Kastanjes zoeken

Het regent en het is mistig. Herfst! Maar er zijn kastanjes en paddenstoelen en dat maakt bijna alles goed. Ik kan geen kastanje voorbij lopen zonder er uitgebreid naar te kijken. De mooiste neem ik mee maar helaas worden ze binnen op een schaal al snel dof. In de herfst van 1963 zocht ik kastanjes met mijn opa Jan Voerman Jr. Ook hij had oog voor de mooie dingen in de natuur. Maar hij kon ze ook vastleggen. Zijn kastanjes bleven voor altijd glimmen. Op mijn 5e verjaardag kreeg ik een schilderij met de kastanjes die we toen vonden. Ik zoek nu ook kastanjes met mijn kleinkinderen. Jammer genoeg kan ik ze alleen maar bewaren op een foto. Volgend jaar maak ik kastanje en eikelmannetjes.

Oma Henriette, ‘Ka’

De oma van mijn oma Hetty Voerman Mansholt was Henriette Zijlma geboren en getogen in de omgeving van Zuurdijk (1828 – 1913). Ze werd ook wel ‘Ka’ genoemd omdat ze een vrouw was met een sterke eigen wil. Omdat de herenboeren geld genoeg hadden voor knechten op het land en dienstmeiden in huis was er tijd voor lezen, breien en vertier. De leeskringen in de Marne floreren dan ook rond 1850. Henriette, ‘Ka’, is nog iets vrijer dan in haar tijd gebruikelijk was. Toen haar oudere broer Jan Zijlma wilde trouwen met een meisje uit een ander familie van herenboeren, kon dat alleen als Henriette zou trouwen met de broer van de beoogde bruid. Henriette weigerde en maakte haar eigen keuze. Jan Zijlma is nooit meer getrouwd en heeft zijn zus nooit vergeven. Ka zou niets van het familiebezit erven.

Jan en zijn broer Geuchien zijn bekende inwoners van de Marne. Jan Zijlma heeft boeken geschreven waaronder een boek over de geschiedenis van de Marne. Geuchien was een herenboer, liberaal politicus en actief als gemeente- en provinciebestuurder in Groningen. Daarna werd hij lid van de Tweede- en Eerste Kamer. Ook Geuchien heeft, in Gronings dialect, over zijn jeugd in het dorp Zuurdijk geschreven. Ze liggen samen met vrouw en ouders begraven op het mooie kerkhofje in Zuurdijk.

Ka wordt verliefd op de charmante student Stefanus Louwes. Stefanus heeft al op jonge leeftijd zijn ouders verloren en is opgevoed door familie van moeders kant. Deze regenten familie Winsingh uit Roden is welgesteld en konden zijn studie betalen. Stefanus is een man met een zwakke gezondheid. Hij breekt zijn studie theologie al snel af, omdat hij meer van feesten houdt dan van boeken. In die tijd is het motto dat een mislukte student nog altijd kon gaan boeren. Maar ook het boerenleven kan hij niet aan. Stefanus blijft van drank houden en is een graag gezien lid van feest comités in het dorp. Het gemis van zijn ouders maakt hem tot een wat sombere en starre man met ‘een harde mond en treurige ogen’. Stefanus en Ka trouwen en gaan wonen in het Gazenhuis, maar daar is het vochtig en er is weinig ruimte.

De leefomstandigheden zijn vooral voor kinderen zwaar. Veel kinderen sterven dan ook op jonge leeftijd.  Er zijn veel ziektes als hondsdolheid, tyfus, cholera en rachitis en vooral in de winter met de harde, koude oostenwinden is het leven hard. Na de geboorte van het oudste kind van Ka en Stefanus Trijntje komen er drie kleintjes die allen jong sterven. Daarna komen Hendrik Jan, Hilda, Grietje en tot slot Louwe.  De opvoeding is autoritair en ruw. Vaders wil is wet. Kinderen worden bang gemaakt met dreigementen, in de arm geknepen, vastgebonden in hun kinderstoel en beknord. Het is vanaf de afgelegen boerderij ruim een uur lopen naar de school. De zomers zijn beter, met frisse lucht en volop fruit en alle ruimte om te spelen.

