Coen Rahder heeft de Willeminavaart rond 1860 zelf laten graven als zijtak vanuit de Hoogeveensche Vaart tot de Drijberse Hoofdvaart te Tiendeveen, met een lengte van ongeveer 2,5 km. Zo kan de turf uit zijn wijken, of in het Drents ‘wieken,’ nog beter worden afgevoerd. Het kanaal vernoemt hij naar zijn vrouw. In 1924 zal het kanaal nog worden doorgetrokken naar Beilen, verbreed en omgedoopt tot het Linthorst Homankanaal. Een aantal zijtakken in het veengebied vernoemt Coen naar zijn geliefde plekken in Amsterdam: ‘Kattenburg’, ‘Binnenkant’, ‘Keizersgracht’ en ‘Herengracht’. Het water in de kanalen en vooral in de zijtakken kleurt donkerzwart vanwege het hoogveen. Het geeft het water een magische duistere gloed.
In 1863 koopt Coen een oude moestuin met veel fruitbomen van Gesiena Warmels. Het is een prachtig plekje aan de schut in de Hoogeveensche Vaart. Je hebt daar goed zicht op de gehele vaart. In 1867 bouwt de derde zoon van Coen en Mien, J.C. Rahder jr. daar een huis. Het wordt ‘Huize Blokland’ genoemd naar de geboorteplaats van zijn vrouw Tonia Habermehl.
Dan blijkt uit een brief van zijn moeder W.P.C. Rahder–Van Voorthuysen, gedateerd 19-2-1868, aan de kinderen op de kostschool, dat er zich een klein drama afspeelt in het jonge gezin van Coen jr.
“Gisteren was er een droevige melding. Ik was bij Tonia geweest toen de kleine Gottfried opeens zulke eene akelige benauwdheid kreeg. Hij was akelig maar dat ging weer voorbij en dat kindje was weer geheel beter en sliep ’s nachts in goede gezondheid. Maar ’s morgens, zij wilden juist gaan ontbijten, kreeg het weer zo’n benauwdheid waar het ineens in bleef, zij kwamen mij roepen maar het kindje was al dood toen zij het huis uitgingen om mij te halen. In 5 minuten was alles afgelopen. Vind gij dat niet allertreurigst? Zij zijn innig bedroefd, dat kunt u lieden zich voorstellen. Ik ga er straks weer naar toe.”
In het jaar ervoor was de vader van Tonia overleden en begin 1868 was haar broer ernstig ziek, hij leed aan de pleuris. Het overlijden van de kleine Gottfried was de druppel. Tonia wil weg uit de koude, tochtige streken in Drenthe. Ze wil naar de stad Amsterdam waar haar schoonzusters al woonden. Coen Rahder jr. neemt de aandelen in de wijnhandel over van zijn oudere broer Jan. Hij wordt daarmee mededirecteur bij de Weduwe H. Rahder en zet ‘Blokland’ te koop.
Het huis zal jaren leeg staan en wordt beheerd door broer Herbert. Alleen zomers komt er af en toe familie. In 1874 koopt Herbert het huis en verhuurt het aan Oude Jan die het later zelf weer overkoopt. Oude Jan woont er met zijn gezin tot zijn dood in 1898. Jan drijft dan een winkel aan de Wilhelminavaart met allerlei goederen en verhuist ook die zogenaamde ‘bazaar’ naar Blokland. De hele familie werkt mee. Jans tweede vrouw Margje vertelt nog jaren later dat ze een kromme rug heeft overgehouden aan het sjouwen van zakken suiker en meel.
Niet veel later in 1868 bouwt zoon Herbert ‘Huize Veen en Dal’ ook aan de Hoogeveensche Vaart, een verbeterde versie van Huize Blokland. Herbert gaat er na zijn huwelijk met Ykje Post uit Groningen wonen. Ykje is familie van apotheker Radijs uit Hoogeveen die in het boek Publieke Werken van schrijver Thomas Rosenboom wordt opgevoerd als Anijs. Beide huizen Blokland en Veen en Dal staan nog prominent in het centrum van Noordscheschut.
Dit is een fragment uit het boek “Hoe de Rahders Drenthe veranderden”. Het boek is hier te bestellen.
