Schetsen van het dagelijks leven

Jan Voerman (1857– 1941) was leerling aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam in de periode 1876-1883. Zijn leermeester was August Alllebé die later ook directeur van de academie werd. Allebé was ondanks zijn betrekkelijk jonge leeftijd van 32 jaar een liefhebber van de oude meesters en een traditionele opleiding. Op de opleiding werd in de eerste jaren veel aandacht besteed aan anatomie en kunstgeschiedenis. Leerlingen hadden niet veel vrijheid. Jan Voerman’s liefde voor het landschap en de wolkenluchten kreeg weinig ruimte. Samen met zijn jaargenoten trok hij de joodse buurten in om daar zogenaamde genrestukken te maken. Hij maakte honderden tekeningen in zijn schetsboek van alledaagse tafrelen die hij later gebruikte voor zijn schilderijen. In de jaargang 1880-1881 nam Voerman lessen aan de Academie in Antwerpen bij de bekende leermeester Verlat. Het zijn jaren van armoede. Jan Voerman kan soms nauwelijks zijn huur betalen of brood kopen. Hij verkoopt af en toe een studie zoals aan zijn vriend de dichter Verweij. Het is een paneeltje gemaakt op het ijs van de Amstel. Ouders tillen hun dochter op het ijs om te gaan schaatsen op de grachten. Na zijn studie woonde Voerman nog een poosje in Amsterdam maar al gauw trok hij weer naar zijn geliefde IJssel waar hij het landschapsschilderen weer oppakte.

Familie Rahder voor “Huize Blokland”

Foto van de familie Rahder voor ‘Huize Blokland’ in Noordscheschut circa 1896: Met v.l.n.r. Dien (G.W.) Rahder (1876-1964), ‘jonge’ Jan Rahder (1858-1924), Margje Rahder – van Veen (1844-1925), ‘oude’ Jan Rahder (1834-1898), Lodewijk (F.L.) Heil (1865-1943), Leo (L.W.) Heil (1894-1980), Mien (W.P.C.) Heil – Rahder (1872-1945).

‘Oude’ Jan Rahder woont in 1896 met zijn tweede vrouw Margje Rahder – van Veen (1844-1934) op Huize Blokland. Hij heeft het gekocht van zijn jongere broer J.C. Rahder jr. die naar Amsterdam verhuisde om er wijnhandelaar te worden. Na de dood van oude Jan in 1898 verkoopt zijn vrouw Margje het huis aan Jan’s jongste broer die ook Jan heet (jonge Jan). Jonge Jan (mijn over-grootvader) ging er wonen met zijn vrouw Jentje Thomas, de dochter van molenaar Jacob Thomas ook uit Noordscheschut. Tussen de geboorte van oude Jan en jonge Jan zit 24 jaar. Ze waren de oudste en jongste uit het verveners gezin J.C. Rahder en W.P.C. Van Voorthuijsen dat in totaal uit 18 kinderen bestond.

Foto uit archief Lington/ Heil

F90 Familie Rahder voor Blokland ca 1985 zw-Colorized

Van student naar revalidatiearts in Kinder-revalidatiecentrum Lyndensteijn

Mijn vader Ubbo Voerman maakt zijn studie medicijnen in Groningen af en wordt in 1961 een van de eerste kinderrevalidatieartsen in Nederland. Zijn professor Dr. Bom heeft een mooie uitdaging voor de jonge arts. In de bossen bij Beetsterzwaag, in het oude landhuis Lyndensteijn van de familie Van Lynden, is een sanatorium voor kinderen met tbc omgebouwd tot kinderrevalidatiecentrum. Er worden veel kinderen verpleegd die door de polio-epidemieën zijn getroffen. Bom heeft er de leiding samen met hoofdzuster Vormeer. Ubbo, die zelf polio heeft gehad, wordt zijn assistent.