Henriette Louwes – Zijlma de grootmoeder van mijn oma

Huize Blokland

Coen Rahder heeft de Willeminavaart rond 1860 zelf laten graven als zijtak vanuit de Hoogeveensche Vaart tot de Drijberse Hoofdvaart te Tiendeveen, met een lengte van ongeveer 2,5 km. Zo kan de turf uit zijn wijken, of in het Drents ‘wieken,’ nog beter worden afgevoerd. Het kanaal vernoemt hij naar zijn vrouw. In 1924 zal het kanaal nog worden doorgetrokken naar Beilen, verbreed en omgedoopt tot het Linthorst Homankanaal. Een aantal zijtakken in het veengebied vernoemt Coen naar zijn geliefde plekken in Amsterdam: ‘Kattenburg’, ‘Binnenkant’, ‘Keizersgracht’ en ‘Herengracht’. Het water in de kanalen en vooral in de zijtakken kleurt donkerzwart vanwege het hoogveen. Het geeft het water een magische duistere gloed.

In 1863 koopt Coen een oude moestuin met veel fruitbomen van Gesiena Warmels. Het is een prachtig plekje aan de schut in de Hoogeveensche Vaart. Je hebt daar goed zicht op de gehele vaart. In 1867 bouwt de derde zoon van Coen en Mien, J.C. Rahder jr. daar een huis. Het wordt ‘Huize Blokland’ genoemd naar de geboorteplaats van zijn vrouw Tonia Habermehl.

Dan blijkt uit een brief van zijn moeder W.P.C. Rahder–Van Voorthuysen, gedateerd 19-2-1868, aan de kinderen op de kostschool, dat er zich een klein drama afspeelt in het jonge gezin van Coen jr. 

“Gisteren was er een droevige melding. Ik was bij Tonia geweest toen de kleine Gottfried opeens zulke eene akelige benauwdheid kreeg. Hij was akelig maar dat ging weer voorbij en dat kindje was weer geheel beter en sliep ’s nachts in goede gezondheid.  Maar ’s morgens, zij wilden juist gaan ontbijten, kreeg het weer zo’n benauwdheid waar het ineens in bleef, zij kwamen mij roepen maar het kindje was al dood toen zij het huis uitgingen om mij te halen. In 5 minuten was alles afgelopen. Vind gij dat niet allertreurigst? Zij zijn innig bedroefd, dat kunt u lieden zich voorstellen. Ik ga er straks weer naar toe.”

In het jaar ervoor was de vader van Tonia overleden en begin 1868 was haar broer ernstig ziek, hij leed aan de pleuris. Het overlijden van de kleine Gottfried was de druppel. Tonia wil weg uit de koude, tochtige streken in Drenthe. Ze wil naar de stad Amsterdam waar haar schoonzusters al woonden. Coen Rahder jr. neemt de aandelen in de wijnhandel over van zijn oudere broer Jan. Hij wordt daarmee mededirecteur bij de Weduwe H. Rahder en zet ‘Blokland’ te koop.

Het huis zal jaren leeg staan en wordt beheerd door broer Herbert. Alleen zomers komt er af en toe familie. In 1874 koopt Herbert het huis en verhuurt het aan Oude Jan die het later zelf weer overkoopt. Oude Jan woont er met zijn gezin tot zijn dood in 1898. Jan drijft dan een winkel aan de Wilhelminavaart met allerlei goederen en verhuist ook die zogenaamde ‘bazaar’ naar Blokland. De hele familie werkt mee. Jans tweede vrouw Margje vertelt nog jaren later dat ze een kromme rug heeft overgehouden aan het sjouwen van zakken suiker en meel.

Niet veel later in 1868 bouwt zoon Herbert ‘Huize Veen en Dal’ ook aan de Hoogeveensche Vaart, een verbeterde versie van Huize Blokland. Herbert gaat er na zijn huwelijk met Ykje Post uit Groningen wonen. Ykje is familie van apotheker Radijs uit Hoogeveen die in het boek Publieke Werken van schrijver Thomas Rosenboom wordt opgevoerd als Anijs. Beide huizen Blokland en Veen en Dal staan nog prominent in het centrum van Noordscheschut.