Jan Voerman Sr. geeft de lessen aan Jan Verkade in diens ouderlijk huis aan de Vecht. Hij ontmoet daar ook diens zus Anna Verkade en wordt verliefd. Zakenman Eric Verkade is niet direct blij met de keuze van zijn dochter. Wat heeft een arme kunstenaar haar te bieden? Er moet geld worden verdiend. Het tafelzilver is al verkocht om de huur te betalen. Het wordt voor Jan tijd om ander werk te maken. Op een dag komt Augustine Obreen naar de les met een verhaal over een prachtige gemberpot die zij gezien heeft op een schuit in de gracht. Prachtig grijs glazuur met blauwe vlammen die oplichten in de zon. Verweerd doordat de schippersvrouwen jarenlang soda in de pot bewaarden. Jan schildert met bloemstillevens in de pot zijn eerste nieuwe werk. Hij spaart genoeg om Eric de hand van zijn dochter te vragen. Deze gemberpot ‘Augustine’ komt in veel van het vroege werk van Jan Voerman voor. Ook het schilderij “Pot met Azalea’s” dat bekend is geworden als voorkant van het boek “Knielen op een bed violen” van Jan Siebelink, is uit deze serie.
“Pot Augustine” door Jan Voerman Sr., collectie De Fundatie Zwolle
Jan Rahder jr. (1858 – 1924) is nog steeds niet getrouwd. Dan ontmoet hij Jentje Thomas (1872-1953) die helpt in het huishouden op Blokland waar dan Margje Rahder-Van Veen, de weduwe van zijn broer Oude Jan, woont. Jentje is de dochter van molenaar Thomas van de molen de ‘Korenbloem’ even verderop aan de vaart in Noordscheschut. Hij heeft de molen in 1886 voor 4000 gulden gekocht van de oude eigenaar Gerrit Jan Oldenkamp. Van die aankoopsom gaat maar liefst 3465 gulden naar Meeuwes Robaard “ter afdoening van eene schuld tot dat bedrag met rente op de verkochte en gekochte molen rustende hypothecaire schuld”.
Jacob pachtte daarvoor de molen in ’t Haagje in Hoogeveen, maar kreeg daar een fikse ruzie met eigenaar Berend Eleveld. Thomas was in die periode succesvol en had voor zijn vrouw Berendina Gezina Knegt een gouden oorijzer gekocht. Eleveld zag dat als een gebrek aan nederigheid en weigerde daarop de pacht te verlengen.
Nu kan niemand Jacob Thomas iets meer vertellen en is hij eigen baas. Het gezin Thomas verhuist nog hetzelfde jaar naar Noordscheschut en gaat wonen in een boerderij op het Noordsche Opgaande. Vlak voor de eeuwwisseling zorgt hij ervoor dat de Korenbloem de eerste molen in Drenthe is die met een petroleummotor wordt aangedreven. Hij is nu niet meer afhankelijk van goede wind. Jacobs zoons Jan en Cornelius zullen ook molenaar worden.
Dochter Jentje trouwt later dan haar jongere zus Aaltje, maar ze heeft een goede keuze gemaakt. Ze trouwt met een Rahder ook al is haar echtgenoot een stukje ouder. Haar familie vindt dat Jentje het wat hoog in de bol heeft, maar is blij met de huwelijksplannen. Ze trouwen in maart 1897. Jan is dan 39 jaar en Jentje is 24. Als Oude Jan Czn. een jaar na het huwelijk in 1898 overlijdt, komt de directeursfunctie vacant.
Jentje is net zo vastberaden en eigenzinnig als haar vader. Ze weet wat ze wil. Ze geeft haar man genoeg zelfvertrouwen om de leiding van de N.V. Rahder over te nemen. Op voordracht van bestuurslid Coen Rahder jr., wordt Jonge Jan per 13 maart 1899 directeur van de N.V. Rahder Machinale Turf.
Jan blijft met zijn bruid in ‘Huize ten Brink’ wonen. Vlak na de eeuwwisseling in 1902 koopt hij ‘Huize Blokland’ als weduwe Margje Rahder in Haarlem gaat wonen bij haar getrouwde dochter. Jan neemt er zijn intrek met Jentje, dochter Wilhelmina ‘Mien’ en zoon Jacob ‘Jaap’. Kort daarna worden Jan en Gerhardus ‘Ger’ er geboren. Het huis wordt vergroot met een nieuwe opbouw. Een nieuwe eeuw, een nieuw begin.
Dit is een fragment uit het boek: “Hoe de Rahders Drenthe veranderden”. Het boek is hier te bestellen.
De Molen van Thomas in Noordscheschut Molenaar Jacob Thomas (1844-1909) Jentje Thomas – Rahder
Het is zomervakantie 2020. Niet de periode om verre reizen te maken. We gaan een tocht maken naar de Duitse kant van de Dollard. Daar ligt aan de monding van de Eems een prachtig havenstadje Ditzum. Ooit maakten de voorouders van mijn oma Hetty Voerman – Mansholt de tocht in omgekeerde richting.