Bom laat een woning bouwen in de ‘Overtuin’ die bij het landgoed Lyndensteijn hoort. Het is een prachtige Engelse landtuin, aangelegd door tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard. Vlak voor de verhuizing trekt professor Bom zich terug in zijn Groningse bastion en Ubbo krijgt de leiding in Beetsterzwaag. Het studentenpaar Ubbo en Jennie gaan, met hun twee kinderen, verhuizen naar Beetsterzwaag en trekken daar in het grote huis in het bos. Lyndensteijn groeit snel uit tot een kindercentrum met goede naam. Een van de eerste dingen die Ubbo regelt is een school op het terrein, zodat de kinderen een goede dagbesteding hebben en aan hun toekomst kunnen werken. Hij gelooft in een zo kort mogelijke behandeling en daarna moeten de patiëntjes weer snel naar hun eigen omgeving. Jennie vindt een baan als geschiedenis lerares in Oosterwolde.

Lyndenstijn1
Ubbo Voerman, hoofdzuster Vormeer en professor Bom bij Lyndensteijn, circa 1963

Boek over de familie Rahder

Mijn familieverhaal wordt door schrijver Kees Opmeer en mijn zoon Tijs Voerman vastgelegd in drie boeken. In juni 2020 verschijnt het boek over de familie Rahder. Daarna in 2021 volgt deel 2 over de Familie Voerman – Verkade en in 2022 deel 3 over de families Mansholt, Louwes, Zijlma en Dijkhuis uit Noord Groningen. Deel 1 is alvast te bestellen voor een introductieprijs van € 25 via Ga Creatief

Vooraankondiging-uniek-boek--'Hoe-de-Rahders-Drenthe-veranderden'-small

Vleermuizen

Op zoek naar een foto van mijn oude basisschool aan de Hoofdstraat in Beetsterzwaag, tegenover het kantongerecht, kwam ik een herinnering tegen van mijn oude meester Terluin. De meester die zo mooi kon voorlezen uit ‘De brief voor de koning’ van Tonke Dragt. Hij tekende daarbij een prachtige kaart op het bord, uit zijn hoofd zonder voorbeeld. Meester Terluin beschrijft een scène die ik zelf heb meegemaakt in die oude lagere school.

Op een dag kwamen er vleermuizen vanuit de lampen vallen en fladderden door het lokaal. Later zei juf Agter tegen me dat vleermuizen vooral in het haar gingen zitten van jongetjes met kort haar. In die dagen had ik ‘kort Amerikaans’ stekeltjeshaar. Ik heb nooit meer zonder angst in dat lokaal gezeten. Ook herinner ik me nog de oude potkachel die Terluin beschrijft. We moesten veel van plek wisselen in het lokaal, want dicht bij de kachel was het te heet en ver van de kachel veel te koud. Als je straf had, moest je naar het turfhok (in mijn herinnering waren het trouwens kolen).

Uit het verhaal van Meester Terluin:

“Het was ongelooflijk wat ik daar aantrof: een enorme kachel in de hoek van het lokaal en een turfbak ernaast, elke dag gevuld met turf; in de hoek daartegenover de ingang naar het turf- of kolenhok; in de andere hoek een deur met een ouderwetse stalklink naar drie toiletjes, eveneens met een stalklink te openen. Het waren wc’tjes zonder spoeling. Alles wat er in gedeponeerd werd, viel in een beerput eronder. De raampjes naar buiten waren voor de helft met glas gevuld, voor de broodnodige frisse lucht. De ramen in het lokaal waren zo hoog dat de kinderen niet naar buiten konden kijken. Dat zou hun maar afleiden. Voor de klas stond een hoge lessenaar op een soort podium en een hoge kruk er achter. Er stonden vier rijen schoolbanken, waar wel 44 kinderen in plaats konden nemen.

Eens werd ik gehaald door de juf van de 1e en 2e klas, omdat er iets niet pluis was in het lokaal. Er waren vleermuizen in de plooien van de gordijnen gekropen en toen de gordijnen tegen de zon werden gesloten, vlogen die beestjes door het lokaal en scheerden over de hoofdjes van de kinderen. Paniek onder de kinderen, natuurlijk. Gauw de buitendeur opengezet en geprobeerd de beestjes naar buiten te jagen, wat uiteindelijk lukte. Deze buitendeur moest door de kinderen gebruikt worden om naar hun toiletjes te gaan, die in een apart gebouwtje achter de school stonden”.