Dit is een fragment uit het boek “Hoe de Rahders Drenthe veranderden”. Het boek is hier te bestellen.

Huize Blokland, Tekening van Anna Heil uit 1892

Pot ‘Augustine’

Jan Voerman Sr. geeft de lessen aan Jan Verkade in diens ouderlijk huis aan de Vecht. Hij ontmoet daar ook diens zus Anna Verkade en wordt verliefd. Zakenman Eric Verkade is niet direct blij met de keuze van zijn dochter. Wat heeft een arme kunstenaar haar te bieden? Er moet geld worden verdiend. Het tafelzilver is al verkocht om de huur te betalen. Het wordt voor Jan tijd om ander werk te maken. Op een dag komt Augustine Obreen naar de les met een verhaal over een prachtige gemberpot die zij gezien heeft op een schuit in de gracht. Prachtig grijs glazuur met blauwe vlammen die oplichten in de zon. Verweerd doordat de schippersvrouwen jarenlang soda in de pot bewaarden. Jan schildert met bloemstillevens in de pot zijn eerste nieuwe werk. Hij spaart genoeg om Eric de hand van zijn dochter te vragen. Deze gemberpot ‘Augustine’ komt in veel van het vroege werk van Jan Voerman voor. Ook het schilderij “Pot met Azalea’s” dat bekend is geworden als voorkant van het boek “Knielen op een bed violen” van Jan Siebelink, is uit deze serie.

“Pot Augustine” door Jan Voerman Sr., collectie De Fundatie Zwolle

De dochter van de molenaar

Jan Rahder jr. (1858 – 1924) is nog steeds niet getrouwd. Dan ontmoet hij Jentje Thomas (1872-1953) die helpt in het huishouden op Blokland waar dan Margje Rahder-Van Veen, de weduwe van zijn broer Oude Jan, woont. Jentje is de dochter van molenaar Thomas van de molen de ‘Korenbloem’ even verderop aan de vaart in Noordscheschut. Hij heeft de molen in 1886 voor 4000 gulden gekocht van de oude eigenaar Gerrit Jan Oldenkamp. Van die aankoopsom gaat maar liefst 3465 gulden naar Meeuwes Robaard “ter afdoening van eene schuld tot dat bedrag met rente op de verkochte en gekochte molen rustende hypothecaire schuld”.

Jacob pachtte daarvoor de molen in ’t Haagje in Hoogeveen, maar kreeg daar een fikse ruzie met eigenaar Berend Eleveld. Thomas was in die periode succesvol en had voor zijn vrouw Berendina Gezina Knegt een gouden oorijzer gekocht. Eleveld zag dat als een gebrek aan nederigheid en weigerde daarop de pacht te verlengen.

Nu kan niemand Jacob Thomas iets meer vertellen en is hij eigen baas. Het gezin Thomas verhuist nog hetzelfde jaar naar Noordscheschut en gaat wonen in een boerderij op het Noordsche Opgaande. Vlak voor de eeuwwisseling zorgt hij ervoor dat de Korenbloem de eerste molen in Drenthe is die met een petroleummotor wordt aangedreven. Hij is nu niet meer afhankelijk van goede wind. Jacobs zoons Jan en Cornelius zullen ook molenaar worden.

Dochter Jentje trouwt later dan haar jongere zus Aaltje, maar ze heeft een goede keuze gemaakt. Ze trouwt met een Rahder ook al is haar echtgenoot een stukje ouder. Haar familie vindt dat Jentje het wat hoog in de bol heeft, maar is blij met de huwelijksplannen. Ze trouwen in maart 1897. Jan is dan 39 jaar en Jentje is 24. Als Oude Jan Czn. een jaar na het huwelijk in 1898 overlijdt, komt de directeursfunctie vacant.