Derk Mansholt is in de kracht van zijn leven als hij in 1866, als 26-jarige jongeling, met zijn familie in Eexta op boerderij ‘Vogelzang’ komt wonen. Zijn ouders Ubbo en Tettje hadden een boerderij in een klein gehucht op de modderige westoevers van het Pruisische Ditzumerhammrich waar de Eems uitmondt in de Dollard. Het was een onherbergzame en verlaten uithoek. Het duurde drie uur voordat je Emden bereikte, de eerste grote plaats in de regio. Er waren regelmatig overstromingen, zodat de boerderij helemaal van de buitenwereld was afgesloten.
Derk heeft er een gelukkige jeugd gehad in de kleine dorpsgemeenschap. Zwemmen in de vele sloten, samen muziek maken na de avondmaaltijd en kattenkwaad uithalen met zijn vrienden in het volle klaslokaal, waar 80 kinderen samenkwamen. De onderwijzer die zo karig werd betaald dat hij iedere avond bij één van de ouders aan moest schuiven voor zijn maaltijd, had de lepel in zijn knoopsgat, schrijft Derk. Later benam de arme man zich van het leven. Zijn bestaan was te uitzichtloos. De familie Mansholt was een grote familie. Derk zal er veel later, ter ere van zijn 40-jarige huwelijksfeest, liefdevol over schrijven in zijn boekje met jeugdherinneringen “Vor einem halben jahrhundert”.
Derks ouders hebben echter genoeg van het Calvinistische, stijve en behoudende Duitsland en zien betere kansen in het meer liberale Nederland. Ze denken er als boerengezin met frisse plannen een betere toekomst te hebben. Ubbo Mansholt sr. was met zijn zonen al doende met het kweken van nieuwe akkerbouwgewassen als tarwe, aardappelen en erwten die beter bestand moesten zijn tegen de slechte weeromstandigheden. Halverwege de 19e eeuw hadden de boeren veel slechte oogsten door de aanhoudende regens en de strenge winters.
De schoolloopbaan van Derk is kort. Hij is er trots op dat hij al zijn kennis via zelfstudie heeft verworven. Maar hij heeft een goede start op het schooltje in Ditzum. Hij krijgt gedegen lessen schei- en natuurkunde van goede onderwijzers van wie er eentje zelfs hoogleraar in Hannover zal worden. Derk en zijn broer Jochum en later de zonen Ubbo jr. en Riek verwerven faam met hun veredeling van gewassen en moderne ideeën over het bemesten van de aarde. En het blijft niet bij ideeën over de akkerbouw. De familie heeft ook een sterke eigen kijk op de samenleving.
In een afscheidsbrief aan een nichtje schrijft Derk: “De volgende keer dat ik je zie hebben we boeldag en daarna vertrekken we naar ‘das kalte Holland’. Maar we nemen ook veel mee. Vooral de kunst, muziek en gedichten”. Een hardnekkig verhaal in de familie is dat Derk een geheime liefdesrelatie in Ditzum met veel moeite heeft moeten verbreken voordat hij verhuisde.
Uit het dagboek van Hetty Mansholt (geboren 20 april 1898).
Hetty is 17 jaar en geniet volop van de danslessen met ‘Siegfried’, haar oude vriendinnengroep uit het Zuiderpark in Groningen. Iedere week worden ze met koetsjes opgehaald om te gaan dansen. Als ze de one step, two step foxtrot leren, houdt ze er mee op. “Het geeft me een te vrij gevoel”, schrijft ze in haar schriftje. Tennissen doet ze ook op de banen van de boerderij ‘Landlust’ van Egbert Vorenkamp aan de rand van Helpman. Bij het theehuis en het doolhof liggen ook enkele tennisbanen van aangestampt zand.
Even later schrijft ze over de Engelse soldaten die in de stad zijn gelegerd. De Eerste Wereldoorlog is in volle gang. Ze hebben hun kamp opgeslagen in houten barakken achter het Sterrebos, op het terrein waar Hetty hockeyt. Omdat Nederland neutraal is gebleven moeten ze volgens internationaal recht soldaten van strijdende partijen opvangen. De Engelse soldaten zijn op afroep beschikbaar voor de strijd aan het front in België, maar ze zullen ruim 4 jaar in Groningen blijven. De houten barakken, door de Engelsen Timbertown genoemd, zijn verre van comfortabel. Zomers zeer warm, koud in de winter. “De Tommy’s veroveren vooral de harten van de burgermeisjes”, schrijft Hetty. “Ze lopen gearmd door de Heerenstraat en dan gaan ze mee naar Engeland, maar komen later teleurgesteld terug met een kind”.
