Het Dwingelderveld is het grootste en belangrijkste natte heidegebied van Europa. In 1921 en 1929 brachten Thijsse en medeoprichter van Natuurmonumenten Van Tienhoven een bezoek aan Drenthe. Ze waren bezorgd over het tempo van de ontginningen in Drenthe en zochten naar een heideterrein om te behouden. Bioloog en ornitholoog Gerrit Brouwer, landbouwkundige Willem Beijerinck en bioloog E.W. Clason besloten dat dit het karakteristieke Geuzingerveld tussen Dwingeloo en Ruinen moest zijn. Het in 1905 opgerichte Natuurmonumenten besloot dit terrein aan te kopen.
Vanuit het rijk bestond vrijwel geen belangstelling voor natuurbescherming en van aankoopsubsidies was geen sprake. Thijsse en Van Tienhoven startten een inzamelingsactie die 100.000 gulden opleverde. Hiermee kon een deel van het gewenste gebied aangekocht worden: in 1930 en 1932 werd 700 hectare in het westelijke deel van heide gekocht. In 1936 maakte Jan Voerman Jr., op verzoek van Thijsse, een Verkadeplaatje van een ‘Heideplas’ op dit Dwingelderveld voor het Verkadealbum “Waar wij wonen”.
Het is jammer dat Thijsse de grootschalige kap van de prachtige Kremboong bossen bij Hoogeveen in 1937 niet heeft kunnen voorkomen. Hij heeft er luid tegen geproesteerd. Die bossen waren met zorg, en met aandacht voor diversiteit aangelegd door de familie Rahder en Frederik s’Jacob, verveners in Hoogeveen. In de jaren 1930, de tijd van grote werkeloosheid en werkverschaffingsprojecten, is het bos met de grond gelijk gemaakt. Veel bomen werden als mijnhout afgevoerd. Het moet een onvoorstelbare verwoesting zijn geweest, zoals in het boek ‘Morgenland’, van Herop Moorlag, valt te lezen. Lees er hier meer over.