Jentje is net zo vastberaden en eigenzinnig als haar vader. Ze weet wat ze wil. Ze geeft haar man genoeg zelfvertrouwen om de leiding van de N.V. Rahder over te nemen. Op voordracht van bestuurslid Coen Rahder jr., wordt Jonge Jan per 13 maart 1899 directeur van de N.V. Rahder Machinale Turf.

Jan blijft met zijn bruid in ‘Huize ten Brink’ wonen. Vlak na de eeuwwisseling in 1902 koopt hij ‘Huize Blokland’ als weduwe Margje Rahder in Haarlem gaat wonen bij haar getrouwde dochter. Jan neemt er zijn intrek met Jentje, dochter Wilhelmina ‘Mien’ en zoon Jacob ‘Jaap’. Kort daarna worden Jan en Gerhardus ‘Ger’ er geboren. Het huis wordt vergroot met een nieuwe opbouw. Een nieuwe eeuw, een nieuw begin.

Dit is een fragment uit het boek: “Hoe de Rahders Drenthe veranderden”. Het boek is hier te bestellen.

De Molen van Thomas in Noordscheschut
Molenaar Jacob Thomas (1844-1909)
Jentje Thomas – Rahder

Een nieuwe start

Het is zomervakantie 2020. Niet de periode om verre reizen te maken. We gaan een tocht maken naar de Duitse kant van de Dollard. Daar ligt aan de monding van de Eems een prachtig havenstadje Ditzum. Ooit maakten de voorouders van mijn oma Hetty Voerman – Mansholt de tocht in omgekeerde richting.

Derk Mansholt is in de kracht van zijn leven als hij in 1866, als 26-jarige jongeling, met zijn familie in Eexta op boerderij ‘Vogelzang’ komt wonen. Zijn ouders Ubbo en Tettje hadden een boerderij in een klein gehucht op de modderige westoevers van het Pruisische Ditzumerhammrich waar de Eems uitmondt in de Dollard. Het was een onherbergzame en verlaten uithoek. Het duurde drie uur voordat je Emden bereikte, de eerste grote plaats in de regio. Er waren regelmatig overstromingen, zodat de boerderij helemaal van de buitenwereld was afgesloten.

Derk heeft er een gelukkige jeugd gehad in de kleine dorpsgemeenschap. Zwemmen in de vele sloten, samen muziek maken na de avondmaaltijd en kattenkwaad uithalen met zijn vrienden in het volle klaslokaal, waar 80 kinderen samenkwamen. De onderwijzer die zo karig werd betaald dat hij iedere avond bij één van de ouders aan moest schuiven voor zijn maaltijd, had de lepel in zijn knoopsgat, schrijft Derk. Later benam de arme man zich van het leven. Zijn bestaan was te uitzichtloos. De familie Mansholt was een grote familie. Derk zal er veel later, ter ere van zijn 40-jarige huwelijksfeest, liefdevol over schrijven in zijn boekje met jeugdherinneringen “Vor einem halben jahrhundert”.

Derks ouders hebben echter genoeg van het Calvinistische, stijve en behoudende Duitsland en zien betere kansen in het meer liberale Nederland. Ze denken er als boerengezin met frisse plannen een betere toekomst te hebben. Ubbo Mansholt sr. was met zijn zonen al doende met het kweken van nieuwe akkerbouwgewassen als tarwe, aardappelen en erwten die beter bestand moesten zijn tegen de slechte weeromstandigheden. Halverwege de 19e eeuw hadden de boeren veel slechte oogsten door de aanhoudende regens en de strenge winters.

De schoolloopbaan van Derk is kort. Hij is er trots op dat hij al zijn kennis via zelfstudie heeft verworven. Maar hij heeft een goede start op het schooltje in Ditzum. Hij krijgt gedegen lessen schei- en natuurkunde van goede onderwijzers van wie er eentje zelfs hoogleraar in Hannover zal worden. Derk en zijn broer Jochum en later de zonen Ubbo jr. en Riek verwerven faam met hun veredeling van gewassen en moderne ideeën over het bemesten van de aarde. En het blijft niet bij ideeën over de akkerbouw. De familie heeft ook een sterke eigen kijk op de samenleving.