Het dagboek van soldaat John Henry Bentham vertelt het verhaal van Engelse zijde:
“We waren een echte bezienswaardigheid in Groningen: grote groepen mensen kwamen ons door het kazernehek aanstaren. Vooral op zondagmiddag was het erg druk: we voelden ons als apen in een dierentuin. We waren trouwens erg populair bij de Groninger meisjes en door het hek van de kazerne heen werden de eerste vriendschappen aangeknoopt”. De soldaten zorgen voor een krachtige schokgolf. Het uitgaansleven is levendiger dan ooit. Er wordt een nieuw soort muziek gemaakt. Er zijn nieuwe theatervoorstellingen waar de soldaten ook de vrouwenrollen spelen en de stedelijke voetbalclub Be Quick wordt kampioen mede dankzij Engelse spelers. Een aantal soldaten maakt cabaret met zang en dans, soms verkleed als vrouwen. Onder de naam Timbertown Follly’s maken de Engelsen furore en treden op in de stad en daarna trekken ze door heel Nederland.
Hetty Mansholt, op de tennisbaan 1915 Het Engelse kamp
Jongere broer Tijs verlaat in 1912 het gezin en gaat in Rotterdam en later in Amsterdam een studie tot ingenieur volgen. Niet veel later gaat ook Willem het huis uit om in Delft te studeren. Edu volgt aan huis een opleiding voor de akte van onderwijzeres. Paul wil boer worden, maar wordt tijdens de Eerste Wereldoorlog opgeroepen voor het leger.
Jan leeft nog steeds in een glazen kooi. De fiets doet zijn intrede in het gezin, maar Jan mag daar nauwelijks gebruik van maken. Hij zal zijn handen eens kunnen verwonden. Jan bezoekt zijn broer in Amsterdam en ruikt er aan een ander leven. In 1912 schrijft hij naar de Academie van Beeldende Kunsten met de vraag of hij daar lessen kan volgen.
De directeur is een studievriend van zijn vader en nodigt Jan uit. In zijn brief staat dat het een groot voordeel is dat zijn vader hem uitmuntend kan begeleiden en dat Jan een deel van de studie in Hattem mag doen.
Jan wordt toegelaten maar moet wachten op de jaargang 1913-1914. Hij gaat wonen in de Marnixstraat bij het Leidseplein. Hij verdiept zich vooral in de techniek van het schilderen. Ook leert hij timmeren en krijgt lessen in de smederij van Fox. Ondertussen maakt hij de plaatjes voor het Verkade-album ‘Bosch en Heide’ waarmee hij de studie kan betalen.
Jan heeft de tijd van zijn leven. Hij wordt door zijn ooms Verkade uitgenodigd voor een diner in de tuinen van hotel Krasnapolsky. Hij krijgt zijn eerste kostuum. Tijs is er, en ook Edu in een nieuwe japon. Voor Jan is eten in een restaurant altijd een ultieme feestelijkheid gebleven. In Hattem werd het bericht over het diner kritisch bekeken. Vader Voer had immers in grote armoede in Amsterdam geleefd. Een ware kunstenaar heeft geen kostuum nodig.
Jan bezoekt het Rijksmuseum en geniet van het werk van Rembrandt. Zijn favoriete werk ‘De jonge Hendrikje Stoffels bij het raam’ ziet hij pas zestig jaar later in een achteraf kamertje in het Louvre. Jan ziet er ook werk van Breitner en Toorop met wie zijn vader nog heeft geschilderd. Er is werk van Van Gogh met zijn felle kleuren die steeds populairder worden. Vooral de publicatie van de brieven van Vincent aan Theo, die net in drie delen zijn uitgekomen, worden een openbaring. Een kunstenaar, met al zijn gedachten en twijfels, van dichtbij leren kennen was nieuw en gaf een nieuw licht op diens werk.
Na een jaar vertrekt Jan tijdelijk weer naar het ouderlijk huis in Hattem. Door de dreigende oorlog moet hij al het werk aanpakken wat zich aandient. Voor het nieuwe Verkade-album ‘De Zuiderzee” moet hij veel reizen. Het is een laatste kans om de oude Zuiderzee te zien voordat de Afsluitdijk er een meer van maakt.