Na 4 jaren op de oude school werd er eindelijk een nieuwe school gebouwd op een drassig veldje pal naast ons huis aan het Merkelân. We speelden graag op dat veldje waar we vaak met natte broeken en sokken vandaan kwamen. Maar een school naast de deur was natuurlijk erg spannend. Samen met vriendje Durk hielden we de bouw goed in de gaten. Iedere week waren er vorderingen. Waar zou mijn klas komen? Vriendje Durk was helaas na de kleuterschool naar de christelijke school gegaan.

Inmiddels was onze klas tijdelijk verplaatst naar een noodlokaal in de landbouwschool. We moesten door ruimtes met melkmachines lopen naar ons lokaaltje. Daar gebruikten we voor het laatst onze kroontjespennen die we doopten in de inktpot op ons tafeltje. Naast de inktpot en kroontjespen lag steevast de inktlap. Bij een nieuw schrift zat altijd een vloeiblad waarmee de natte inkt werd gedroogd. Soms gebruikten we nog een griffel en een lei en daarmee kon je afschuwelijke krasgeluiden maken. Toen de school eindelijk af was en de feestelijke opening achter de rug, kon ik nog maar 2 jaren van het nieuwe gebouw genieten. Daarna vetrokken we op de fiets naar het lyceum in Drachten.

Mijn mooiste herinneringen in klas 6 zijn niet aan dat nieuwe schoolgebouw, maar aan de nieuwe hoofdmeester Brouwer die ook naast de school ging wonen. Het eerste wat hij deed was het afschaffen van allerlei regels die tot dan aan de orde van de dag waren geweest. We hoefden niet meer per klas in een rij te gaan staan, voordat we op volgorde in de pas naar binnen mochten. In het lokaal was het niet meer verplicht om met de armen over elkaar stil te zijn als ons werk af was. We mochten gewoon iets anders gaan doen.

And I was so much older then

When I was young

(Eric Burdon, 1967 )

Een dubbele beproeving

In 1850 verhuist het gezin van Coen Rahder, wijnkoper in Amsterdam, en zijn vrouw Willemina Rahder – Van Voorthuijsen naar Drenthe om er te gaan vervenen. Huize ‘Nieuweroord’ wordt de uitvalsbasis voor de vervening in de Tiendevenen. Rondom ‘Huize Nieuweroord’ ontstaat een nieuwe veenkolonie dat ook Nieuweroord wordt genoemd. In 1851 zijn er al 20 arbeiderswoningen gebouwd. De nieuwe maatschappij koopt in 1850 ongeveer 1.400 hectare veengrond aan rondom Nieuweroord en Nieuw-Balinge. In 1855 wordt nog eens 35 hectare aangekocht ten noorden van de Hoogeveensche Vaart.

Het nieuwe oord brengt het gezin Rahder nog geen geluk. Ondanks het gegeven dat ouders gewend zijn dat veel kinderen in die jaren niet oud worden, klinkt het verdriet en de wanhoop door in een stervensbericht dat op 15 december in de Drentse en Asser Courant staat.

“God sterkt ons bij deze dubbele beproeving. De 11e is onze jonge lieveling Willemine Petronella Cornelia oud 2 en een half jaar van ons opgeëischt en nu de 14e hebben een nieuw offer gebragt ons daaropvolgende dochtertje Christina Lydia in den leeftijd van 5 jaren”.

Als woonplaats van de overleden kinderen worden de Westerborker- en Broekvenen genoemd. Nieuweroord heeft zijn naam kennelijk dan nog niet gekregen. In 1854 sterft ook de jonge Willem op twaalf-en-een-halfjarige leeftijd. De omstandigheden zijn rond 1850 niet ideaal voor jonge kinderen en kraamvrouwen. Er zijn besmettelijke ziekten als cholera, tyfus en zelfs malaria en het drinkwater is ook niet best. Elf kinderen Rahder blijven in leven. De oudste 8 kinderen zijn net als hun ouders geboren in Amsterdam en Baambrugge. De jongste vier zonen Marinus, Nico, Lydius en Jonge Jan zijn geboren in Drenthe. Tussen oudste zoon Jan die in 1834 in Amsterdam wordt geboren en zoon ‘jonge’ Jan zit een leeftijdsverschil van 24 jaar.

