Logeren bij opa en oma Rahder in Nieuw Amsterdam

De belangrijkste herinneringen aan mijn opa Jaap, Jacob Rahder, heb ik aan de periode dat ik bij hem woonde.  Toen kwam ik voor het eerst in aanraking met de activiteiten van de familie Rahder als verveners. Het was in het voorjaar van 1963 dat mijn broertje Jacob Jan, net 3 maanden oud, en ik, een jochie van vier naar zijn huis De Tippe in Nieuw-Amsterdam verhuisden, naar later bleek voor een periode van een half jaar. Het ruime, vrijstaande huis is gelegen aan de Vaart NZ 20, langs de Verlengde Hoogeveensche Vaart en vlakbij het spoor.

Mijn moeder was in het academisch ziekenhuis in Groningen opgenomen. Na de bevalling van Jacob Jan in januari 1962 werd ze moe, doodmoe. Mijn vader Ubbo begreep als arts-assistent al snel dat het niet de gewone vermoeidheid van een kraamvrouw kon zijn. Het bleek om een zware bloedvergiftiging te gaan. Ze was gedwongen veel penicilline te slikken, zoveel dat ze er na enige tijd allergisch voor werd. Alleen rust kon haar er weer bovenop helpen. Dit betekende dat ze tot haar spijt niet voor haar kinderen kon zorgen. Mijn vader was niet in staat deze rol over te nemen; niet alleen door zijn drukke baan met zijn coschappen. Hij was er ook de man niet naar.

Ze heeft drie maanden in het ziekenhuis gelegen. Door de penicilline heeft ze een beschadiging aan haar hartklep opgelopen, een hart dat toch al niet sterk was. Ze mocht ook geen kinderen meer krijgen. Het was een boodschap die hard aankwam. Mijn ouders waren dol op kinderen. Achteraf begreep ik goed waarom ze later pleegkinderen een thuis wilden geven.

Ik vond het heerlijk om een tijdje bij mijn opa en oma te mogen wonen. Ik ben geboren in de Wielewaalflat in Groningen, een begrip in de stad. Gebouwd in 1957 en modern door de combinatie van verschillende functies, gelegen aan de rand van de Oosterparkwijk. Inmiddels is het gebouw een rijksmonument. Kort daarna zijn we verhuisd naar een flat in de Illegaliteitslaan in Groningen, in een nieuwbouwwijk niet ver van het stadspark. En opeens kwam ik in Zuidoost-Drenthe terecht, in het buitengebied van Nieuw-Amsterdam. Wat een verschil met de grote stad. Vanuit het huis had ik een weids uitzicht op de omgeving. Ik vond het heerlijk om daar te mogen wonen en te genieten van mijn nieuwe vrijheid. Van heimwee had ik geen last. Daar kwam bij dat ik het eerlijk gezegd een beetje eng vond om mijn moeder in het ziekenhuis te bezoeken. Dat grote gebouw met al die gewichtige mensen in witte jassen. De steriele kamer waarin mijn moeder op bed lag. Ze zag er zo anders uit dan ik haar kende. Het hielp ook dat ik me thuis voelde bij mijn opa en oma. We werden  met open armen ontvangen. En mijn vader sliep om de andere dag bij ons, waar ik erg blij mee was, vooral in de eerste periode toen alles nog een beetje vreemd was.

Wat me vooral is bijgebleven is de geur van veen en turf als ik in het uitgestrekte en open gebied rondstruinde met de wijken, de zijkanalen in het veen, de vaart met de brug waar altijd wat te zien was en de verspreid liggende boerderijen. Nog steeds als ik die geur ruik ben ik in gedachten terug in die tijd bij mijn opa en oma.