Jan Voerman Jr. staand links, tijdens een schildersklas Jan Voerman Jr, met broer Tijs in rok kostuum op weg naar een feest in Krasnapolsky tijdens hun studietijd in Amsterdam
Noordscheschut – Een grote historische schat lag 23 jaar lang bij Peter Voerman in een hutkoffer op zolder. Het is het familiearchief van de familie Rahder, de bekende turffamilie die drie generaties lang turf won langs de Hoogeveensche Vaart. Voerman is de kleinzoon van de laatste vervener Jaap Rahder. Dankzij dit archief ontstond het boek ‘Hoe de Rahders Drenthe veranderden’, geschreven door Kees Opmeer uit Ruinen.
Café Troost in Noordscheschut, met uitzicht op de Hoogeveensche Vaart, is een mooie plek om deze boekpresentatie te houden. Het is de grond waar de familie Rahder fortuin maakte, maar ook goed voor haar medewerkers zorgde. Het boek schetst een beeld van de turfwinning in Drenthe, maar vertelt ook een familiegeschiedenis over bijzondere mensen die Drenthe veranderden.
Bijna een kwart eeuw had Peter Voerman de hutkoffer vol met schatten op zolder staan. ,,Wat doe ik ermee? Het is een vraag die me jarenlang bezighield. Mijn ouders wilden graag dat ik me over deze spullen zou ontfermen. Jarenlang deed ik er niets mee. Ik werd in beslag genomen door mijn gezin, een drukke baan en dagelijkse beslommeringen. Opeens had ik het gevoel dat de tijd me op de hielen zat. Mijn ouders overleden relatief jong. Dat geldt ook voor veel van mijn voorouders. Als ik hun genen heb, dan kan ik geen jaren meer wachten.”
‘Zeuren’
Voerman kwam terecht bij Kees Opmeer, die al jaren tegen hem zei dat hij wat met het archief moest doen. Het boek over de Rahders is het 50e boek dat Opmeer schrijft. De schrijver uit Ruinen moest lang ‘zeuren’. ,,Het heeft jaren geduurd voordat Peter zover was. Het boek is geschreven vanuit het oogpunt van Peter. Dat is mooi, maar je moet uitkijken dat je het niet romantiseert. Daarom hebben we een team samengesteld, bestaande uit Wim D. Visser en Albert Metselaar, om alle feiten te checken. De keuze voor deze invalshoek is genomen om in het boek de Rahders van vlees en bloed te laten worden. Daarom voel ik me nu ook een beetje een Rahder”, vertelt Opmeer lachend.
Tijdens de eerste afspraak die de heren hadden, stalde Voerman al het materiaal uit op tafel. ,,Ik dacht dat het Kees misschien af zou schrikken.” De schrijver schudt zijn hoofd. ,,Nee, absoluut niet. Ik dacht: er ligt hier een schatkamer. Ik kreeg een groot deel van het archief mee naar huis. Mijn werkkamer lag vol. Het rook er echt naar het verleden.”
De speurtocht naar alle geheimen begon en Opmeer stuitte op prachtige pareltjes. Het feit dat de stoel waar Koning Willem III opzat toen hij de Rahders bezocht tijdens een reis naar Drenthe, al die tijd bij de familie in huis heeft gestaan en de koningsstoel werd genoemd bijvoorbeeld. Historicus Wim D. Visser zou deze stoel nog graag een keer traceren. Ook hij heeft meer met de familie Rahder dan alleen in historisch opzicht. Zijn voorouders woonden een tijdlang naast de familie Rahder in Dedemsvaart en 60 jaar later kwamen er weer nazaten van hem en van de Rahders naast elkaar te wonen. Hij biedt Voerman een portret aan van Koen Rahder, dat hij in zijn bezit heeft en die jarenlang op zolder stond te verstoffen. ,,De familie wilde het niet hebben, maar ik wist dat er ooit een kans bestond dat ik het aan een nazaat aan zou kunnen bieden. Dit is een prachtige gelegenheid.”
Maar wat hebben de Rahders nou betekend voor Drenthe? Het is een vraag die Peter Voerman in het einde van het boek beantwoordt. In het boek valt te lezen wat ze allemaal hebben gedaan en hoe het er aan toeging in het Drenthe van de 19e en begin 20e eeuw. De Rahders waren de eerste die een machine hadden voor machinale vervening, ze stonden aan de wieg van de basisschool in Tiendeveen en hadden oog voor de gezondheid van hun medewerkers. ,,In de canon van Drenthe wordt de familie Rahder niet genoemd als het om de vervening gaat. Daarom koester ik dit boek. Het is mijn manier om de familie te behoeden voor vergetelheid. Dat verdienen ze.”