Voor de oudste Jan, die nog in een net pak met blauwe knopen naar de Amsterdamse beurs ging, is de verhuizing het meest ingrijpend. Het leven in Drenthe is totaal anders dan in de grote stad. In de omgeving van Nieuweroord en Noordscheschut zijn nauwelijks winkels waar je kleding en voedsel kan kopen. Veel Drenten verbouwen hun eigen voedsel. Jan heeft weinig aansluiting met leeftijdgenoten. Aanleiding voor zijn ouders om hem en later ook hun andere kinderen in hun tienertijd een aantal jaren naar de kostschool te sturen. ‘Oude’ Jan zal altijd de meest ‘stadse en aristocratische’ Rahder blijven.

Fotografie rond 1900

Mijn overgrootvader Jan Voerman Sr. kocht al rond 1900 een houten reiscamera waarmee foto’s konden worden gemaakt op glasplaten van diverse formaten. Hij kocht de camera bij de firma Groote die was gevestigd op de Kalverstraat 43 en deed in ‘Photographie Artikelen’ Jan Voerman leerde fotograferen van plaatsgenoot Luite Klaver in Hattem. Hij leerde de techniek ook aan de zonen Tijs en Jan. Mijn opa Jan Voerman Jr. maakte veel foto’s als voorstudies voor de Verkadeplaatjes. Hij gebruikte diverse reiscamera’s. De camera’s en veel glasnegatieven zijn bewaard gebleven.

 

Johannes Koning op de 10 daagse veldtocht

Mijn verre voorouder Johannes Sixtus Koning (1809-188) ging al op zijn zestiende vanuit zijn ouderlijk huis in de Borg van Wedde studeren in de stad Groningen. Via een oom uit de Eckringa, een predikant in Sleen, had hij Grieks en Latijn kunnen leren. Het was voor de dominee en zijn gezin een mooie bijverdienste. In die tijd was het bestaan als predikant een karig bestaan. De dominee moest het net als de onderwijzer vaak doen met een vergoeding in eten en maaltijden. Johannes liep dan met een vriend door de uitgestrekte zandverstuivingen door Drenthe. Eenmaal midden op het Ellertsveld werden de jongens overvallen door een, naar later bleek, ontsnapte dief met een lang mes. Hij stond ineens voor hun neus want hij had zich ingegraven in een kuil in het zand.

In 1830 neemt Johannes Koning met de Groningse studenten deel aan de 10 daagse veldtocht naar België dat zich dan net onafhankelijk heeft verklaard. De Verenigde Nederlanden waren het levenswerk van koning Willem I, en hij kon de onafhankelijkheid van de Belgen niet verkroppen. Duizenden jongemannen pakken de wapens op. Ze gaan op een veldtocht naar België en strijden er 10 dagen. Johannes vertrekt in grenadiers uniform met daarop het wapen van “Vindicat atque Polit”. Ze dienden in de regimenten Flankeurs onder leiding van Abraham Rutgers van der Loeff. Na hun toch die al met al tot in 1831 duurde krijgen ze van Koning Willem I het Metalen Kruis Vrijwilligers 1830-1831. Deze tocht was voor Johannes het mooiste deel van zijn leven. Nog jarenlang vertrok hij om de vijf jaar uit Wedde naar de Flankeurreünies met zijn oude wapenbroeders. In Groningen zijn nog steeds het Vaandel en een erebeker te zien.

 


 

De burcht in Wedde

Onlangs zag ik deze prachtige foto’s van de burcht in Wedde rond 1905 gemaakt door Tonnis Post (1877-1930). Post is de fotograaf uit Winschoten die samen met huisarts Middendorp een indrukwekkende serie heeft gemaakt over de armoede in Westerwolde.

In deze periode woonden de familie Koning (voorouders van mijn over grootmoeder Eduarda Thalia Verkade – Koning) nog op de burcht. Mijn opa Jan Voerman Jr. is er nog op bezoek geweest en heeft het tekenboek van zijn oud tante Thalia Koning gebruikt als inspiratie voor het maken van de Verkade plaatjes.