In een afscheidsbrief aan een nichtje schrijft Derk: “De volgende keer dat ik je zie hebben we boeldag en daarna vertrekken we naar ‘das kalte Holland’. Maar we nemen ook veel mee. Vooral de kunst, muziek en gedichten”. Een hardnekkig verhaal in de familie is dat Derk een geheime liefdesrelatie in Ditzum met veel moeite heeft moeten verbreken voordat hij verhuisde. 

Het Engelse kamp

Uit het dagboek van Hetty Mansholt (geboren 20 april 1898).

Hetty is 17 jaar en geniet volop van de danslessen met ‘Siegfried’, haar oude vriendinnengroep uit het Zuiderpark in Groningen. Iedere week worden ze met koetsjes opgehaald om te gaan dansen. Als ze de one step, two step foxtrot leren, houdt ze er mee op. “Het geeft me een te vrij gevoel”, schrijft ze in haar schriftje. Tennissen doet ze ook op de banen van de boerderij ‘Landlust’ van Egbert Vorenkamp aan de rand van Helpman. Bij het theehuis en het doolhof liggen ook enkele tennisbanen van aangestampt zand.

Even later schrijft ze over de Engelse soldaten die in de stad zijn gelegerd. De Eerste Wereldoorlog is in volle gang. Ze hebben hun kamp opgeslagen in houten barakken achter het Sterrebos, op het terrein waar Hetty hockeyt. Omdat Nederland neutraal is gebleven moeten ze volgens internationaal recht soldaten van strijdende partijen opvangen. De Engelse soldaten zijn op afroep beschikbaar voor de strijd aan het front in België, maar ze zullen ruim 4 jaar in Groningen blijven. De houten barakken, door de Engelsen Timbertown genoemd,  zijn verre van comfortabel. Zomers zeer warm, koud in de winter. “De Tommy’s veroveren vooral de harten van de burgermeisjes”, schrijft Hetty. “Ze lopen gearmd door de Heerenstraat en dan gaan ze mee naar Engeland, maar komen later teleurgesteld terug met een kind”.

Het dagboek van soldaat John Henry Bentham vertelt het verhaal van Engelse zijde:

“We waren een echte bezienswaardigheid in Groningen: grote groepen mensen kwamen ons door het kazernehek aanstaren. Vooral op zondagmiddag was het erg druk: we voelden ons als apen in een dierentuin. We waren trouwens erg populair bij de Groninger meisjes en door het hek van de kazerne heen werden de eerste vriendschappen aangeknoopt”. De soldaten zorgen voor een krachtige schokgolf. Het uitgaansleven is levendiger dan ooit. Er wordt een nieuw soort muziek gemaakt. Er zijn nieuwe theatervoorstellingen waar de soldaten ook de vrouwenrollen spelen en de stedelijke voetbalclub Be Quick wordt kampioen mede dankzij Engelse spelers. Een aantal soldaten maakt cabaret met zang en dans, soms verkleed als vrouwen. Onder de naam Timbertown Follly’s maken de Engelsen furore en treden op in de stad en daarna trekken ze door heel Nederland.

Hetty Mansholt, op de tennisbaan 1915
Het Engelse kamp

Jan Voerman Jr. Een kunstenaarszoon op eigen benen

Jongere broer Tijs verlaat in 1912 het gezin en gaat in Rotterdam en later in Amsterdam een studie tot ingenieur volgen. Niet veel later gaat ook Willem het huis uit om in Delft te studeren. Edu volgt aan huis een opleiding voor de akte van onderwijzeres. Paul wil boer worden, maar wordt tijdens de Eerste Wereldoorlog opgeroepen voor het leger.

Jan leeft nog steeds in een glazen kooi. De fiets doet zijn intrede in het gezin, maar Jan mag daar nauwelijks gebruik van maken. Hij zal zijn handen eens kunnen verwonden. Jan bezoekt zijn broer in Amsterdam en ruikt er aan een ander leven. In 1912 schrijft hij naar de Academie van Beeldende Kunsten met de vraag of hij daar lessen kan volgen.