Het eerste exemplaar van het boek wordt tijdens de presentatie aangeboden aan burgemeester Karel Loohuis. Gespreksleider Serge Vinkenvleugel heeft nog een vraag: of er nog meer hutkoffers bij Voerman op zolder stonden. Voerman is natuurlijk niet alleen een Rahder, er stroomt nog ander bloed door zijn aderen. Ook stamt hij af van de schilder Voerman en ook daar ligt nog een archief van bij hem op zolder. Of dat ook een boek wordt? ,,Dat weet ik nog niet zeker, maar Kees en ik zijn er wel naar aan het kijken. Ook in deze hutkoffer vinden we allemaal schatten. Ach, het is eigenlijk gewoon een ja.”
Woensdag 10 juni wordt het boek met het verhaal over de familie Rahder gepresenteerd. Vrijdag 5 juni was er een item op RTV Drenthe en zondag 7 juni is er een radioverhaal op Drenthe Toen.
We vonden ze overal in het lege huis, de flesjes Otrivin neusdruppels. Achter de kleren in de mooie mahonie klerenkast met ramen. Een kast die mijn broers en ik alle drie graag wilden hebben. Op het nachtkastje natuurlijk. In de keuken bij de kruiden. In de douche en in de bovenste la uit het Tante Edu-kastje waar de bijzondere spulletjes werden bewaard. Mijn moeder was een Otrivin veelgebruiker geweest en had als een echte verslaafde overal flesjes paraat. In 1996 waren het nog mooie glazen flesjes met een echte pipet. Veel mooier dan de plastic spuitflesjes van nu. We riepen naar elkaar als we weer een flesje hadden gevonden. Het was een kleine zonnestraal in een donkere periode; de nazomer waarin we de oude boerderij van onze ouders leegruimden. De zorgvuldig verbouwde Saksische boerderij met de grote leefkamer met daarin de hoge Lundia boekenkasten met honderden boeken waarvan de bovenste planken alleen te bereiken waren met een trapje. Honderden romans, allemaal door mijn moeder gelezen en vele geschiedenisboeken waaronder het complete werk van Lou de Jong. En dan nog de slaapkamer, logeerkamers en de schuren waarin de balen hooi voor de schapen lagen opgestapeld. De kleinkinderen vonden het heerlijk om er op te klauteren en af te glijden.
En niet te vergeten de grote zolder. De zolder waar wij als kinderen bijna nooit kwamen. Er bleken grote stalen boekenkasten te staan vol met nog meer boeken en ordners. Er waren grote kisten met opschriften als P. Voerman en U.J.M. De legerkist van Paul Voerman, broer van mijn opa en de reiskoffer van Ubbo Johan Mansholt, de opa waarnaar mijn vader werd vernoemd. De koffer is gebruikt op de reis die Ubbo Mansholt maakte als rijkslandbouwleraar naar Canada. Tijdens die reis werd hij ziek en hij zou op jonge leeftijd overlijden. Op de ordners stond vooral N.V. Rahder Machinale Turf, het bedrijf van mijn opa. En dan dozen en mappen vol studiewerk van mijn opa en van mijn overgrootvader Voerman, de kunstschilders. De nalatenschap van de familie Voerman, Rahder en Mansholt. Dat alles onder een laagje stof vermengd met stro en vogelpoep. De zolder was goed bereikbaar via de ûleborden op het dak.
Het grote huis was akelig stil en voelde leeg. Maar we hadden al snel gemerkt dat we alle spulletjes nooit in onze eigen huizen kwijt zouden kunnen; de antieke meubelen, de boeken, de schilderijen. Mijn vader, die steeds meer last had van Parkinson, was plotseling gestorven en mijn moeder stierf zeer kort daarna op de dag van zijn begrafenis. Ze had haar Ubbo zo lang mogelijk geholpen met zijn ziekte maar na zijn dood zat die taak erop. De dag voor de begrafenis had ze nog verzucht dat ze niet wist hoe ze die dag zonder Ubbo zou moeten doorkomen. Mijn moeder die altijd alles aankon en nooit opgaf. Die ochtend lag ze vredig, maar dood in haar bed. Het boek over ‘De Westpolder’ dat we de dag ervoor hadden gekregen van de familie Mansholt nog in haar handen. We hadden een tochtje gemaakt naar Vierhuizen in de Westpolder waar een groot deel van de familie Mansholt ligt begraven en waar ook Ubbo een plekje had uitgezocht. Mijn moeder wilde zien waar Ubbo naar toe zou worden gebracht. Ze vond het een prachtig kerkhofje, maar zelf wilde ze in het dorp waar ze nu woonde begraven worden, onder de treurwilg.