Het was wel anders dan thuis. Oma Femmie was niet alleen zorgzaam, maar ook een vrouw van regels. Dat was ik thuis niet zo gewend. Ze wilde met ‘u’ aangesproken worden. Als ik iets wilde, was ‘alstublieft’ een veelgebruikt woord. ‘Mag ik alstublieft nog een beetje vla?’ Alles gebeurde op vaste tijden. Eigenlijk vond ik die vaste structuur wel prettig. Het gaf duidelijkheid en binnen die vaste structuren had ik vrijheid genoeg om van mijn nieuwe leven te genieten. Soms overtrad ik de regels en kreeg ik straf. Ik weet nog dat ik een keer op de gang moest staan. Dat was ik thuis niet gewend. In het huis van mijn opa en oma was een zijdeur naar kantoor waardoor ik weer kon ontsnappen. Volgens mijn moeder heb ik toen triomfantelijk geroepen: ‘Wat heerlijk dat we hier een zijdeur hebben, hè?’ Mijn opa en oma konden daar de grap wel van inzien.

Opa Jaap was een man van aanzien. Hoe jong ik ook was, merkte ik dat  hij met  respect door de veenarbeiders werd behandeld. Ik herinner me de loonzakjes die op vrijdag aan de veenarbeiders werden overhandigd. Een aantal daarvan heb ik nog in bezit. Kleine, bruine zakjes waarop het loon en de overuren werden vermeld, maar ook de bedragen die waren ingehouden, bijvoorbeeld voor belasting, pensioen en andere premies en ook voor verzuim en zelfs boetes. Voor ontvangst van hun loonzakje moesten ze een handtekening zetten. Ik zie nog voor me hoe sommigen met hun verweerde, knoestige handen een kruisje zetten. Dat vond ik een rare handtekening. Later begreep ik pas dat ze niet konden lezen of schrijven. Er was een periode dat mijn opa honderden mensen in dienst had. Na de Tweede Wereldoorlog werd dat snel minder toen de turfwinning steeds verder terugliep en steenkool en gas belangrijker werden als brandstof.

Door mijn jonge leeftijd zijn het vooral flarden van herinneringen die me zijn bijgebleven. Mijn zwerftochten door de omgeving en de ritjes in de auto van mijn opa als hij allerlei locaties in de buurt moest bezoeken. Hij reed in een Ford Taunus die in mijn geheugen reusachtig groot was. De auto had een grote voorbank waarop ik naast mijn opa mocht zitten. Deze voorbank had een gladde, leren bekleding die ik nog kan ruiken en wat mij nog steeds een gevoel van vrijheid geeft. Als een prins reed ik mee over de smalle buitenwegen door het veen van Zuid-Drenthe en langs de vaarten die voor de afvoer van de turf waren gegraven. Onderweg vertelde hij verhalen over de omgeving en over zijn familie; over zijn vader Jan, die Jonge Jan werd genoemd en over zijn opa Johan Coenraad, de stichter van de turffabriek. Maar de meeste details kan ik me helaas niet meer herinneren. Wat ik nog wel weet is die ene zomerdag toen de auto opeens in de berm tot stilstand kwam. Pas op dat moment drong tot me door dat er iets niet klopte. Ik keek opzij. Mijn opa Jaap hing met zijn hoofd achterover op de bank. Zijn witte gezicht glom van het zweet en zijn hand had hij tegen zijn borst gedrukt, terwijl hij zwaar ademde. ‘Opa, wat is er?’ vroeg ik. Hoe we uiteindelijk zijn thuisgekomen weet ik niet meer. Twee jaar later overleed hij aan een hartkwaal, vierenzestig jaar oud pas. Net als zijn vader Jan die ook niet ouder is geworden dan zesenzestig jaar en net als diens vader, Johan Coenraad die niet ouder werd dan tweeënzestig jaar. Op dat moment wist ik nog niet dat mijn moeder hetzelfde lot zou wachten.

Gelukkig ben ik niet alleen maar afhankelijk van mijn spaarzame herinneringen uit de tijd dat ik bij mijn opa Jaap logeerde. In het ziekenhuis hield mijn moeder vanaf 15 april 1963 een soort dagboek bij van haar ervaringen in het ziekenhuis en de belevenissen van haar twee jongens in het huis van haar ouders. Zij was een vrouw die het verleden niet door haar vingers wilde laten glippen. Met haar aantekeningen vulde zij mijn herinneringen aan. Ze zeggen niet alleen veel over mijn opa en oma, maar misschien nog wel meer over mijn moeder.

