulden, gezien het taxatierapport voor een veel te laag bedrag. Het zou nooit meer echt goed komen tussen de twee broers. Ook Sicco was erg teleurgesteld. Hij was graag op Torum als boer aan het werk gegaan.

Bert en Wabien lieten in Glimmen een mooi nieuw huis bouwen, vlakbij de Drentse Aa (Huis ter Aa). Bert en Wabien waren uiteindelijk niet zo rouwig om de verkoop van de boerderij. Ze kregen de tijd om zich voluit op het politieke bestuur te richten. Bert als gedeputeerde van Groningen en Wabien als gemeenteraadslid. En hun kinderen konden in de stad Groningen studeren zonder dat ze in de kost hoefden.

Dit is een fragment uit het boek “Uit Zeeklei gebakken” van Kees Opmeer. Het boek is hier te koop. Ook bij de boekwinkel te bestellen of bij de museumwinkel van Landgoed Verhildersum te Leens.

Taxatierapport van Torum