Gevolg van een onverwacht overlijden is dat je niet de tijd hebt om alles te ordenen. Wat is voor het nageslacht en wat moet weg? Die keuze moesten wij nu maken. Over de meubels, het antiek en de schilderijen waren we het snel eens. Een deel om te verdelen en een deel voor de rest van de familie. Maar wat te doen met de dozen en mappen van onze voorouders? Mijn jongste broer ging rigoureus te werk. Hij laadde de aanhanger vol en reed veelvuldig naar de stortplaats in het nabijgelegen Oosterwolde. Een paar keer viste ik er nog wat schilderstudies uit. Alle drie hadden we jonge gezinnen en drukke banen. We hadden geen tijd en rust om alles op waarde te schatten. Het huis moest leeg en verkocht. We hadden nauwelijks tijd om na te denken over die voorouders.
In het laatste weekeinde voor de verkoop van het huis nam ik de drie grote kisten mee. Ze kwamen terecht in de garage en later op de zolder van ons nieuwe huis “De Oude School” in Westervelde. De zolder liep door over het woonhuis, de oude bovenmeesterswoning en de twee klaslokalen. De kisten vielen er nauwelijks op. Toen de kinderen uitvlogen en we kleiner gingen wonen, kwamen de kisten weer in zicht. Onze nieuwe woning had helemaal geen zolder. Het was tijd om ze te openen, tijd om te ordenen, tijd om mee te nemen wat waarde heeft en achter te laten wat ballast is. Het ordenen heeft me 5 jaar gekost. Stapels brieven, schrijfsels van mijn oma Hetty Voerman-Mansholt, dagboekaantekeningen van mijn moeder, foto’s, tekeningen, testamenten, oude paspoorten en rijbewijzen, spelden, oorkondes, bedrijfsadministratie. Vaak heb ik me afgevraagd of die brieven en aantekeningen vol liefde, maar ook vol onbehagen voor mijn ogen bestemd waren. Als zoon van een lerares geschiedenis zie ik de levens van mijn voorouders ook in de tijd waarin ze leefden. De archiefstukken gaan terug tot circa 1850, de tweede helft van de 19e eeuw, een periode waarin Nederland het onder koning Willem III lastig had. Strenge winters, armoede, aardappelziektes, een tekort aan voedsel en een periode van grote politieke en culturele verschuivingen.
Dit verhaal begint met een vulkaanuitbarsting in 1815 die de hele wereld enkele jaren in het duister zet. Hoe het eindigt is nog onbekend, maar nieuwe tekenen van toekomstige uitbarstingen met wereldwijde gevolgen zijn er volop.
Het was de grootste uitbarsting van een vulkaan die de mens ooit had gezien. Net voor middernacht op de 10e april 1815 werd de top van de ‘Tambora’ op het eiland Soembawa in Nederlands-Indië weggeblazen. De vreselijke uitbarsting, heftiger dan duizenden atoombommen, was tot op een afstand van wel 2.500 kilometer te horen. Het eiland kwam op verschillende plaatsen meters uit de zee omhoog en werd bedekt met meters puin en as. Een hele cultuur verdween. 150 kubieke kilometer puin en vulkanische as kwamen in de atmosfeer terecht, dwars door de ozonlaag, 43 kilometer hoog.
Na twee maanden bereikte die vulkanische as Londen. Er waren bloedrode zonsondergangen gevolgd door zware regenbuien die niet meer leken te stoppen. Er viel zoveel regen dat de legers van Napoleon vastliepen in de modder bij Waterloo. Het bleek het einde van Napoleon, het einde van een tijdperk in Europa.
Het werd erger. Het nieuwe jaar 1816 werd later wereldwijd het jaar zonder zomer genoemd. In de zomer viel er sneeuw in Noord-Amerika en in Europa was er vanaf augustus nachtvorst. Veel ingezaaide velden kwamen niet tot bloei. De extreem lage temperaturen zorgden achtereenvolgens voor mislukte oogsten, hongersnood, voedselrellen en plunderingen. Het weer was jarenlang van slag waardoor in Nederland door alle stormen en regenval de dijken verzwakten. Na weer zo’n stormseizoen en een stormvloed ontstonden in 1825 ernstige watervloeden die half Nederland onder water zetten.
Na drie jaar met misoogsten werd de gemiddelde prijs voor voedsel bijna 3 keer zo hoog. Hele volksstammen moesten buiten hun vertrouwde omgeving op zoek naar voedsel. Hongersnood en overstromingen veroorzaakten tyfus- en cholera-epidemieën. Het jaar zonder zomer zorgde alleen al in Europa voor de dood van 200.000 mensen. Veel mensen scheepten zich in voor een nieuw begin in Amerika. De nieuwe migranten trokken van de oostkust door naar het onontgonnen westen.