De directeur is een studievriend van zijn vader en nodigt Jan uit. In zijn brief staat dat het een groot voordeel is dat zijn vader hem uitmuntend kan begeleiden en dat Jan een deel van de studie in Hattem mag doen.

Jan wordt toegelaten maar moet wachten op de jaargang 1913-1914.  Hij gaat wonen in de Marnixstraat bij het Leidseplein. Hij verdiept zich vooral in de techniek van het schilderen. Ook leert hij timmeren en krijgt lessen in de smederij van Fox. Ondertussen maakt hij de plaatjes voor het Verkade-album ‘Bosch en Heide’ waarmee hij de studie kan betalen.

Jan heeft de tijd van zijn leven. Hij wordt door zijn ooms Verkade uitgenodigd voor een diner in de tuinen van hotel Krasnapolsky. Hij krijgt zijn eerste kostuum. Tijs is er, en ook Edu in een nieuwe japon. Voor Jan is eten in een restaurant altijd een ultieme feestelijkheid gebleven. In Hattem werd het bericht over het diner kritisch bekeken. Vader Voer had immers in grote armoede in Amsterdam geleefd. Een ware kunstenaar heeft geen kostuum nodig.

Jan bezoekt het Rijksmuseum en geniet van het werk van Rembrandt. Zijn favoriete werk ‘De jonge Hendrikje Stoffels bij het raam’ ziet hij pas zestig jaar later in een achteraf kamertje in het Louvre. Jan ziet er ook werk van Breitner en Toorop met wie zijn vader nog heeft geschilderd.  Er is werk van Van Gogh met zijn felle kleuren die steeds populairder worden. Vooral de publicatie van de brieven van Vincent aan Theo, die net in  drie delen zijn uitgekomen, worden een openbaring. Een kunstenaar, met al zijn gedachten en twijfels, van dichtbij leren kennen was nieuw en gaf een nieuw licht op diens werk.

Na een jaar vertrekt Jan tijdelijk weer naar het ouderlijk huis in Hattem. Door de dreigende oorlog moet hij al het werk aanpakken wat zich aandient. Voor het nieuwe Verkade-album ‘De Zuiderzee” moet hij veel reizen. Het is een laatste kans om de oude Zuiderzee te zien voordat de Afsluitdijk er een meer van maakt.

Jan Voerman Jr. staand links, tijdens een schildersklas
Jan Voerman Jr, met broer Tijs in rok kostuum op weg naar een feest in Krasnapolsky tijdens hun studietijd in Amsterdam

‘Hoe de Rahders Drenthe veranderden’ vertelt het verhaal van een bijzondere turffamilie: ‘Ik had het gevoel dat de tijd me op de hielen zat’

Door Henriëtte Meppelink.  11 juni 2020

Noordscheschut – Een grote historische schat lag 23 jaar lang bij Peter Voerman in een hutkoffer op zolder. Het is het familiearchief van de familie Rahder, de bekende turffamilie die drie generaties lang turf won langs de Hoogeveensche Vaart. Voerman is de kleinzoon van de laatste vervener Jaap Rahder. Dankzij dit archief ontstond het boek ‘Hoe de Rahders Drenthe veranderden’, geschreven door Kees Opmeer uit Ruinen.

Café Troost in Noordscheschut, met uitzicht op de Hoogeveensche Vaart, is een mooie plek om deze boekpresentatie te houden. Het is de grond waar de familie Rahder fortuin maakte, maar ook goed voor haar medewerkers zorgde. Het boek schetst een beeld van de turfwinning in Drenthe, maar vertelt ook een familiegeschiedenis over bijzondere mensen die Drenthe veranderden.

Bijna een kwart eeuw had Peter Voerman de hutkoffer vol met schatten op zolder staan. ,,Wat doe ik ermee? Het is een vraag die me jarenlang bezighield. Mijn ouders wilden graag dat ik me over deze spullen zou ontfermen. Jarenlang deed ik er niets mee. Ik werd in beslag genomen door mijn gezin, een drukke baan en dagelijkse beslommeringen. Opeens had ik het gevoel dat de tijd me op de hielen zat. Mijn ouders overleden relatief jong. Dat geldt ook voor veel van mijn voorouders. Als ik hun genen heb, dan kan ik geen jaren meer wachten.”