Opa nam Peter in de Ford Taunus mee om te kijken naar een dam die in een wijk werd gemaakt. Er was een baggermachine – zandauto’s – een zandzuiger. Peter, de bedrijvigheid en drukte eens aankijkend zei: ‘Opa wat doen we hier eigenlijk?’ Wat zeg je daarop?

Ze schreef hoe ik met opa het veen introk en over sloten en greppels sprong. De ondergrond was zacht en verend. ‘Wat loopt het hier gek, hè opa?’  Mijn moeder was bang dat ik thuis in de stad niet meer kon wennen aan de harde stoepen en straten.

Het ontroert me elke keer opnieuw als ik lees hoe blij ze was als ik op bezoek kwam.

Vandaag is Peter hier geweest. Ik wist gewoon niet wat ik zag. ’t Was zondagmorgen, half 11, heel rustig, zowel buiten als binnen, en ik lag te lezen… Opeens ging de deur heel voorzichtig open… en m’n eerste indruk was een héél rood vestje, … een héél blond hoofdje, en een héél hoog stemmetje. Ik moest knipperen met m’n ogen, en enige keren slikken… Peter… Peter zelf stamelde ook iets van ‘mammie’ en ‘heel schattige bloemetjes’. Toen klom hij boven op ’t bed, keek uit ’t raam en riep: ‘Ja hoor, nou zie ik de Martini ook!’ En daarmee was de spanning gebroken. Of na een ander bezoek: ’s Middags Peter met vader en moeder. Wat ziet dat kereltje er toch gezellig en goed uit, en wat is hij leuk en ongedwongen, helemaal niet bang.

Ik kan me ook nog herinneren dat mijn vader om de dag bij ons sliep in Nieuw-Amsterdam. Hij vertelde mijn moeder hoe dierbaar hij het vond om mijn kleine, blonde koppie naast hem in bed te zien liggen. Als hij de volgende ochtend weer vertrok, zwaaide ik hem uit vanachter het ijzeren hek van ‘De Tippe.’

Mijn moeder is vol lof over de opvoeding door haar ouders. Ze schreef: Het konden hun eigen kinderen wel zijn, zo lief zijn ze, maar ze voeden ook op.

Ze merkte ook dat ik hield van de regelmaat en de orde in het rustige Nieuw-Amsterdam. Uitspraken van mij die ze hoorde, noteerde ze meteen in haar dagboek. Voor haar een manier om dicht bij me te zijn en te laten zien hoe trots ze op me was. Bijvoorbeeld toen mijn opa vroeg: Wie is hier nu de baas? En ik meteen antwoordde: Dat is oma, als opa niet thuis is.

Toen mijn opa en oma een tijd daarna bij ons in Beetsterzwaag kwamen logeren, wist ik nog precies dat hij op twee kussens sliep, wat ik als kind erg raar vond. En ik gorgelde nog steeds met water na het tandenpoetsen, zoals ik van mijn oma had geleerd.

Later plaagde ik mijn moeder wel eens met de periode dat ik in Nieuw-Amsterdam had gelogeerd. Dan riep ik dat ik daar tenminste een gedegen opvoeding had gekregen. Maar als ik dan het gezicht van mijn moeder zag, had ik meteen weer spijt en haastte ik me te zeggen dat het een grapje was.

Haar aantekeningen laten zien hoe optimistisch ze was, blij met elk bezoek en genietend van de bloemen die ze kreeg. Haar liefde voor mijn broertje, Jacob Jan, en voor mij was in elk woord dat ze schreef terug te vinden. Op alle manieren liet ze blijken hoe dankbaar ze haar vader en moeder was dat ze zo goed voor haar jongens zorgden en op hun manier een bijdrage leverden aan onze opvoeding die zij op dat moment niet aankon. Mijn opa Jaap, de grote veenbaas uit Nieuw-Amsterdam, bleek een gevoelige en zorgzame man te zijn die alle tijd voor mij had ondanks zijn drukke bezigheden en dagelijkse zorgen, want erg goed ging het niet meer met het bedrijf.

Dit is een fragment uit het boek van Kees Opmeer “Hoe de Rahders Drenthe veranderden”. Het boek is uitgeven bij GaCreatief en is hier nog te koop.

Bij opa en oma Rahder op de canape

Plaats een reactie