Uit as en chaos ontstaat vaak iets nieuws. Het bestuur kreeg een nieuw gezicht, omdat overheden inzagen dat ze een taak hadden om inwoners te ondersteunen. Het is niet toevallig dat in deze periode in Nederland de Koloniën van Weldadigheid ontstonden.
Nieuwe middelen van vervoer, zoals de fiets, werden bedacht, omdat door het aanhoudende tekort aan voedsel veel minder paarden konden worden ingezet. Wetenschappers gingen aan de slag om nieuwe misoogsten te voorkomen en de landbouw te vernieuwen met nieuwe, sterkere gewassen en kunstmest. Er was een grote belangstelling voor studies naar klimaat en vulkanologie. En de rampen waren inspiratie voor nieuwe uitvindingen, zoals het reddingsvest en pijnstillers. Zelfs in de wereld van de kunst was er een onverwachte, misschien wat duistere bloei. Vanwege het slechte weer zaten schrijvers, zoals die van Frankenstein, binnen en bedachten de meest vreselijke griezelverhalen. Kunstenaars als de Engelse schilder William Turner schilderden dreigende landschappen met roodzwarte luchten.
De periode, in het eerste kwart van de 19e eeuw, was ook voor mijn voorouders aanleiding om nieuwe stappen te zetten. Aaltje Schraat zakt met haar familie vanuit Duitsland de IJssel af naar waar de rivier in de Zuiderzee stroomt bij het Kampereiland. Alle bezittingen van de familie Schraat, inclusief de beesten en de dienstmeid bevinden zich op het schip. Daar trouwt de levenslustige jonge vrouw met boerenzoon Reinder Voerman. Een paar jaar later krijgen ze weer te maken met een grote watersnood die bijna alle boerderijen rondom Kampen wegspoelt.
Op de terpen in Noord-Groningen zoals ‘Ewer’ bij Zuurdijk en bij Vierhuizen waren de boerenfamilies Hopma, Zijlma en Dijkhuis druk doende hun voeten en landerijen droog te houden. Grote stukken land werden ingepolderd. En hoewel er nog vaak overstromingen waren werd er veel nieuwe landbouwgrond bijgewonnen, zoals in de nieuwe Westpolder waar grote boerderijen werden gebouwd.
Even verderop in Wedde koopt notaris Koning, wiens zaken niet zoveel schade oplopen door het barre weer, de burcht in Wedde. Een steviger woonhuis is niet denkbaar. Vlak over de grens in de delta van de Dollard krijgt de jonge boerenzoon Ubbo Mansholt langzamerhand genoeg van de vele overstromingen. Hij zal echter pas 50 jaar later met zijn hele gezin naar hoger gelegen gronden bij Eexta in Groningen vertrekken.
Tot slot de familie Rahder die aan het einde van de 18e eeuw vanuit Mülheim in Amsterdam zijn beland waar onder de naam “De weduwe Rahder” een succesvolle wijnhandel is gestart. Ook de jonge Johan Coenraad Rahder zoekt een nieuwe uitdaging en smeedt plannen om een avontuur te beginnen door turf te gaan winnen in het woeste hoogveen van het nog lege Drenthe. De nieuwe tijd heeft brandstof nodig voor haar stoommachines.
Het was een tijd waarin mannen nog de koers bepaalden, maar vrouwen zich geleidelijk gingen roeren. De vrouwen van de boeren in het Groninger land hadden al min of meer een gelijkwaardige plek in de familie en in het bedrijfsleven, maar ook in het onderwijs en de zorg eisten vrouwen hun plek op. Anna Verkade en de Mansholtvrouwen waren voorlopers en hadden een aandeel in de vooruitgang met hun inzet voor het vrouwenkiesrecht en beter onderwijs.
In de veelal slecht verlichte en slecht verwarmde huizen was er een groot verlangen naar een nieuwe tijd met meer licht. Maar om succesvol aan het duister te ontsnappen is beweging noodzaak. En de wereld kwam in beweging. Ik begin het verhaal van mijn voorouders daarom vanaf het jaar zonder zomer. Vanuit de chaos in het eerste kwart van de 19e eeuw naar een nieuwe chaos: het huidige eerste kwart van de 21e eeuw. Een tijd waarin ondanks nieuwe vooruitgang en welvaart veel mensen meer ontevreden en boos zijn dan ooit. “Het is niet dat we het niet goed hebben, maar we weten niet meer hoe het beter kan!”