‘Zeuren’

Voerman kwam terecht bij Kees Opmeer, die al jaren tegen hem zei dat hij wat met het archief moest doen. Het boek over de Rahders is het 50e boek dat Opmeer schrijft. De schrijver uit Ruinen moest lang ‘zeuren’. ,,Het heeft jaren geduurd voordat Peter zover was. Het boek is geschreven vanuit het oogpunt van Peter. Dat is mooi, maar je moet uitkijken dat je het niet romantiseert. Daarom hebben we een team samengesteld, bestaande uit Wim D. Visser en Albert Metselaar, om alle feiten te checken. De keuze voor deze invalshoek is genomen om in het boek de Rahders van vlees en bloed te laten worden. Daarom voel ik me nu ook een beetje een Rahder”, vertelt Opmeer lachend.

Tijdens de eerste afspraak die de heren hadden, stalde Voerman al het materiaal uit op tafel. ,,Ik dacht dat het Kees misschien af zou schrikken.” De schrijver schudt zijn hoofd. ,,Nee, absoluut niet. Ik dacht: er ligt hier een schatkamer. Ik kreeg een groot deel van het archief mee naar huis. Mijn werkkamer lag vol. Het rook er echt naar het verleden.”

De speurtocht naar alle geheimen begon en Opmeer stuitte op prachtige pareltjes. Het feit dat de stoel waar Koning Willem III opzat toen hij de Rahders bezocht tijdens een reis naar Drenthe, al die tijd bij de familie in huis heeft gestaan en de koningsstoel werd genoemd bijvoorbeeld. Historicus Wim D. Visser zou deze stoel nog graag een keer traceren. Ook hij heeft meer met de familie Rahder dan alleen in historisch opzicht. Zijn voorouders woonden een tijdlang naast de familie Rahder in Dedemsvaart en 60 jaar later kwamen er weer nazaten van hem en van de Rahders naast elkaar te wonen. Hij biedt Voerman een portret aan van Koen Rahder, dat hij in zijn bezit heeft en die jarenlang op zolder stond te verstoffen. ,,De familie wilde het niet hebben, maar ik wist dat er ooit een kans bestond dat ik het aan een nazaat aan zou kunnen bieden. Dit is een prachtige gelegenheid.”

Maar wat hebben de Rahders nou betekend voor Drenthe? Het is een vraag die Peter Voerman in het einde van het boek beantwoordt. In het boek valt te lezen wat ze allemaal hebben gedaan en hoe het er aan toeging in het Drenthe van de 19e en begin 20e eeuw. De Rahders waren de eerste die een machine hadden voor machinale vervening, ze stonden aan de wieg van de basisschool in Tiendeveen en hadden oog voor de gezondheid van hun medewerkers. ,,In de canon van Drenthe wordt de familie Rahder niet genoemd als het om de vervening gaat. Daarom koester ik dit boek. Het is mijn manier om de familie te behoeden voor vergetelheid. Dat verdienen ze.”

Het eerste exemplaar van het boek wordt tijdens de presentatie aangeboden aan burgemeester Karel Loohuis. Gespreksleider Serge Vinkenvleugel heeft nog een vraag: of er nog meer hutkoffers bij Voerman op zolder stonden. Voerman is natuurlijk niet alleen een Rahder, er stroomt nog ander bloed door zijn aderen. Ook stamt hij af van de schilder Voerman en ook daar ligt nog een archief van bij hem op zolder. Of dat ook een boek wordt? ,,Dat weet ik nog niet zeker, maar Kees en ik zijn er wel naar aan het kijken. Ook in deze hutkoffer vinden we allemaal schatten. Ach, het is eigenlijk gewoon een ja.”

Het boek ‘Hoe de Rahders Drenthe veranderden’ is verkrijgbaar via stichtingcultuurfilmsdrenthe.nl gacreatief.nu en in de boekhandels.